vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/614117 / HA ZA 16-846 Vonnis van 7 juni 2017 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonende te [plaats] ,
(3)weken, en permanent in het digitale archief van Het Parool bij alle Paroolartikelen, indien en voor zover deze niet overeenkomstig het primair onder II gevorderde offline zijn geplaatst; RECTIFICATIE inzake vastgoedinvesteerders [eiser sub 1] en [eiser sub 2] Onder meer in het artikel “ Link kopers politiepand met crimineel ” van 23 januari 2016 en twee daaropvolgende publicaties, heeft Het Parool gesuggereerd dat de kopers van onder meer het voormalig politiebureau aan de [straat 3] eind 2015, gelieerd zou zijn aan zware criminaliteit. Deze verdachtmakende suggestie is lichtvaardig en vindt geen steun in de feiten. De rechtbank Amsterdam heeft bepaald dat Het Parool hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] , en heeft bij vonnis van [DATUM] Het Parool bevolen deze rectificatie te publiceren. Het Parool Hoofdredactie IV. hoofdelijke veroordeling van Het Parool c.s. tot een vergoeding wegens immateriële schade van € 10.000,- aan zowel [eiser sub 1] als [eiser sub 2] ; V. hoofdelijke veroordeling van Het Parool c.s. tot vergoeding van materiële schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; VI. veroordeling van Het Parool tot verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- voor elke dag dat zij verzuimt het bevel onder II of III geheel of gedeeltelijk na te komen; VII. hoofdelijke veroordeling van Het Parool c.s. in de kosten van het geding; alles bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 3.2. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] leggen, kort samengevat, het volgende aan hun vorderingen ten grondslag: 3.2.1. In de Paroolartikelen zijn zij ernstig verdacht gemaakt door de herhaalde bewering dat zij banden met zware criminaliteit zouden hebben. Zij zouden bij de koop van de voormalige politiebureaus niet goed zijn gescreend. Als dat wel was gebeurd, zouden zij wegens hun banden met de crimineel [naam 3] niet zijn geaccepteerd, zo beweert Het Parool c.s. Deze verdachtmakingen zijn gepubliceerd op basis van hypotheses of vooringenomenheid, zonder dat ze door feiten kunnen worden gerechtvaardigd. Er is immers geen enkel aanknopingspunt voor de aantijging dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] banden met zware criminaliteit zouden hebben gehad, en al helemaal niet met de crimineel [naam 3] . 3.2.2. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] voelen zich door de Paroolartikelen in hun eer en goede naam aangetast. Zij beroepen zich op het recht op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer en op hun onschuldpresumptie. Deze door de Grondwet en de relevante internationale verdragen gegarandeerde rechten wegen in dit geval zwaarder dan de uitingsvrijheid van Het Parool. 3.2.3 [eiser sub 1] en [eiser sub 2] lijden als gevolg van de Paroolartikelen ernstige reputatie- en vermogensschade. Dat zal ook in de toekomst het geval zijn, temeer nu de Paroolartikelen, bijvoorbeeld door middel van het googelen van hun namen, nog altijd op internet te vinden zijn. Zij hebben dan ook belang bij een verklaring voor recht dat de Paroolartikelen jegens hen onrechtmatig zijn, bij een rectificatie, bij een vordering tot verwijdering, althans het onvindbaar maken daarvan, en bij een vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schade. 3.2.4. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] achten zowel Het Parool als zijn hoofdredacteur aansprakelijk, evenals de beide auteurs [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , nu redacteuren beschuldigingen ook blijken te twitteren. 3.3. Het Parool c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de kosten van dit geding, waaronder inbegrepen het nasalaris als bedoeld in artikel 237 lid 4 Wetboek van Rechtsvordering. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Bij de bepaling van het antwoord op de vraag of de Paroolartikelen tegen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] onrechtmatig zijn, gelden de volgende uitgangspunten. Het toewijzen van de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zou neerkomen op een beperking van de uitingsvrijheid van Het Parool, vastgelegd in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Zo’n beperking is alleen toegestaan, als ze bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van bijvoorbeeld de goede naam of rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij wet is voorzien, is sprake, als de Paroolartikelen onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW zijn. Het antwoord op de vraag welk recht – de uitingsvrijheid of het recht op bescherming van de eer en goede naam – in het concrete geval zwaarder weegt, wordt gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Daarbij komt aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe, gelet op enerzijds haar taak informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en haar vitale rol van publieke waakhond te vervullen, en anderzijds het recht van het publiek informatie en ideeën te ontvangen. Bij de afweging van de belangen speelt voorts een belangrijke rol dat een journalist de zorgvuldigheid in acht dient te nemen die vanwege de aard en de strekking van de publicatie is geboden. Tevens heeft Het Parool belang erbij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend over misstanden die de samenleving raken, te kunnen uitlaten. Daarbij moet naar objectieve en evenwichtige berichtgeving worden gestreefd. Dat brengt onder meer mee dat hoor en wederhoor wordt toegepast. Het belang van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is erin gelegen dat zij niet lichtvaardig worden blootgesteld aan voor hen schadelijke publiciteit en/of aan beschuldigingen die geen of onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal vinden. 4.2. Voorop staat dat de vraag aan wie de algemeen bekende voormalige politiebureaus in hartje Amsterdam zouden worden verkocht, een zaak van publiek belang was. Ten eerste zou het voor de Nationale Politie als eigenaar van panden een blamage zijn, als zou blijken dat ze zijn verkocht aan criminelen of aan personen of bedrijven die contacten met criminelen hebben en/of voor de financiering van de panden van criminaliteit afkomstig geld gebruiken. Ten tweede zou een dergelijke gang van zaken schadelijk voor de gemeente Amsterdam zijn, mede gezien haar beleid de criminaliteit in het als “ [postcode] ” bekend staande deel van de stad terug te dringen. Het Parool had en heeft dan ook, als “Amsterdamse krant”, recht en belang mogelijke misstanden in dit verband aan het licht te brengen. 4.3. Vast staat dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] banden met – de destijds als aannemer opererende – [naam 1] onderhielden. Hij huurde van hen bedrijfsruimte die hun eigendom was en vanuit hun kantoor binnendoor toegankelijk was, zij gaven hem opdrachten en zij hielpen hem tot tweemaal toe bij de financiering van zijn woonhuis, de tweede keer na het faillissement van zijn aannemingsbedrijf. Dit alles geschiedde, nadat [naam 1] een gevangenisstraf had ondergaan. 4.4. Namens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] verhuurde een door hen voor al hun verhuurobjecten ingeschakeld bemiddelingsbedrijf, dat hetzelfde adres als zij gebruikte, de bovenwoning waarin [naam 3] een aantal jaren zijn schuilplaats had. [naam 3] zat daar dankzij [naam 1] , die hem uit de gevangenis kende en hem, gelet op de in zoverre niet bestreden inhoud van de Paroolartikelen, hand- en spandiensten verleende om het leven op zijn onderduikadres mogelijk te maken. Daarbij werd de huur, een in vergelijking met de gemiddelde huurprijs voor een woning in Amsterdam hoog bedrag, contant betaald. 4.5. De Paroolartikelen, in het bijzonder het meest uitgebreide artikel van 23 januari 2016, moeten tegen deze achtergrond worden beoordeeld. In het artikel van 23 januari 2016 beschrijft [gedaagde sub 3] de banden tussen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] enerzijds en [naam 1] anderzijds, evenals de onderlinge band tussen [naam 1] en [naam 3] . Voor zover [eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat zij in dit artikel rechtstreeks met [naam 3] in verband worden gebracht, valt dat in dit artikel niet te lezen. De weergave van de uitlating van een – anonieme – bouwvakker die hen en [naam 3] mogelijk op enig moment in één en dezelfde ruimte heeft gezien, is slechts een illustratie van de wijze waarop de kantoren onderling met elkaar waren verbonden en het gemak waarmee men bij elkaar kon binnenlopen. 4.6. Ook de kop Link kopers politiepand met crimineel hoeft, gelet op de inhoud van het artikel, niet te worden geïnterpreteerd als een uiting waarmee een rechtstreekse band tussen [eiser sub 1] / [eiser sub 2] en [naam 3] wordt gesuggereerd. Deze kop zou ook kunnen worden gelezen in de zin dat [naam 1] de link tussen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] enerzijds en [naam 3] anderzijds vormde. Dat dekt de lading van het artikel. 4.7. Het enige, ook in het artikel beschreven, aanknopingspunt tussen [eiser sub 1] / [eiser sub 2] en [naam 3] is het feit dat laatstgenoemde een aantal jaren in een woning heeft verbleven die [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in eigendom hadden. Maar dat is dan ook tegelijk de relevantie van de publicatie, omdat daarmee vaststond dat [naam 3] woonde in een pand van degenen die, samen met anderen, de twee voormalige politiebureaus hadden gekocht. 4.8. Dat het artikel van 23 januari 2016 in de hiervoor weergegeven zin moet worden opgevat, vindt zijn bevestiging in de wijze waarop (ook) de burgemeester en raadslid [naam 5] het, gezien hun uitlatingen in de raadsvergaderingen, interpreteerden. Van andere interpretaties, bijvoorbeeld in de zin dat [naam 3] rechtstreeks contact met [eiser sub 1] en [eiser sub 2] had, is niet gebleken. De burgemeester en [naam 5] toonden zich ook uiterst behoedzaam in het vermijden van opmerkingen in die richting en verwezen daarbij meermalen naar het artikel van 23 januari 2016. 4.9. De vraag is vervolgens of (
- de)andere uitingen van Het Parool c.s. waartegen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hun vordering richten, wel moeten worden gelezen in de zin dat daarin een directe band tussen hen en [naam 3] wordt gesuggereerd. Dit betreft volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de volgende uitlatingen (genoemd in hun petitum, zoals hiervoor onder 3.1. onder I weergegeven): (
- a)“[…] twee kopers van de panden van de gewezen politiepanden Bureau [straat 3] en Bureau [straat 2] op de Wallen (hadden) banden met crimineel [naam 3] . Het ging om vastgoedinvesteerders [eiser sub 2] en [eiser sub 1] […]” (uit het artikel van 23 juni 2016 van de hand van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] ); (
- b)“[…] De connectie tussen de nieuwe eigenaren en zware criminaliteit bleek uit onderzoek van Het Parool” (uit het artikel van 28 januari 2016 van de hand van [gedaagde sub 3] ) ; (
- c): “Wie kochten de beroemde politiebureaus op de Wallen? De kopers hebben een link met zware criminaliteit” (de tweet van [gedaagde sub 3] van 23 januari 2016). 4.10. Deze drie uitlatingen moeten worden gezien in samenhang met, wat de in 4.9. onder (
- a)en (
- b)betreft, de rest van de tekst van de beide artikelen en met, wat de tweet van [gedaagde sub 3] en de beide andere citaten betreft, de overige relevante publicaties, waaronder in het bijzonder het hiervoor besproken artikel van 23 januari 2016, dezelfde datum als die van [gedaagde sub 3] tweet. 4.11. Het artikel van 28 januari 2016 (waaruit citaat (
- b)komt) geeft een met de inhoud van het artikel van 23 januari 2016 overeenstemmende samenvatting en doet dan kort verslag van de reactie van de burgemeester. Het artikel maakt duidelijk dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] “nauwe banden (hadden) met de man die [naam 3] tijdens zijn vlucht ondersteunde”. De daarop volgende zin “De connectie tussen de nieuwe eigenaren en zware criminaliteit bleek uit het onderzoek van Het Parool” (citaat (b)) kan in die context dus niet worden gelezen in de zin dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] rechtstreekse banden met [naam 3] onderhielden. 4.12. Het artikel van 23 juni 2016 (waaruit citaat (
- a)komt) heeft betrekking op de brief van de burgemeester aan de gemeenteraad over, onder meer, het besluit van de Nationale Politie in het vervolg net als de gemeente de zgn. Bibob-screening toe te passen. Verder geeft het artikel kort de voorgeschiedenis weer. Hoewel de hiervoor in rechtsoverweging 4.9. onder (
- a)geciteerde uitlating op zichzelf de indruk wekt dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] banden met [naam 3] onderhielden, valt uit de context en de verwijzing naar de voorgeschiedenis in voldoende mate af te leiden dat deze uitlating moet worden gelezen in dezelfde betekenis als de eerdere publicaties en niet letterlijk moet worden genomen. 4.13. De tweet van [gedaagde sub 3] , ten slotte, verscheen op dezelfde dag als en in nauwe samenhang met het uitgebreide artikel, dat hiervoor al is besproken. Om die reden kan deze tweet niet worden gelezen in de zin dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een rechtstreekse band met [naam 3] onderhielden. Ook hier zou de link [naam 1] kunnen zijn. Vast staat dat hij nauwe banden met [naam 3] en dus met zware criminaliteit had. 4.14. De conclusie is dan ook dat geen van de drie Paroolartikelen en geen van de geciteerde uitlatingen iets anders weergeven dan wat tussen partijen vaststaat: dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] banden met [naam 1] hadden en [naam 1] op zijn beurt met [naam 3] . Deze conclusie vindt haar bevestiging in de omstandigheid dat niet is gebleken dat enige persoon of instantie aan een andersluidende interpretatie voor [eiser sub 1] en [eiser sub 2] nadelige gevolgen heeft verbonden. Het feit dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zich uit het eerder genoemde consortium hebben teruggetrokken, maakt dit niet anders. Niet gebleken immers is dat iemand hen vanwege de inhoud van de Paroolartikelen daartoe heeft gedwongen. 4.15. Kan van de gewraakte uitlatingen dus niet worden gezegd dat zij [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in hun eer en goede naam aantasten, de vraag is nog of zij wel hun persoonlijke levenssfeer schenden. Ook als een uitlating niet onwaar is, hoeft dit nog niet te betekenen dat degene over wie ze wordt gedaan, zich hoeft te laten welgevallen dat ze met naam en toenaam wordt gepubliceerd. Daarbij geldt onder meer dat zogenaamde public figures meer publiciteit moeten dulden dan gewone burgers. 4.16. De vraag of [eiser sub 1] en [eiser sub 2] als public figures moeten worden beschouwd, kan in het midden blijven. De uitingen van Het Parool c.s. betreffen immers niet hun persoonlijke leven, maar hun zakelijke bestaan als vastgoedinvesteerders. Bovendien had Vrij Nederland al in 2010 gepubliceerd over het feit dat [naam 3] zijn schuilplaats in een aan hen toebehorend pand had gehad. Voor zover hun persoonlijke levenssfeer al in het geding was, weegt het belang van de bescherming daarvan niet op tegen het belang van Het Parool c.s. bij de publicatie van de in de Paroolartikelen vervatte beschouwingen over de verkoop van de voormalige politiebureaus. Van een onrechtmatige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer is dan ook geen sprake. 4.17. Wat hiervoor is overwogen, brengt mee dat de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aan Het Parool c.s. verweten uitlatingen tegenover hen niet onrechtmatig zijn. Hun vordering onder I zal dan ook worden afgewezen. Nu van onrechtmatigheid geen sprake is, bestaat ook geen reden Het Parool te verplichten de besproken artikelen offline te halen of verwijzingen daarnaar te verwijderen, een rectificatie te plaatsen en materiële of immateriële schade aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te vergoeden. Ook de onder II, III, IV, V en VI weergegeven vorderingen zullen daarom worden afgewezen. 4.18. Aangezien [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in het ongelijk worden gesteld, zullen zij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze worden als volgt berekend: Salaris advocaat (2 punten) € 904,00 Griffierecht € 618,00 Totaal € 1.522,00 4.19. De nakosten worden begroot en toegewezen als hierna volgt. 5De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de kosten van dit geding, aan de zijde van Het Parool c.s. tot aan deze uitspraak begroot op € 1.522,00 (vijftienhonderd tweeëntwintig euro); 5.3. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak; 5.4. verklaart dit vonnis wat de kostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Korthals Altes en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017. type: coll: