RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 16/5291 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2017 in de zaak tussen de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam] , te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R.N. van der Ham), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. S. de Ruijter). Procesverloop Bij besluit van 29 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een enkelvoudige vergunning voor het aanbieden van Alternatief personenvervoer, als bedoeld in artikel 2.51 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam (hierna: de APV), afgewezen. Bij uitspraak van 26 mei 2016 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder daarbij opgedragen om eiseres toe te staan haar fietstaxi met ingang van 1 april 2016 tot zes weken na het nemen van een beslissing op bezwaar te exploiteren. Bij besluit van 9 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij uitspraak van 12 oktober 2016 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder daarbij opgedragen om eiseres toe staan haar fietstaxi te exploiteren totdat op het beroep is beslist. Het onderzoek heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van 17 januari 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen haar vennoot mevrouw [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen de heer [naam 2] . Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. 2. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het door haar voor deze zaak te betalen griffierecht te verlagen naar het griffierechttarief voor een eenmanszaak (€ 168,-), omdat zij het griffierechttarief voor een vennootschap onder firma (€ 334,-) heeft moeten betalen, terwijl zij feitelijk gezien als twee eenmanszaken opereert. De rechtbank stelt vast dat eiseres in het register van de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als vennootschap onder firma, waardoor voor eiseres terecht het griffierechttarief voor een vennootschap onder firma is gehanteerd. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres dan ook af. Feiten Voorgeschiedenis. 3. Eiseres, een vennootschap onder firma, exploiteert sinds 2013 onder de naam [bedrijfsnaam] een fietstaxi. Zij beschikte in de vergunningperiode van 1 april 2013 tot en met 31 maart 2016 over een enkelvoudige vergunning voor het aanbieden van Alternatief personenvervoer, als bedoeld in artikel 2.51 van de APV (hierna: een vergunning). Ook in de periode 2013 - 2016 bestond een vergunningenplafond en is de vergunning verleend na een vergelijkende toets. Aanvraag eiseres, het primaire besluit en het bestreden besluit 4.1. Gedurende de periode van 1 december 2015 tot en met 15 januari 2016 stond de mogelijkheid open tot het indienen van een aanvraag om een fietstaxivergunning voor de vergunningperiode 1 april 2016 tot 1 april 2019 (hierna: de vergunningperiode). Op 1 december 2015 heeft eiseres een aanvraag om een enkelvoudige fietstaxivergunning voor de vergunningperiode ingediend (hierna: aanvraag). Bij deze aanvraag heeft eiseres, naast een aanvraagformulier, een formulier ‘Vergelijkende toets: vergunningaanvraag APV (1 voertuig)’ (hierna: VT-formulier) ingediend, waarop eiseres verschillende onderwerpen, gecategoriseerd in onderdelen, schriftelijk heeft toegelicht. 4.2. Bij het primaire besluit, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat aan de aanvraag van eiseres bij de vergelijkende toets onvoldoende punten zijn toegekend om, gelet op het vergunningenplafond, in aanmerking te komen voor een fietstaxivergunning. 4.3. Voor de vergunningperiode zijn 132 aanvragen voor enkelvoudige en meervoudige fietstaxivergunningen ingediend voor in totaal 432 fietstaxi’s. Aan de aanvraag van eiseres is een score van 225 van de 300 punten toegekend (75%), waardoor de aanvraag van eiseres, na een vergelijking met de scores van de andere aanvragen, op nummer 54 van de ranglijst is geplaatst. De fietstaxivergunning voor de 100e fietstaxi is verleend aan de aanvrager op nummer 35 van de ranglijst. Aan die aanvraag is een score van 325 van de 400 punten toegekend (81,25%). Beleidsdoelstellingen, vergunningenplafond en vergelijkende toets ten tijde van de vergunningperiode 5.1. Op grond van artikel 2.51, derde lid, van de APV kan het college de vergunning weigeren (of intrekken) als het vervoer: a. gevaar oplevert voor de veiligheid van de passagiers, de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer; b. hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat; c. een nadelige invloed heeft op het milieu; d. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte of e. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien daarvan. 5.2. Voor de vergunningperiode 1 april 2016 tot 1 april 2019 is artikel 2.51 van de APV uitgewerkt in het Uitvoeringsbeleid Alternatief personenvervoer 2016 (hierna: het Uitvoeringsbeleid). Verweerder heeft een concept van dit Uitvoeringsbeleid op 7 april 2015 vrijgegeven voor inspraak, waarna van 8 april 2015 tot en met 19 mei 2015 inspraakreacties konden worden ingediend. Alle vergunninghouders uit de periode 2013 - 2016 zijn bij e-mailbericht van 8 april 2015 en bij brief van 17 april 2015 van deze inspraakmogelijkheid op de hoogte gebracht. Verweerder is op de inspraakreacties ingegaan in de Nota van Beantwoording van 15 september 2015. Op dezelfde datum is het Uitvoeringsbeleid vastgesteld. Het Uitvoeringsbeleid is gepubliceerd, onder meer op de website van de gemeente Amsterdam, en is in werking getreden op 1 april 2016. 5.3. Het college beoogt ten aanzien van het Alternatief personenvervoer een aantal beleidsdoelstellingen te bevorderen, namelijk: het aanbieden van milieuvriendelijke vormen van personenvervoer op korte afstand, continuïteit en kwaliteit in de dienstverlening voor vergunninghouders en gebruikers en het voorkomen van overlast. Het maximaal aantal te vergunnen fietstaxi’s (categorie ‘fietsen met of zonder trapondersteuning’) is vanaf 1 april 2016 vastgesteld op 100. Er worden maximaal 10 fietstaxi’s vergund aan de aanvrager van een meervoudige vergunning. Gelet op de toelichting van het beleid wordt met het vergunningenplafond beoogd de overlast van andere gebruikers van de openbare ruimte te voorkomen. Uit de evaluatie die is uitgevoerd door Ecorys over de periode 2013 - 2015 is gebleken dat in de praktijk het Alternatief personenvervoer in de vorm van fietstaxi’s voor overlast zorgt. 5.4. Indien voor een type voertuig een vergunningenplafond geldt, wordt een vergelijkende toets uitgevoerd aan de hand van vastgestelde criteria. Deze vergelijkende toets bestaat uit drie onderdelen. In fase A wordt beoordeeld of de bij de aanvraag gevoegde bijlage, waarin de gegevens worden gevraagd voor het beoordelen van de vergelijkende toets, voldoet aan de indieningsvereisten. In fase B wordt aan de hand van de overgelegde gegevens en op basis van criteria uit Bijlage I van het Uitvoeringsbeleid (hierna: de Bijlage) aan een aanvraag om een enkelvoudige fietstaxivergunning een score van 0 tot 300 punten toegekend en aan een aanvraag om een meervoudige fietstaxivergunning een score van 0 tot 400 punten. In fase C wordt, afhankelijk van de ruimte die het vergunningenplafond biedt, aan de aanvraag die in fase B het hoogst heeft gescoord een vergunning verleend. De aanvragen die voldoen aan de minimale score zoals bedoeld in de Bijlage, maar als gevolg van schaarste worden afgewezen, worden geplaatst op een ranglijst (fase D). Bij een vrijgekomen plaats wordt aan de hoogst scorende aanvraag een vergunning verleend voor zover het vergunningenplafond hiervoor ruimte biedt. 5.5. In de Bijlage wordt vermeld dat de vergelijkende toets er vooral op is gericht om de vergunningen voor maximaal 100 fietstaxi’s toe te kennen aan de aanvragers die het meest bijdragen aan de gemeentelijke doelstellingen, zoals neergelegd in het Uitvoeringsbeleid. Het VT-formulier is daarom opgebouwd uit vier onderdelen, namelijk: A. Veiligheid en uitstraling; B. Normen en waarden; C. Kwaliteitspunten om de professionaliteit van de dienstverlening te waarborgen en D. Borging, interne controle en klachtenafhandeling. In de Bijlage zijn voor elk onderdeel op het VT-formulier het doel, de juridische basis, de criteria en de meetpunten benoemd. Per onderdeel zijn 100 punten te behalen, waarbij onderdeel D alleen van toepassing is op een aanvraag om een meervoudige fietstaxivergunning. Er is ook een toelichting bij het VT-formulier. 5.6. De wijze waarop verweerder de aanvraag van eiseres heeft beoordeeld is neergelegd in een beoordelingsformulier, dat als bijlage aan het primaire besluit is gehecht. De beoordeling is uitgevoerd door een ambtelijke commissie van verweerder. In het beoordelingsformulier is per onderdeel van het VT-formulier het aantal behaalde punten opgenomen, met daarbij een korte motivering indien niet het maximum te behalen punten is behaald. De gronden van beroep en de beoordeling door de rechtbank Zijn de beoordelingscriteria en -aspecten ten onrechte niet van tevoren bekend gemaakt? 6.1. Eiseres voert – samengevat – aan dat er in het beoordelingsformulier wordt verwezen naar (sub)onderdelen die niet specifiek in het Uitvoeringsbeleid of in het VT-formulier zijn neergelegd. Een normaal oplettende aanvrager mocht er volgens eiseres van uitgaan dat alle voor de beoordeling van de aanvraag van belang zijnde (sub)criteria in het beleid van verweerder waren neergelegd. Nu voorafgaand aan de aanvraagperiode niet voldoende kenbaar was op welke wijze een aanvraag zou worden beoordeeld en aan de hand van welke (sub)criteria, heeft eiseres naar eigen zeggen geen reële mededingingskans gekregen, omdat zij haar aanvraag daar niet voldoende op heeft kunnen afstemmen. 6.2. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een schaarse vergunning die tijdelijk wordt verleend. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 november 2016 volgt dat bij de verdeling van schaarse vergunningen door het bestuur op enigerlei wijze aan potentiële gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare vergunningen mee te dingen. Met andere woorden is het bestuursorgaan verplicht om mededingingsruimte te bieden. Deze rechtsnorm is gebaseerd op het formele gelijkheidsbeginsel; het beginsel van gelijke kansen. Deze rechtsnorm sluit echter geen enkele verdelingsprocedure uit. De verplichting om mededingingsruimte te bieden, kan worden beperkt door het wettelijk voorschrift dat in de schaarse vergunning voorziet. Een zodanige beperking kan evenwel niet zover gaan dat iedere mededingingsruimte volledig wordt uitgesloten. Het bestuur moet ten einde het beginsel van gelijke kansen te realiseren wel een ‘passende mate van openbaarheid’ garanderen met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria. Dat brengt met zich dat het bestuur voorafgaand aan het begin van de aanvraagprocedure duidelijkheid moet scheppen over de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdeelprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria en dat de formulering van de verdeelregels zodanig moet zijn dat aanvragers hun aanvraag hier op kunnen afstemmen. 6.3. De verplichting om mededingingsruimte te bieden is in dit geval beperkt door het wettelijk voorschrift dat in de schaarse vergunning voorziet, in dit geval artikel 2.51 van de APV. Niet in geschil is dat verweerder voldoende duidelijkheid heeft gegeven over de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdeelprocedure en het aanvraagtijdvak. Het geschil richt zich in het bijzonder op de (sub)criteria oftewel de meetpunten aan de hand waarvan de vergelijkende toets is uitgevoerd. De in de vergelijkende toets te beoordelen criteria zijn gegroepeerd in onderdelen en de daarbij behorende meetpunten (inclusief het totaal aantal per meetpunt te scoren punten) zijn neergelegd in de Bijlage. Eiseres klaagt er echter over dat de daadwerkelijke beoordeling van de aanvraag en het VT-formulier is geschied aan de hand van een door verweerder toegepast beoordelingsstramien, dat weliswaar is opgenomen in het beoordelingsformulier, maar niet vooraf is gepubliceerd. Eiseres kreeg deze pas te zien bij ontvangst van het primaire besluit en het bijgevoegde beoordelingsformulier. 6.4. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de beoordelingscriteria en -aspecten helder zijn geformuleerd in het voor de aanvraagperiode gepubliceerde Uitvoeringsbeleid en de Bijlage. De beoordelingscriteria zijn van een toelichting voorzien. Daar komt bij dat er voorlichtingsbijeenkomsten zijn georganiseerd en potentiële aanvragers op die bijeenkomsten vragen mochten stellen en inspraak hadden. Nu deze beoordelingscriteria voldoende duidelijk zijn omschreven en deze voorafgaand aan de aanvraagperiode kenbaar waren, kon eiseres haar aanvraag hier op afstemmen. Op het beoordelingsformulier zijn een aantal onderdelen onderverdeeld in subcriteria en zijn per subcriterium indicatoren opgenomen voor het toekennen van een bepaalde (maximale) score op dat betreffende subcriterium. Indien een aanvraag volgens verweerder op een bepaald subcriterium in voldoende mate voldeed aan de in het beoordelingsstramien voor dat subcriterium opgenomen indicator, kon op dat subcriterium het volgens die indicator bepaalde (maximale) aantal punten worden gescoord. Het beoordelingsstramien dat is opgenomen op het beoordelingsformulier dient voor verweerder als hulpmiddel bij het beoordelen, in de zin van het waarderen in scores in welke mate een aanvraag aan de beoordelingscriteria voldoet. 6.5 De rechtbank verwerpt de stelling van eiseres dat verweerder achteraf ‘extra’ beoordelingscriteria heeft toegevoegd. De uitwerking van de beoordelingscriteria in het beoordelingsformulier vormt slechts een verfijning om de score nader te motiveren. De uitwerking leidt niet tot wijziging van criteria en bevat verder ook geen elementen die, waren zij bekend geweest bij de voorbereiding van de aanvragen, die voorbereiding hadden kunnen beïnvloeden. De rechtbank vindt dan ook niet dat het beoordelingsstramien, zoals neergelegd in het beoordelingsformulier, vooraf bekend had moeten worden gemaakt. De rechtbank vindt voor deze opvatting steun in de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2013 en in de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 21 december 2011. Ook in meer recente juridische publicaties wordt de opvatting gehuldigd dat een verfijning van de beoordelingscriteria en -aspecten na de aanvraagprocedure niet is uitgesloten. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat in dit geval de toepasselijke beoordelingscriteria voor eiseres onvoldoende transparant zijn geweest. In het navolgende zal de rechtbank overigens nog op dit aspect ingaan naar aanleiding van specifieke bezwaren van eiseres tegen de beoordeling van haar aanvraag en de aan haar toegekende puntenscore. Beoordeling beoordelingscriteria door verweerder in de vergelijkende toets 7.1. Eiseres voert voorts aan dat haar aanvraag door verweerder op een aantal onderdelen op een onjuiste wijze is beoordeeld en dat verweerder de beoordeling, in de zin van het toekennen van punten, mede gelet op de beoordeling van andere aanvragen, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Daarnaast voert eiseres aan dat het, gelet op het met de vergelijkende toets selecteren van de best presterende aanvragers, onbegrijpelijk is dat verweerder bij zijn beoordeling voorbijgaat aan de door eiseres bij haar aanvraag gevoegde bijlagen, zoals haar ondernemingsplan. Het standpunt van verweerder dat het alleen redelijk is om een bij de aanvraag gevoegde bijlage bij de beoordeling te betrekken indien in het VT-formulier een expliciete verwijzing is opgenomen naar een met naam genoemde passage uit die bijlage, is volgens eiseres ook onbegrijpelijk, nu een bijlage integraal onderdeel uitmaakt van het VT-formulier. Bovendien is een bijlage, zoals een ondernemingsplan, bij uitstek een document waaruit valt op te maken op welke wijze wordt bijgedragen aan de in artikel 1.3 van het Uitvoeringsbeleid neergelegde beleidsdoelstellingen, aldus eiseres. Het feit dat er door verweerder in een relatief kort tijdsbestek een groot aantal aanvragen beoordeeld moest worden, laat de plicht van verweerder om zorgvuldig alle aanvragen te beoordelen onverlet, temeer nu het gaat om een beperkt aantal te verlenen fietstaxivergunningen voor een lange vergunningperiode, zo stelt eiseres. 7.2. De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling van de aanvragen aan de hand van de beoordelingscriteria en de waardering daarvan in een score, ertoe leidt dat deze aanvragen onderling vergelijkbaar worden. Bij de beoordeling en waardering komt verweerder beoordelingsvrijheid toe. Dit brengt mee dat de toetsing van een besluit op een aanvraag om een fietstaxivergunning door de rechter met een zekere mate van terughoudendheid dient te worden verricht. Dit neemt niet weg dat een dergelijk besluit van een inzichtelijke motivering dient te worden voorzien, waarbij recht wordt gedaan aan de beoordelingscriteria, zoals die in dit geval voortvloeien uit het Uitvoeringsbeleid. Eerst op die wijze wordt inzicht verkregen in de beoordeling die aan de voorliggende besluitvorming ten grondslag ligt en is toetsing mogelijk van het standpunt van verweerder dat de aanvraag van eiseres, na het uitvoeren van de vergelijkende toets, onvoldoende punten scoort om in aanmerking te komen voor een fietstaxivergunning. 7.3. Verweerder heeft de aanvragen uitsluitend beoordeeld op basis van de inhoud van de VT-formulieren en eventueel daarbij gevoegde bijlagen, enkel voor zover in het VT-formulier expliciet werd verwezen naar een met naam genoemde passage uit deze bijlagen. Deze wijze van beoordelen volgt uit het beoordelen van de aanvragen middels het uitvoeren van een vergelijkende toets. De rechtbank acht dit een juiste gang van zaken. De aanvrager is immers zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het in te dienen VT-formulier. In de toelichting op het VT-formulier is benadrukt dat de vragen in dat formulier door de aanvrager volledig moeten worden beantwoord en dat het ontbreken van gegevens tot een minder hoge score zal leiden. Indien een aanvrager wenst dat een bij de aanvraag gevoegde bijlage door verweerder bij de beoordeling van de aanvraag wordt betrokken, dan dient de aanvrager zorg te dragen voor voldoende specifieke verwijzingen in het VT-formulier naar deze bijlagen, zodat het beoordelen van hetgeen in deze bijlagen is opgenomen voor verweerder geen interpretatie en invulling vergt. Een enkele algemene verwijzing in het VT-formulier naar een of meerdere bijlagen is hiervoor niet voldoende. De toegekende score op het subcriterium ‘Beschrijving onderhoudsplan’ 8.1. Verweerder heeft beoordeeld of eiseres voldoet aan het beoordelingscriterium ‘Veiligheid en uitstraling van het voertuig’. Uit de in de Bijlage genoemde meetpunten en het VT-formulier blijkt dat een aanvrager daarbij dient te beschrijven waarop onderhoud wordt gepleegd, de frequentie van het onderhoud, de verhouding groot versus periodiek onderhoud, de met betrekking tot het onderhoud gevoerde administratie en de schriftelijke vastlegging daarvan. Voor het beschreven onderhoudsplan is een score van 0 tot 50 punten voorzien. 8.2. Eiseres heeft op het VT-formulier bij het onderdeel ‘A.1 Beschrijving onderhoudsplan’ het volgende vermeld: “Voertuig wordt regelmatig onderhouden, 2 keer per jaar worden alle remmen systemen en lagers schoon gemaakt en weer aangevuld met vet en olie. Daarnaast worden alle schroeven en bouten gecheckt. Een keer per jaar gaat motor ook open voor onderhoud en schoonmaak. Als er iets kapot gaat wordt dat meteen gerepareerd zodat voertuig altijd volledig werkt. ik gebruik alleen maar nieuwe onderdelen die geschikt zijn voor de type voertuig. Daarnaast houd ik per jaar een service lijst waar alles netjes genoteerd staat. Zoals wanneer iets kapot is gegaan en wat is er vervangen. Onderhoud wordt gedaan door mijn directe collega die alle kennis in huis heeft en direct is verbonden met producent voor ondersteuning en onderdelen, in ons bedrijf doen we steeds meer onderhoud voor andere voertuigen in de stad. Zie onderhoud documenten in bijlagen.” 8.3. Uit het beoordelingsformulier blijkt dat verweerder voor de maximale puntentoekenning van 50 punten het subcriterium heeft verdeeld in vijf onderdelen waarbij voor ieder onderdeel maximaal 10 punten kunnen worden toegekend, te weten: A1a: Vermelden van de manier waarop het onderhoud georganiseerd is; A1b: Vermelden hoe en hoe vaak het onderhoud op de fietstaxi’s wordt gecontroleerd; A1c: Minimale frequentie; één keer per jaar groot onderhoud en daarnaast periodiek; A1d: Vermelden hoe het onderhoud administratief wordt bijgehouden; A1e: Schriftelijke vastlegging van het gepleegde onderhoud. 8.4. Voor het subcriterium ‘Beschrijving onderhoudsplan’ is aan eiseres een score van 40 van de 50 punten toegekend. Verweerder heeft deze score van 40 punten in het beoordelingsformulier als volgt gemotiveerd: A1a: 10 punten omdat beschreven is op welke wijze het onderhoud wordt uitgevoerd en door wie. A1b: 10 punten omdat beschreven is welke onderdelen worden gecontroleerd en hoe vaak. A1c: 0 punten vanwege het ontbreken van een beschrijving van groot onderhoud van minimaal één keer per jaar en van periodieke controle van minimaal twaalf keer per jaar. A1d: 10 punten omdat er sprake is van een professionele wijze waarop de onderhoudsadministratie wordt bijgehouden en er sprake is van een voorbeeld hiervan. A1e: 10 punten omdat er een voorbeeld van een schriftelijke vastlegging van het gepleegde onderhoud is meegezonden, namelijk een voorgedrukte in te vullen lijst. 8.5. Eiseres voert aan dat haar bij de beoordeling van onderdeel A1c ten onrechte wordt tegengeworpen dat zij op het VT-formulier niet zou hebben beschreven dat zij minimaal één keer per jaar groot onderhoud pleegt en minimaal twaalf keer per jaar een periodieke controle houdt. Immers, op het VT-formulier is volgens eiseres wel uitvoerig beschreven hoe zij de veiligheid van haar voertuig garandeert, hoe zij de fietstaxi twee keer per jaar een uitgebreide onderhoudsbeurt geeft en dat zij ook het onderhoud van andere fietstaxi’s doet. Bovendien is in het VT-formulier expliciet verwezen naar bij de aanvraag gevoegde onderhoudsdocumenten, waaruit een onderhoudsplan blijkt en de deugdelijke uitvoering van dit plan. Voorts voert eiseres aan dat haar bij de beoordeling van onderdeel A1c ten onrechte wordt tegengeworpen dat er in het VT-formulier niet expliciet verwezen wordt naar passages in het bij de aanvraag gevoegde ondernemingsplan. 8.6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres op het VT-formulier voor het onderdeel A1c een te summiere en niet specifieke beschrijving heeft gegeven. Gelet op de in de Bijlage genoemde meetpunten had eiseres volgens verweerder in ieder geval de frequentie van groot en periodiek onderhoud moeten beschrijven. Het is aan eiseres als aanvrager van een vergunning om met het oog op deze meetpunten op het VT-formulier zo uitgebreid mogelijk te beschrijven hoe het onderhoud georganiseerd is en te specificeren waar (groot) onderhoud uit bestaat. Eiseres heeft op het VT-formulier echter slechts aangegeven dat er sprake is van regelmatig onderhoud en dat één keer per jaar ook de motor open gaat voor onderhoud en schoonmaak, aldus verweerder. De term ‘regelmatig’ is bovendien een te vage beschrijving volgens verweerder. Ten aanzien van de vraag of eiseres in het VT-formulier groot onderhoud voldoende heeft gespecificeerd, heeft verweerder desgevraagd ter zitting toegelicht dat er in het VT-formulier staat beschreven dat één keer per jaar de motor open gaat voor onderhoud en schoonmaak, maar dat dit onvoldoende is voor groot onderhoud. Dat laatste houdt een volledige controle van de gehele fietstaxi in – niet alleen de motor – en houdt dus bijvoorbeeld ook in het controleren van de verlichting, de ketting, de as en het frame, aldus verweerder ter zitting. Ten aanzien van het door eiseres in haar beroepsgronden wijzen op de bij de aanvraag gevoegde onderhoudsdocumenten en het ondernemingsplan heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de bedoelde onderhoudsdocumenten, gelet op de verwijzing in het VT-formulier, bij de beoordeling van het subcriterium ‘Beschrijving onderhoudsplan’ zijn betrokken en dat hiervoor ook punten zijn toegekend. Het ondernemingsplan is niet bij de beoordeling van dit subcriterium betrokken, omdat door eiseres in het VT-formulier in het geheel niet expliciet is verwezen naar het bij de aanvraag gevoegde ondernemingsplan, aldus verweerder. 8.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen motiveren dat eiseres het groot en periodiek onderhoud in het VT-formulier onvoldoende specifiek en te summier heeft beschreven, nu enkel de term ‘regelmatig’ een onvoldoende specifieke beschrijving van periodiek onderhoud is en een redelijke invulling van groot onderhoud alle onderdelen van de fietstaxi omvat en niet alleen één of enkele onderdelen. Van eiseres, op wiens weg het ligt haar aanvraag te onderbouwen, kon verwacht worden dat zij goed zou beschrijven hoe het groot en periodiek onderhoud is ingericht en hoe frequent dit geschiedt, zodat verweerder aan de hand van deze beschrijving kon bepalen of het beschreven onderhoud voldoet aan de eisen van een ‘groot en periodiek onderhoud’. Het betoog van eiseres dat verweerder het bij de aanvraag gevoegde ondernemingsplan bij de beoordeling van het onderdeel A1c had moeten betrekken, slaagt niet, omdat het door eiseres ingevulde VT-formulier bij het onderdeel ‘A.1 Beschrijving onderhoudsplan’ slechts de algemene verwijzing bevat: “Zie onderhoud documenten in bijlagen.” Gelet op hetgeen reeds in rechtsoverweging 7.3. is overwogen, was verweerder op basis van deze algemene verwijzing niet gehouden om het bij de aanvraag gevoegde ondernemingsplan bij de beoordeling van onderdeel A1c te betrekken. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, de bij de aanvraag gevoegde onderhoudsdocumenten wel bij de beoordeling van het subcriterium ‘Beschrijving onderhoudsplan’ zijn betrokken, is door eiseres niet betwist. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder toereikend heeft gemotiveerd waarom aan eiseres voor het subcriterium ‘Beschrijving onderhoudsplan’ een score van 40 van de 50 punten is toegekend. De toegekende score op het subcriterium ‘Gaan ook anderen gebruik maken van uw fietstaxi?’ 9.1. Verweerder heeft beoordeeld of eiseres voldoet aan het beoordelingscriterium ‘Administratieve verplichtingen’. In dat kader heeft verweerder beoordeeld of ook andere gebruik maken van de fietstaxi van eiseres, en zo ja, hoe eiseres omgaat met de anderen chauffeur(s). In de in de Bijlage genoemde meetpunten is ten aanzien van dit subcriterium voor een aanvraag om een enkelvoudige fietstaxivergunning de volgende passage opgenomen: “Gaan ook anderen gebruik maken van uw fietstaxi? En zo ja, hoe gaat u om met de andere bestuurder(-s)? En hoe denkt u om te gaan met het handhavingsbeleid?” In de Bijlage is op dit onderdeel aangegeven dat 0 tot 60 punten op dit onderdeel kunnen worden toegekend. 9.2. Eiseres heeft op het VT-formulier ten aanzien van dit subcriterium het volgende vermeld: “Sinds kort deel ik mijn fietstaxi met een andere dame. Dame die mijn fiets gebruik ken ik al twee jaren binnen de branche. Zij heeft gewerkt bij een ander huur bedrijf eerst waar ze haar niet goed hebben behandeld ondanks dat ik vindt dat ze een van de beste chauffeurs van de stad is. We zien elkaar regelmatig. Zij zorg goed voor mijn fiets en voor de regels in de stad. Ze is door mij zelf extra opgeleid en is op de hoogte van handhavingsbeleid. Ze werkt ook goed samen met de rest van de collega. Daarnaast hebben we een huurovereenkomst met elkaar afgesloten waar andere juridische aspecten meegenomen zijn. Zie contract in bijlagen.” 9.3. Uit het beoordelingsformulier blijkt dat verweerder voor de maximale puntentoekenning van 60 punten het subcriterium heeft verdeeld in drie onderdelen waarbij voor ieder onderdeel maximaal 20 punten kunnen worden toegekend, te weten: B1b: Blijkt dat er sprake is van beoordelingscriteria voor nieuwe/andere chauffeurs? / Weet de ondernemer welke bestuurders op zijn fietstaxi komen te rijden? B1c: Is er sprake van een beschrijving van het eigen sanctiebeleid? B1d: Zorgt de vergunninghouder ervoor dat andere chauffeurs op de hoogte zijn van de vergunningvoorschriften? 9.4. Voor dit subcriterium is aan eiseres een score van 20 van de 60 punten toegekend. Verweerder heeft deze score in het beoordelingsformulier als volgt gemotiveerd: B1b: 10 punten omdat de ondernemer weet welke bestuurder op haar fietstaxi rijdt en 0 punten omdat er geen beoordelingscriteria voor nieuwe/andere bestuurders zijn. B1c: 10 punten omdat er een summier sanctiebeleid is voor de bestuurder bij overtredingen van bijvoorbeeld de vergunningsvoorschriften. B1d: 0 punten omdat de vergunningvoorschriften onvoldoende kenbaar worden gemaakt aan de bestuurder. 9.5. Eiseres voert ten aanzien van onderdeel B1b aan dat aan haar voor dit onderdeel ten onrechte slechts een score van 10 van de 20 punten is toegekend, nu zij expliciet heeft aangegeven dat er geen nieuwe/andere bestuurders van haar fietstaxi gebruik maken. Het benoemen van beoordelingscriteria heeft volgens eiseres in dat geval geen zin. Voor wat betreft de enige andere bestuurder heeft eiseres in het VT-formulier naar eigen zeggen nauwkeurig beschreven waarom ze haar fietstaxi aan die andere bestuurder toevertrouwd. Ten aanzien van onderdeel B1c voert eiseres aan dat aan haar voor dit onderdeel ten onrechte slechts een score van 10 van de 20 punten is toegekend, nu zij in het VT-formulier heeft verwezen naar een bij de aanvraag gevoegde gesloten huurovereenkomst, waarin staat dat er sancties kunnen volgen. Voor wat betreft de vergunningvoorschriften wordt zelfs een ‘zero tolerance beleid’ gevoerd, waarvoor expliciet wordt verwezen naar de term ‘Alternatief Personenvervoer’ die enkel wordt gebruikt in de vergunningvoorschriften, aldus eiseres. Eiseres licht daarbij toe dat in artikel 12 van deze huurovereenkomst de vergunningvoorschriften worden aangehaald en beschreven in relatie tot Alternatief Personenvervoer. 9.6. Verweerder stelt zich ten aanzien van onderdeel B1b op het standpunt dat aan eiseres een score van 10 van de 20 is toegekend, omdat zij op het VT-formulier heeft beschreven dat zij weet welke bestuurder op haar fietstaxi rijdt. Aan eiseres zou de maximale score van 20 punten zijn toegekend als op het VT-formulier ook beschreven was waar deze en eventuele andere bestuurders op worden beoordeeld en welke voorwaarden gelden, indien deze met gebruikmaking van de fietstaxivergunning van eiseres gaan rijden. Ten aanzien van onderdeel B1c stelt verweerder zich op het standpunt dat op het VT-formulier het sanctiebeleid te summier is beschreven. Eiseres heeft in het VT-formulier weliswaar naar het sanctiebeleid verwezen, maar in het geval eiseres aangeeft dat zij de ketenaansprakelijkheid borgt, dient zij hiervoor expliciet te verwijzen naar de vergunningvoorschriften, aldus verweerder. In een uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2016 is bovendien overwogen dat door opneming van een toelichting in de Nota van beantwoording van 5 februari 2013 de door verweerder gestelde criteria ten aanzien van de ketenaansprakelijkheid meer dan voldoende was toegelicht en kenbaar was gemaakt aan potentiële aanvragers. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat onderdeel B1d een zeer belangrijk onderdeel is, nu het van belang is dat de huurder van een fietstaxi op de hoogte is van de vergunningvoorschriften en dit ook geborgd moet zijn in de te sluiten huurovereenkomst. Zowel in het VT-formulier als in de huurovereenkomst staat geen expliciete verwijzing naar de vergunningvoorschriften en naar de concrete invulling van de ketenaansprakelijkheid, zo licht verweerder desgevraagd ter zitting toe. 9.7. De rechtbank stelt vast dat in de door eiseres bedoelde huurovereenkomst, waarnaar zij expliciet in het VT-formulier verwijst en welke bij haar aanvraag is gevoegd – voor zover van belang voor het subcriterium ‘Gaan ook anderen gebruik maken van uw fietstaxi?’ – de volgende passages staan: “12. De huurder is en blijft ten allen tijden verantwoordelijk voor de gedragingen van de huurder (verhuurder zijn chauffeur). De verhuurder (vergunninghouder) is jegens de gemeente en handhaving verantwoordelijk. De gemeente zal bij misdragingen van een chauffeur, de verhuurder aanspreken en zijn/haar vergunning intrekken. De vergunninghouder neemt voldoende voorzorgsmaatregelen om er voor te zorgen dat de onder zijn naam handelende bestuurders zich bij het aanbieden van Alternatief personenvervoer gedragen zoals dat van hen verwacht mag worden. (…) 22. Zero tolerance en onmiddellijke verbreking van contract in geval van volgende zaken: - drugs gebruik en verkoop - oplichten van passagiers en anderen op straat - onwaarheden verspreiden en conflicten creëren tussen collega’s – bij het aanbieden van Alternatief personenvervoer ZICH NIET gedragen zoals dat van hem/haar verwacht mag worden.” 9.8. Voorts stelt de rechtbank vast dat artikel 1.3 van het Uitvoeringsbeleid de volgende beleidsdoelstelling bevat: het ten aanzien van het Alternatief personenvervoer bevorderen van continuïteit en kwaliteit in de dienstverlening voor de vergunninghouders en de gebruikers. Daarnaast wordt in onderdeel B van de Bijlage als juridische basis van dat onderdeel onder meer genoemd de veiligheid van passagiers en het voorkomen van gevaar aan de openbare weg (vgl. artikel 2.51, derde lid, aanhef en onder a, van de APV). 9.9. Gelet op deze beleidsdoelstelling en de in de Bijlage voor onderdeel B genoemde juridische basis acht de rechtbank het niet onredelijk dat voor het toekennen het maximale puntenaantal op dit onderdeel uitgegaan wordt van een situatie waarin de vergunninghouder ook de bestuurder is. Indien dat niet het geval is, is het voor het toekennen van punten niet onredelijk om van de aanvrager te verlangen een beschrijving te geven van waar nieuwe of andere bestuurders op worden beoordeeld en welke voorwaarden daarvoor gelden, indien deze gebruik willen maken van de fietstaxi van de aanvrager. Dat eiseres haar fietstaxi, zoals zij in het VT-formulier heeft beschreven, slechts verhuurt en toevertrouwt aan één andere persoon die zij reeds kent, maakt niet dat voor verweerder inzichtelijk is dat deze bestuurder voldoet aan de door verweerder gestelde eisen. Gelet hierop heeft verweerder de toekenning van 10 van de 20 punten op onderdeel B1b voldoende gemotiveerd. Ook acht de rechtbank het niet onredelijk om van een aanvrager te verlangen een beschrijving te geven van het sanctiebeleid. Gelet op de hierboven in rechtsoverweging 9.7. geciteerde tekst omvat de door eiseres bij haar aanvraag gevoegde huurovereenkomst een bepaling waarin een algemene vorm van verantwoordelijkheid van de verhuurder (lees: eiseres) voor de huurder (of: een algemene vorm van ketenaansprakelijkheid) is neergelegd. Echter, uit de betreffende huurovereenkomst blijkt niet welke maatregelen door eiseres zijn getroffen om te borgen dat de huurder of een eventuele andere huurder handelt in overeenstemming met specifiek de vergunningvoorschriften. Ook geeft eiseres hierin geen beschrijving van de wijze waarop het niet naleven van de vergunningvoorschriften door een dergelijke huurder door haar, als zijnde de aanvrager, kan worden gecorrigeerd of gesanctioneerd. Dit blijkt evenmin uit de beschrijving in het VT-formulier. De motivering van verweerder dat eiseres haar sanctiebeleid te summier heeft beschreven, acht de rechtbank, gelet op de beschrijving van het VT-formulier en de inhoud van de huurovereenkomst, daarom niet onbegrijpelijk. Het toekennen van 10 van de 20 punten op onderdeel B1d heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende gemotiveerd. Voorts blijkt noch uit het VT-formulier noch uit de bij de aanvraag overgelegde huurovereenkomst of, en zo ja op welke wijze, de vergunningvoorschriften aan de andere bestuurder of een eventuele andere bestuurder kenbaar worden gemaakt. Gelet hierop heeft verweerder het niet toekennen van punten voor het onderdeel B1e ook voldoende gemotiveerd. Op basis van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank dan ook toereikend door verweerder gemotiveerd waarom aan eiseres voor het subcriterium ‘Gaan ook anderen gebruik maken van uw fietstaxi?’ een score van 20 van de 60 punten is toegekend. De toegekende score op het subcriterium ‘Stratenkennis over Amsterdam’ 10.1. Verweerder heeft beoordeeld of eiseres voldoet aan het beoordelingscriterium ‘Borging stratenkennis’. In dat kader heeft verweerder de stratenkennis van de bestuurder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.