RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751665-16 RK nummer: 16/6315 Datum uitspraak: 10 januari 2017 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet (ULW) van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 15 september 2016, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Veiligheid en Justitie ontvangen verzoek van de Albanese autoriteiten tot uitlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedatum] 1980, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de [detentie adres], hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang. De rechtbank heeft op 27 december 2016 de opgeëiste persoon, zijn raadsman, mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen, en de officier van justitie ter openbare zitting gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Albanese taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Albanese nationaliteit heeft. 3Grondslag van het verzoek tot uitlevering en genoegzaamheid De Albanese autoriteiten hebben bij brief van 5 september 2016 van het Ministerie van Justitie van de Albanese Republiek aan het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie een verzoek tot uitlevering met het oog op tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf gedaan en daartoe de volgens de Wet en het toepasselijke Verdrag vereiste stukken overgelegd. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft bij brief van 14 september 2016 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen. De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vonnis aan de opgeëiste persoon opgelegd door het Tirana Serious Crimes First Instance Court van 23 april
- Vermeld is verder dat The Serious Crimes Appeal Court op 12 juni 2012 het hoger beroep heeft verworpen. Aan de opgeëiste persoon is een gevangenisstraf van 15 jaar opgelegd voor het strafbare feit mensenhandel. 4Strafbaarheid van de feiten Uit de stukken volgt dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar Albanees recht strafbaar zijn en dat daarvoor telkens een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste één jaar kan worden opgelegd, terwijl die feiten naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar zijn en daarvoor eveneens telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd. De feiten zijn naar Nederlands recht te kwalificeren als: - Mensenhandel 5Ne bis in idem De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon volgens het uitleveringsverzoek op 23 april 2012 in Albanië is veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf wegens – kort gezegd – het op 28 augustus 2007 ontvoeren en (seksueel) uitbuiten van een Moldavische vrouw. Ter terechtzitting van 3 november 2016 heeft deze rechtbank in het kader van het uitleveringsverzoek partijen gehoord. De verdediging heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in Italië voor strafbare feiten is veroordeeld en de Albanese autoriteiten niet hebben uitgezocht of dit dezelfde feiten betreffen als de feiten waarop het uitleveringsverzoek is gebaseerd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon hoe dan ook de Italiaanse straf niet heeft uitgezeten en hij daarom geen gegrond beroep kan doen op het ne bis in idem beginsel. De rechtbank heeft de zaak aangehouden teneinde de officier van justitie de gelegenheid te geven nadere vragen te stellen aan de Albanese autoriteiten met betrekking tot een Italiaanse strafzaak tegen de opgeëiste persoon. Op vragen van het IRC van 17 oktober 2016 heeft het Albanese Ministerie van Justitie bij brief van 31 oktober 2016 aangegeven dat hij bij de Italiaanse autoriteiten heeft geïnformeerd naar de strafzaak aldaar, maar dat daar nog geen antwoord op is gekomen. Bij brief van 18 november 2016 heeft het IRC de Albanese autoriteiten nader verzocht helderheid te verschaffen over de zaak in Italië, met name de vraag of verdachte onherroepelijk veroordeeld is. Bij de brief van 7 december 2016 van de Albanese justitiële autoriteiten is het vonnis van de rechtbank in Tirana van 23 april 2012, dat ten grondslag ligt aan het uitleveringsverzoek, gevoegd. In het vonnis staat vermeld dat de advocaat in die procedure namens de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hij voor de rechtbank in Treviso (Italië) voor dezelfde feiten is veroordeeld en dat het ne bis in idem beginsel van toepassing is. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon bij verstek is veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf bij beslissing van 8 april 2010, maar dat dit geen onherroepelijke beslissing is omdat er beroep is ingesteld waarop nog niet is beslist. Bovendien kan hij pas een gegrond beroep op ne bis in idem doen, als de opgelegde straf ten uitvoer is gelegd, hetgeen niet het geval is gelet op de omstandigheid dat hij voortvluchtig is. De Assistant to the Liaison Magistrate for Italy at the Royal Netherlands Embassy Roma heeft op vragen van het IRC via e-mail berichten van 22 december 2016 laten weten dat het Gerechtshof te Venetië op 16 november 2015 bij verstek een arrest heeft gewezen waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een totaal van 8 jaar gevangenisstraf voor onder meer ontvoering en seksuele uitbuiting van verschillende vrouwen. Er zijn twee procedures in eerste aanleg geweest: een in Treviso (nr. 3668/10) en een in Venetië (nr. 210/12). De opgelegde straf is niet tenuitvoergelegd, de opgeëiste persoon is sinds 9 november 2007 voortvluchtig. Het arrest is betekend op 24 februari 2015 en onherroepelijk geworden op 10 april
- Ter terechtzitting van 27 december 2016 heeft de raadsman aangevoerd dat onduidelijk is of en hoe er is beslist op de procedure voor de rechtbank in Treviso en of het arrest van het Hof in Venetië op die procedure ziet. De officier van justitie heeft gewezen op de informatie van de liaison in Italië waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon bij verstek is veroordeeld voor dezelfde feiten maar van die straf nog niets heeft ondergaan zodat van ne bis in idem geen sprake is. De rechtbank overweegt dat uit de informatie van de liaison in Italië in samenhang met het arrest van het Gerechtshof in Venetië, hoewel niet vertaald, genoegzaam volgt dat dat arrest ziet op de procedure waarin de opgeëiste persoon is veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf door de rechtbank van Treviso. Gelet daarop, zal de rechtbank het verweer dat niet valt uit te sluiten dat de opgeëiste persoon van dat feit is vrijgesproken, verwerpen. Het arrest is onherroepelijk geworden. Verder acht de rechtbank het niet aannemelijk dat, gelet op de inhoud van het Albanese vonnis, de informatie van de liaison in Italië en het feit dat de opgeëiste persoon sinds 9 november 2007 voortvluchtig is, dat het vonnis in Italië (volledig) ten uitvoer is gelegd. Reeds daarom kan het ne bis in idem verweer niet slagen. 6Verzetgarantie: heropening De opgeëiste persoon is door de rechtbank in Tirana bij verstek veroordeeld in het vonnis dat ten grondslag ligt aan het uitleveringsverzoek. Op vragen van het IRC van 17 oktober 2016 over de mogelijkheid voor de opgeëiste persoon om in verzet te gaan tegen dit vonnis, heeft het Albanese Ministerie van Justitie bij brief van 31 oktober 2016 het volgende vermeld: (...) considering the fact that citizen [opgeëiste persoon] alias [opgeëiste persoon] has been tried and convicted in absentia under Article 122 of the Constitution of the Republic of Albania, Article 3 of the Second Additional Protocol to the European Convention on Extradition, and Article 504/2 of the Criminal Procedure Code of Albania, this Ministry guarantees on behalf of the Albanian state:
- Respect of the right to retrial of the subject, based on Article 51 of Law no.10 193 dated 03.12.2009 “On jurisdictional relations with foreign authorities in criminal matters”, as well as based on Articles 147, 148, 449, 450, 453 of the Criminal Procedure Code of the Republic of Albania, through the reinstatement in time limit of the appeal or review of decision. We stress that the right to reinstatement in time limit of the appeal is an alternative instrument for exercising the right to retrial under Article 147 of the Criminal Procedure Code which can be exercised by the subject within 10 days from the day of surrender to the Albanian authorities. In addition to the right to retrial of the subject / defendant tried in absentia under Article 450 of the Criminal Procedure Code of the Republic of Albania could be exercised, if it is established that there exists one of the cases for reviewing the final decision. Application of this article has rendered a consolidated jurisprudence in the judicial and doctrinal legal tradition of the Republic of Albania. Als bijlage van de brief van 31 oktober 2016, zijn relevante wetsbepalingen uit de Albanese Criminal Procedure Code gevoegd. De rechtbank heeft hieronder de relevante delen daarvan opgenomen: Article 147 Reinstatement in time limit
- The designated time limit may be reinstated if the prosecutor, defendant, private parties and defence counsels prove that they had no possibility to comply with the time limits due to unforeseen events or force majeure.
- In case the decision is rendered in absentia, the defendant may request the reinstatement in time limit in order to make an appeal when he proves that he had notice of the decision.
- The application for the reinstatement in time limit is filed within ten days from the disappearance of the fact that constituted an event or force majeure, whereas in cases provided for by paragraph 2, from the day when the defendant has received actual knowledge of the act (decision). Reinstatement in time limit is not allowed more than once for each party at every stage of the proceedings. Article 453 Supreme Court Hearing of the Application (As amended by Law No. 8813 dated
- 2002)
- The request of reviewing is examined by the criminal section of the Supreme Court in the consulting chamber in absence of the parties.
- When the request is made in absence of cases provided by article 450, or when it is complied with by those who do not have such a right or when it evidentlv result unmotivated, the criminal section decides its rejection. Article 51 Guarantees regarding the extraditee
- The final criminal judgment rendered against the extraditee by local judicial authorities in his absentia, may be reviewed upon the request of the extraditee, if the Minister of Justice has provided such a guarantee to the requested state. The request for review shall be submitted within a period of 30 days from the arrival of the extraditee to the Albanian territory and its review shall be compliant with the provisions of Criminal Procedure Code. Bij brief van 18 november heeft IRC gevraagd naar de vertegenwoordiging namens de opgeëiste persoon tijdens de rechtszaak, of hij op de hoogte was en wat een nadere toelichting op de verzetmogelijkheden zijn. In de reactie van de Albanese autoriteiten van 7 december 2016 is geen antwoord gegeven op deze vragen. Op 20 december 2016 heeft het IRC opnieuw vragen aan de Albanese autoriteiten gesteld met betrekking tot het verstek en verzetmogelijkheden van de opgeëiste persoon met betrekking tot de veroordeling door de rechtbank in Tirana. Ten tijde van de terechtzitting van 27 december 2016 zijn op deze vragen nog geen antwoorden verstrekt. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 27 december 2016 naar voren gebracht dat in de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 29 april 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BI3312, eenzelfde verzetgarantie is verstrekt voor uitlevering (artikel 147, tweede lid, van de Albanese Wet op Strafvordering). De verzetgarantie is onvoorwaardelijk geacht door de rechtbank en de uitlevering toelaatbaar. De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 5, lid 3 ULW bepaalt in dwingende termen dat uitlevering ter executie van een bij verstek opgelegde straf alleen kan worden toegestaan, indien de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest of alsnog zal worden gesteld om zijn verdediging te voeren. Er is in deze sprake van een imperatieve weigeringsgrond. De rechtbank kan op basis van de verschafte informatie niet vaststellen of sprake is van een daadwerkelijke onvoorwaardelijke verzetgarantie. In dat opzicht is artikel 147 van de Albanese Criminal Procedure Code onvoldoende duidelijk over de gevallen waarin een succesvol beroep kan worden gedaan op deze bepaling. Indien de opgeëiste persoon moet aantonen dat hij geen mogelijkheid had om aan de appeltermijn te voldoen in verband met onvoorziene omstandigheden of ‘force majeure’, alvorens hij een beroep kan doen op deze verzetgarantie, zou dit afbreuk doen aan de onvoorwaardelijkheid daarvan. Mede gelet op de omstandigheid dat er van de Albanese autoriteiten nog geen antwoord is ontvangen op de vragen van het IRC van 18 november 2016 en 20 december 2016, zal de rechtbank het onderzoek heropenen. De rechtbank verzoekt de officier van justitie bij de Albanese autoriteiten te vragen om een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke garantie op een nieuw proces. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende beslissing. 7Beslissing tot heropening HEROPENT EN SCHORST het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd in afwachting van antwoorden op de aan de Albanese uitvaardigende justitiële autoriteit gestelde vragen; VERZOEKT de officier van justitie om de hiervoor vermelde vragen te stellen aan de Albanese uitvaardigende justitiële autoriteit; BEVEELT dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Albanese taal. Aldus gedaan door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, mrs. E.M.M. Gabel en M. van Mourik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 januari
- De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen. Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.