RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 16/5886 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2017 in de zaak tussen [eiser] h.o.d.n. [bedrijfsnaam] , te [vestigingsplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.N. van der Ham), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. S. de Ruijter). Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2016 (het primaire besluit), bekendgemaakt op 29 maart 2016, heeft verweerder de aanvraag van eiser om een enkelvoudige vergunning voor het aanbieden van Alternatief personenvervoer, als bedoeld in artikel 2.51 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam (hierna: de APV), afgewezen. Bij uitspraak van 14 juni 2016 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiser tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder daarbij opgedragen om eiser toe te staan zijn fietstaxi met ingang van 1 april 2016 tot zes weken na het nemen van een beslissing op bezwaar te exploiteren. Bij besluit van 16 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij uitspraak van 18 oktober 2016 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiser tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder daarbij opgedragen om eiser toe staan zijn fietstaxi te exploiteren totdat op het beroep is beslist. Het onderzoek heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van 17 januari
(5). Geen bedrijfskleding op foto’s of omschreven”. 8.4. Eiser voert aan dat nergens in het Uitvoeringbeleid of in het VT-formulier is genoemd dat voor het hebben van bedrijfskleding maximaal 5 punten worden toegekend. Bovendien stelt eiser dat bij een enkelvoudige vergunninghouder bedrijfskleding niet aan de orde kan zijn en dat hij op de bij zijn aanvraag overgelegde foto’s te zien is met representatieve kleding. 8.5. Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat het kunnen toekennen van een score van 5 punten voor het hebben van bedrijfskleding geen wijziging van de beoordelingscriteria betreft, maar dat dit een precisering is van het beoordelingscriterium ‘beoordeling uiterlijk voertuig/representativiteit van bestuurder’. Voorts stelt verweerder dat het element ‘bedrijfskleding’ niet in de Bijlage is genoemd, maar dat in deze Bijlage wel het doel van de toetsing van het beoordelingscriterium ‘Beoordeling uiterlijk voertuig/representativiteit bestuurder’ is aangegeven, namelijk dat gekeken wordt naar de uitstraling van de fietstaxi’s en de representativiteit van de bestuurders als visitekaartje van de stad. Voor het hebben van bedrijfskleding, wat in dit kader niet verplicht is, kan een score van 5 punten worden toegekend, aldus verweerder. Indien op grond van het bij de aanvraag ingezonden fotomateriaal kan worden vastgesteld dat de bestuurder er representatief uitziet, kan dit volgens verweerder ook leiden tot het toekennen van een score van 5 punten. 8.6. Verweerder heeft nader gemotiveerd dat de ondernemer in zijn aanvraag, behalve middels bedrijfskleding, ook op een andere wijze aan kan geven oog te hebben voor de representativiteit van de bestuurder en ook in dat geval in de categorie ‘uitstekend’ kan worden geplaatst. Deze nadere uitwerking vormt naar het oordeel van de rechtbank geen extra, beoordelingscriterium, maar een nadere uitwerking van het beoordelingscriterium ‘Beoordeling uiterlijk voertuig/representativiteit bestuurder’. Van een normaal oplettende aanvrager kon, gelet op het betreffende beoordelingscriterium en de in de Bijlage genoemde meetpunten, verwacht worden deze uitwerking te begrijpen en op deze manier te interpreteren, zodat een aanvraag hier op afgestemd kon worden. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de door eiser bij zijn aanvraag ingezonden foto’s, zonder nadere toelichting hieromtrent door eiser in het VT-formulier, in redelijkheid geen aanleiding geven om te oordelen dat eiser bedrijfskleding draagt of er zodanig representatief uitziet, dat plaatsing in de categorie ‘uitstekend’ op zijn plaats was. Mede gelet op het hiervoor onder 8.5. is vermeld, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd waarom voor het subcriterium ‘Veiligheid en uitstraling voertuig en bestuurder(s)’ een score van 20 van de 25 punten is toegekend. De toegekende score op het subcriterium ‘Beoordeling bedrijf door gemeente/handhaving/politie’ 9.1. Verweerder heeft ambtshalve de volgende in de Bijlage genoemde beoordelingscriteria beoordeeld: ‘Meldingen overlast/klachten in het verleden (tot maximaal 3 jaar voor aanvraagdatum), ‘Aantal verbalen/bestuurlijke maatregelen in het verleden (tot maximaal 3 jaar voor aanvraagdatum)’, ‘Bekendheid (goede naam) van aanvrager bij het bevoegd gezag’ en ‘Oordeel/advies handhaving/politie over gedrag van de aanvrager in de openbare ruimte’. In de in de Bijlage genoemde meetpunten worden de volgende beoordelingscategorieën en de daarbij behorende scores genoemd: uitstekend (40 punten), goed (30 punten), gemiddeld (20 punten) en onvoldoende (10 punten). Nu het onderdeel ‘Integriteit (onderdeel B) ambtshalve wordt beoordeeld, is dit onderdeel niet opgenomen in het door een aanvrager in te dienen VT-formulier en werd van een aanvrager niet verwacht iets over dit subcriterium op dit formulier te vermelden. 9.2. Voor dit subcriterium is aan eiser een score van 20 van de 40 punten toegekend. Verweerder heeft deze score in het beoordelingsformulier als volgt gemotiveerd: “Afgelopen 3 jaar max 10 strafpunten begaan (20 pt)”. 9.3. Eiser voert – samengevat – aan dat voorafgaand aan de aanvraagperiode niet bekend was dat de toe te kennen score op dit onderdeel gebaseerd was op het aantal gegeven strafpunten in de voorgaande vergunningperiode. Daarnaast voert eiser aan dat het aan hem voor dit subcriterium slechts toekennen van een score van 20 van de 40 punten onterecht, althans onevenredig is. Eiser stelt hiertoe dat de gegeven strafpunten het gevolg zijn van zeer lichte (en gelijksoortige) vergrijpen en bovendien zijn er geen sancties opgelegd, maar waarschuwingen. Na verloop van tijd vervallen de waarschuwingen en de strafpunten, wat ook bij eiser is gebeurd, zo stelt eiser. Op het moment van de aanvraag had eiser naar eigen zeggen dan ook een blanco lijst. 9.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit subcriterium beoordeeld is op basis van objectieve beoordelingscriteria, welke ambtshalve door verweerder zijn onderzocht. De wijze waarop deze criteria, met gebruikmaking van een glijdende schaal, door verweerder beoordeeld zijn, zijn nader uitgewerkt in het beoordelingsstramien dat niet voorafgaand aan de aanvraagperiode is bekendgemaakt, aldus verweerder ter zitting. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat aan eiser, als bestaande vergunninghouder, de maximale score van 40 punten was toegekend indien er door hem in de voorgaande vergunningperiode geen overtredingen waren begaan en daardoor aan hem die periode 0 strafpunten waren gegeven. Voorts heeft verweerder toegelicht dat er, kijkend naar de voorgaande vergunningperiode, een score van 30 punten werd toegekend bij maximaal 5 gegeven strafpunten, een score van 20 punten bij maximaal 10 gegeven strafpunten en een score van 10 punten bij meer dan 10 gegeven strafpunten. 9.5. Anders dan eiser betoogt, is het toekennen van punten op basis van het aantal gegeven strafpunten in de voorgaande vergunningperiode, met gebruikmaking van een glijdende schaal, geen extra, na aanvang van de aanvraagperiode toegevoegd, beoordelingscriterium, maar is dit een nadere uitwerking van de in rechtsoverweging 9.1. opgesomde beoordelingscriteria die duidelijk zien op gepleegde overtredingen in het verleden. Het leidt ook niet tot een wijziging van deze criteria. Bovendien kon en behoefde eiser zijn aanvraag niet op deze uitwerking af te stemmen, nu het onderdeel ‘Integriteit (onderdeel B) ambtshalve, en niet op basis van het VT-formulier, is beoordeeld door verweerder. Niet in geschil is dat eiser in de voorgaande vergunningperiode een zestal overtredingen heeft begaan, namelijk op 9 mei 2013, 30 mei 2013, 12 juni 2013, 18 juni 2013, 27 juni 2013 en 2 december 2013. Voorts stelt de rechtbank vast dat deze overtredingen, gelet op de overtreden voorschriften, volgens Bijlage II en Bijlage III van het Uitvoeringsbeleid als ‘licht’ worden aangemerkt, waardoor voor elk van deze overtreding een strafpunt is gegeven. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd waarom voor het subcriterium ‘Beoordeling bedrijf door gemeente/handhaving/politie’ een score van 20 van de 40 punten is toegekend. De stelling van eiser dat hij ten tijde van de aanvraag een schone lei had, slaagt niet omdat in de Bijlage staat vermeld dat wordt teruggekeken tot maximaal 3 jaar voor de aanvraagdatum. Dit acht de rechtbank niet onredelijk. Ook het aan eiser toekennen van een score van 20 punten voor dit subcriterium acht de rechtbank door verweerder toereikend gemotiveerd. De toegekende score op het subcriterium ‘Stratenkennis over Amsterdam’ 10.1. Verweerder heeft beoordeeld of eiser voldoet aan het beoordelingscriterium ‘Borging stratenkennis’. In dat kader heeft verweerder de stratenkennis van de bestuurder(
- s)beoordeeld. Uit de in de Bijlage genoemde meetpunten en het VT-formulier blijkt dat een aanvrager de stratenkennis van de bestuurder(
- s)dient te beschrijven. 10.2. Eiser heeft op het VT-formulier bij het onderdeel ‘C.3 Stratenkennis bestuurder’ het volgende vermeld: “Ik durf wel te zeggen dat mijn stratenkennis heel erg goed is. Bestemmingen die ik niet weet vind ik door hulp van moderne technologie (smartphone) of eventueel het stratenboekje (mocht de technologie weigeren). Ik woon nu 5 jaar in Amsterdam heb altijd veel gefietst en ben ook Postbode geweest.“ 10.3. Voor dit subcriterium is aan eiser een score van 5 van de 20 punten toegekend. Verweerder heeft deze score in het beoordelingsformulier als volgt gemotiveerd: “Geen beschrijving van de belangrijkste straten, toeristische hotspots, etc. (0 pt)” en “Matige beschrijving van de aantoonbare ervaring (5 pt)”. 10.4. Eiser voert aan dat het niet duidelijk is wat in het Uitvoeringsbeleid of in het VT-formulier wordt bedoeld met stratenkennis, anders dan het beschrijven hoe deze kennis is opgedaan en hoe deze wordt geborgd. Eiser stelt hiertoe dat uit het Uitvoeringsbeleid of het VT-formulier niet de eis blijkt dat een aanvrager zijn stratenkennis etaleert door een opsomming te geven van de belangrijkste straten en hotspots, waardoor het ontbreken van een dergelijke opsomming hem niet kan worden tegengeworpen. Deze kennelijke eis draagt volgens eiser overigens op geen enkele wijze bij aan de kwaliteit van de dienstverlening. Bovendien heeft eiser bij zijn toegewezen aanvraag om een fietstaxivergunning voor de voorgaande vergunningperiode (1 april 2013 tot en met 31 maart 2016) ook geen dergelijke opsomming, maar een vergelijkbare beschrijving, gegeven, zo stelt hij. De huidige uitkomst is naar zijn mening bevreemdend, nu de vraagstelling op dit onderdeel niet is gewijzigd. Hoe dan ook, eiser heeft naar eigen zeggen, gelet op zijn jarenlange ervaring, meer dan voldoende stratenkennis. Daarnaast voert eiser aan dat ‘ervaring’ als beoordelingscriterium voor dit onderdeel niet in het Uitvoeringsbeleid of in het VT-formulier is genoemd en dat dit beoordelingscriterium daarnaast niet consistent wordt beoordeeld. Bovendien stelt eiser dat er, gelet op wat hij op dit onderdeel in het VT-formulier heeft beschreven, aan hem voor aantoonbare ervaring van Amsterdamse stratenkennis ten onrechte slechts een score van 5 van de 10 punten is toegekend, nu hij heeft beschreven dat hij al 5 jaar in Amsterdam woont, veel gefietst heeft en een verleden als postbode heeft. 10.5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser ten aanzien van het subcriterium ‘Beschrijving van de Amsterdamse stratenkennis bij de bestuurder(s)’, in het licht van het beoordelingscriterium, op het VT-formulier een te summier antwoord heeft gegeven. Eiser heeft hiervoor volgens verweerder geen punten ontvangen, omdat hij geen beschrijving heeft gegeven van de belangrijkste straten, toeristische hotspots, etc. Verweerder licht dit toe door aan te geven dat de beoordeling van de beschrijving van de Amsterdamse stratenkennis als volgt is beoordeeld: “aantoonbare ervaring of uitgebreide toelichting van de belangrijkste straten, toeristische hotspots, etc. (10 pt), gemiddelde/summiere beschrijving van de belangrijkste straten, toeristische hotspots, etc. (5
- pt)of geen inhoudelijk toelichting (0 pt)”. De essentie is dat het onderdeel ‘C.3 Stratenkennis bestuurder’ door de aanvrager op het VT-formulier volledig diende te worden beschreven om in aanmerking te komen voor de maximale score, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat aanvragers die op dit subcriterium goed hebben gescoord, op het VT-formulier uitvoerig de hotspots van de stad hebben beschreven en hebben beschreven waar zij vaak rijden, waar zij actief zijn, hoe zij van ‘a naar b’ komen, wat volgens hen daarvoor de snelste wijze is, welke wegen/routes zij vermijden in verband met de (on)veiligheid en drukte en op welke plaatsen vaak potentiele klanten staan. Nu eiser zijn ervaring als fietstaxichauffeur matig heeft beschreven is aan eiser een score van 5 van de 10 punten toegekend voor zijn ervaring als fietstaxibestuurder in de voorgaande vergunningperiode van 3 jaar. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat voor drie jaar ervaring een score van 5 van de 10 punten werd toegekend en voor meer dan drie jaar ervaring een score van 10 van de 10 punten werd toegekend, maar dat uit de beschrijving van eiser op het VT-formulier niet blijkt dat hij meer dan drie jaar ervaring heeft, nu eiser op het VT-formulier heeft beschreven dat hij vijf jaar in Amsterdam woont, veel gefietst heeft en postbode is geweest. Indien eiser had beschreven dat hij reeds vijf jaar actief was als fietstaxibestuurder, was dit subcriterium anders beoordeeld, aldus verweerder ter zitting. 10.6. Anders dan eiser betoogt, zijn het hebben van aantoonbare ervaring of het geven van een uitgebreide toelichting naar het oordeel van de rechtbank geen extra, na aanvang van de aanvraagperiode toegevoegde, beoordelingscriteria, maar is dit een nadere uitwerking van het beoordelingscriterium ‘Borging stratenkennis’ en het meetpunt ‘beschrijving van de stratenkennis bij de bestuurder(s)’. Naar het oordeel van de rechtbank kon van een oplettende aanvrager verwacht worden ook ten aanzien van dit beoordelingscriterium het beste beentje voor te zetten. Er wordt immers gevraagd om een ‘beschrijving’ van de stratenkennis en in de toelichting op het VT-formulier is benadrukt dat de vragen in dat formulier door de aanvrager volledig moeten worden beantwoord. De oplettende aanvrager kon daarom begrijpen dat hij in het VT-formulier zijn (objectiveerbare) stratenkennis, welke nodig is om als fietstaxibestuurder goed te functioneren, zo goed mogelijk moest beschrijven. De motivering van verweerder dat eisers beschrijving te summier is voor de maximale puntenscore, acht de rechtbank niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft verweerder in zijn beoordeling op een redelijke wijze rekening gehouden met de ervaring van eiser. De rechtbank acht dan ook de toekenning van de puntenscore voor het subcriterium ‘Stratenkennis over Amsterdam’ door verweerder voldoende gemotiveerd. De toegekende score op het subcriterium ‘Historische kennis over Amsterdam’ 11.1. Verweerder heeft beoordeeld in welke mate eiser voldoet aan het beoordelingscriterium ‘Borging historische kennis over de stad Amsterdam’. In dat kader heeft verweerder de bij de bestuurder(
- s)aanwezige historische kennis over de stad Amsterdam beoordeeld. Uit de in de Bijlage genoemde meetpunten en het VT-formulier blijkt dat een aanvrager de historische kennis over de stad Amsterdam bij de bestuurder(
- s)dient te beschrijven. 11.2. Eiser heeft op het VT-formulier bij het onderdeel ‘C.4 Historische kennis bestuurder over Amsterdam’ het volgende vermeld: “Amsterdam is een van die steden waar geschiedenis aanwezig is op haast elke hoek, in elke straat, op elk plein, kortom haast overal waar je komt. En hebben we ook zo’n 1000 jaar aan de meest uiteenlopende, kleurvolle en interessante verhalen. Het is onmogelijk om alles van de stad te weten maar het zou zonde zijn om niet de belangrijkste gebeurtenissen rond Amsterdam te weten. Het verwezenlijken van de stad, kanaal uitbreiding, de handel, de Gouden eeuw, verbazingwekkende architectuur die werd gerealiseerd op moerasgrond een paar honderd jaar geleden. Water Ingenieurswetenschappen, gecombineerd met uitzonderlijke bouw vaardigheden maken een klein wonder van deze stad.” 11.3. Voor dit subcriterium is aan eiser een score van 10 van de 20 punten toegekend. Verweerder heeft deze score in het beoordelingsformulier als volgt gemotiveerd: “Matige beschrijving van de historische kennis (5 pt)” en “De aantoonbare ervaring van de historische kennis is matig aangetoond (5 pt)”. 11.4. Eiser voert met betrekking tot dit onderdeel aan dat ‘ervaring’ als beoordelingscriterium voor dit onderdeel niet in het Uitvoeringsbeleid of in het VT-formulier is genoemd. Evenmin is dit volgens eiser het geval voor het beoordelingscriterium ‘het volgen van een opleiding tot gids’. Voorts voert eiser aan dat uit het Uitvoeringsbeleid of het VT-formulier niet de wens van verweerder blijkt dat een aanvrager zijn historische kennis etaleert. Bovendien heeft eiser naar eigen zeggen, gelet op hetgeen hij op het VT-formulier heeft vermeld, wel degelijk laten zien dat hij zich bewust is van de rijke geschiedenis van Amsterdam. 11.5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser ten aanzien van het meetpunt ‘Beschrijving van historische kennis over de stad Amsterdam bij de bestuurder(s)’ op het VT-formulier een summiere en matige beschrijving heeft gegeven van zijn historische kennis. Verweerder licht nog toe dat een uitgebreide beschrijving van de historische kennis of bijvoorbeeld een aantoonbaar gidscertificaat de maximale score van 10 punten had opgeleverd, naast de score van maximaal 10 punten die voor het subcriterium ‘Aantoonbare ervaring van de historische kennis over de stad Amsterdam bij de bestuurder(s)’ kon worden toegekend. Ten aanzien van laatstgenoemd subcriterium stelt verweerder dat eiser zijn ervaring als fietstaxichauffeur matig heeft beschreven, maar dat aan eiser een score van 5 punten voor ervaring is toegekend, nu hij de afgelopen drie jaar bestuurder van een fietstaxi is geweest. 11.6. Anders dan eiser betoogt, zijn het hebben van aantoonbare ervaring van de historische kennis over de stad Amsterdam of het volgen of gevolgd hebben van een opleiding tot gids naar het oordeel van de rechtbank geen extra, na aanvang van de aanvraagperiode toegevoegd, beoordelingscriteria, maar zijn dit nadere uitwerkingen van het beoordelingscriterium ‘Borging historische kennis over de stad Amsterdam’. Naar het oordeel van de rechtbank kon een oplettende aanvrager gelet op de Bijlage begrijpen dat een goede beschrijving van de aantoonbare kennis van de bestuurder over de historie van de stad, punten zou kunnen opleveren. De rechtbank merkt daarbij wederom op dat er is gevraagd om een ‘beschrijving’ en in de toelichting op het VT-formulier is benadrukt dat de vragen in dat formulier door de aanvrager volledig moeten worden beantwoord. Gelet op hetgeen eiser in het VT-formulier heeft opgenomen, heeft verweerder toereikend gemotiveerd waarom aan eiser op dit subcriterium slechts 10 van de 20 punten zijn toegekend. Daarbij heeft verweerder in zijn beoordeling op een redelijke wijze rekening gehouden met de ervaring van eiser als bestuurder van een fietstaxi. De toegekende score op het subcriterium: ‘Beschrijving van uw doelgroep’ 12.1. Verweerder heeft beoordeeld of eiser voldoet aan het beoordelingscriterium ‘Beschrijving doelgroep’. In dat kader heeft verweerder de beschrijving van de doelgroep beoordeeld. Uit de in de Bijlage genoemde meetpunten en het VT-formulier blijkt dat een aanvrager de doelgroep dient te beschrijven waarop hij/zij zijn dienstverlening richt. In deze meetpunten worden de volgende categorieën doelgroepen genoemd: toeristen, forenzen, bedrijven, Amsterdammers en overige categorieën. 12.2. Eiser heeft op het VT-formulier bij het onderdeel ‘C.5 Beschrijving doelgroep’ het volgende vermeld: “Ik heb zelf geen specifieke doelgroep voor ogen als ik mijn diensten aanbied. Iedereen die bij me instapt is welkom ongeacht nationaliteit of leeftijd. Toeristen uit elk land, Nederlanders en Amsterdammers. Mensen die op zoek zijn naar een leuke ervaring, grappig ritje, milieu vriendelijk alternatief of mensen die verdwaald zijn.” 12.3. Voor dit subcriterium is aan eiser een score van 10 van de 20 punten toegekend. Verweerder heeft deze score in het beoordelingsformulier als volgt gemotiveerd: “Matige beschrijving van 2 of meer categorieën (10 pt)”. 12.4. Eiser voert aan dat voor zover de wens bestond dat hij als aanvrager mee zou denken over het verkennen van doelgroepen om het Alternatief personenvervoer te laten deelnemen in de markt, verweerder onvoldoende nauwkeurig en duidelijk heeft omschreven wat exact van hem werd verwacht. Het enkel verwijzen naar de Nota van Beantwoording van 15 september 2015 is hiervoor volgens eiser onvoldoende. Bovendien heeft eiser naar eigen zeggen wel degelijk blijk gegeven van het meedenken over de fietstaxi als milieuvriendelijk alternatief, nu hij heeft aangegeven zich niet alleen op toeristen te richten, maar zijn fietstaxi ook te presenteren als alternatief voor gewone taxi’s of het openbaar vervoer. Voorts stelt eiser dat hij meerdere doelgroepen heeft genoemd en nader beschreven en dat niet valt in te zien hoe hij deze doelgroepen uitgebreider had kunnen beschrijven. Dat het bedienen van meer doelgroepen een hogere score op zou leveren, was voorafgaand aan de aanvraagperiode niet kenbaar en in het beoordelingsformulier is ook niet aangegeven dat er te weinig doelgroepen zijn beschreven, zo stelt eiser. 12.5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser op het VT-formulier enkel de doelgroep heeft beschreven waarop zijn dienstverlening zich richt. Hetgeen eiser op dit onderdeel op het VT-formulier heeft vermeld geeft volgens verweerder geen blijk van het meedenken over het verkennen van doelgroepen die mogelijk benaderd kunnen worden om het Alternatief personenvervoer volwaardig deel te laten nemen in de markt voor personenvervoer voor korte ritten. Verweerder acht dit onderdeel van belang, omdat uit een evaluatie van Ecorys is gebleken dat de fietstaxi nog steeds niet een normale vorm van dienstverlening is, in vergelijking tot een reguliere taxi of het openbaar vervoer. Verweerder heeft toegelicht dat de gevraagde beschrijving op dit onderdeel in het VT-formulier betrekking heeft op de beleidsdoelstelling: het faciliteren van milieuvriendelijke vormen van personenvervoer voor de korte afstand, een vorm van personenvervoer voor niet alleen toeristen en bezoekers, maar ook Amsterdammers. Het voorgaande is volgens verweerder ook kenbaar gemaakt in de Nota van Beantwoording van 15 september 2015. 12.6. Uit de Bijlage blijkt dat verweerder de beschrijving van de doelgroep waarop eiser zijn dienstverlening richt beoordeelt. Op basis van, onder meer, dit subcriterium vindt de vergelijking plaats. Van eiser, op wiens weg het ligt zijn aanvraag te onderbouwen, kon verwacht worden dat hij goed zou beschrijven wat zijn doelgroep is. Dat verweerder in zijn beoordeling rekening houdt met de wijze waarop de aanvrager meedenkt over het verkennen van (nieuwe) doelgroepen die mogelijk benaderd kunnen worden om het Alternatief personenvervoer volwaardig deel te laten nemen in de markt voor personenvervoer voor korte ritten acht de rechtbank geen nader beoordelingscriterium. Naar het oordeel van de rechtbank kan van een normaal oplettende aanvrager verwacht worden deze uitwerking te begrijpen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat deze uitwerking kenbaar is gemaakt in de Nota van Beantwoording van 15 september 2015, waarin het volgende staat “Door het toevoegen van een beschrijving van de doelgroep waarop vergunninghouders hun dienstverlening gaan richten, is de intentie van het college om ondernemers te verleiden tot het verbreden van hun dienstverlening aan nieuwe doelgroepen die nu nog onvoldoende worden bediend door het vervoer per fietstaxi.” Gelet op het voorgaande heeft verweerder de puntenscore voor het subcriterium ‘Beschrijving van uw doelgroep’ toereikend gemotiveerd. Beroep op het gelijkheidsbeginsel, verbod op willekeur en transparantiebeginsel 13.1. Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel en op het verbod op willekeur. Hij stelt hiertoe dat uit de – door hem overgelegde – geanonimiseerde beoordelingsformulieren van andere aanvragers blijkt dat er een verschil is ten aanzien van de toegekende punten, terwijl aan deze puntenscore eenzelfde motivering van verweerder ten grondslag ligt. Er zijn dus sterke aanwijzingen dat andere aanvragers met gelijke of mindere antwoorden meer punten hebben gekregen dan eiser, althans dergelijke (onbewuste) willekeur is niet uit te sluiten. Het is verder strijdig met het transparantiebeginsel dat verweerder de aanvragen van de andere aanvragers niet heeft overgelegd, aldus eiser. 13.2. In een beoordelingsformulier staan de punten die een aanvrager heeft gehaald met daarbij een korte motivering indien niet het maximum te behalen punten is behaald. De rechtbank is van oordeel dat de beoordelingen van de aanvragen niet enkel aan de hand van het beoordelingsformulier met elkaar vergeleken kunnen worden. Om deze vergelijking te maken zijn de onderliggende aanvragen nodig waarin de antwoorden staan die de andere aanvragers hebben gegeven. Alleen aan de hand van deze antwoorden kan de motivering en de puntentelling in het beoordelingsformulier geïnterpreteerd worden en kunnen de beoordelingen van de aanvragen met elkaar vergeleken worden. Het enkele feit dat in situaties met eenzelfde motivering een andere puntentelling is gegeven vormt geen aanwijzing dat de beschrijvingen van de aanvrager op het VT-formulier ook hetzelfde waren. Hiermee heeft eiser niet aangetoond dat er sprake is van vergelijkbare gevallen of dat het verbod van willekeur is geschonden. 13.3. Voor zover eiser stelt dat met zijn stellingen over de verschillen in puntentoekenning een begin van bewijs is geleverd dat er sprake is van vergelijkbare gevallen en het op de weg van verweerder ligt om in die situaties de aanvragen over te leggen, overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan eiser stelt is het niet in strijd met het transparantiebeginsel dat verweerder de aanvragen van de andere aanvragers niet heeft overgelegd. Verweerder heeft toegelicht dat de antwoorden op de vergelijkende toetsen op hun eigen merites beoordeeld zijn aan de hand van de op voorhand kenbaar gemaakte beoordelingscriteria. Zo is de regeling ook opgebouwd. Het transparantiebeginsel gaat niet zo ver dat verweerder in deze procedure ten behoeve van eiser ook alle VT-formulieren van concurrerende aanvragers met de daarin door hen aan verweerder verstrekte informatie over hun bedrijfsvoering moet overleggen. Aan de hand van het beoordelingsformulier van eiser kan de eigen score worden nagegaan en op basis van welke elementen deze is berekend. Hiermee kan dus voldoende inzicht worden verkregen in de wijze waarop de aanvraag van eiser door verweerder is beoordeeld, zodat er geen sprake is van strijdigheid met het transparantiebeginsel. Verzoek om overlegging processtukken 14. Eiser verzoekt de rechtbank verweerder op te dragen in elk geval de VT-formulieren die zijn ingediend door andere aanvragers aan wie een (enkelvoudige of meervoudige) fietstaxivergunning is verleend voor de vergunningperiode van 1 april 2016 tot 1 april 2019 over te leggen. De rechtbank overweegt dat eiser reeds een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft ingediend, wat heeft geleid tot openbaarmaking van alle beoordelingsformulieren, zij het geanonimiseerd. De vraag of verweerder op juiste gronden heeft geoordeeld dat de VT-formulieren niet openbaar worden gemaakt, hoort thuis in de bezwaar- of beroepsprocedure met betrekking tot die beslissing van verweerder. De conclusie hiervan is dan ook dat de rechtbank het verzoek van eiser afwijst. Verzoek om schade 15. Het verzoek van eiser om vergoeding van de door hem gestelde geleden (eventueel nader te onderbouwen)schade komt niet voor toewijzing in aanmerking nu het bestreden niet rechtens onjuist is. 16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzitter, en mr. P. Vrugt en mr. L.Z. Achouak el Idrissi, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. BIJLAGE Algemene Plaatselijke Verordening 2008 Artikel 2.51 (Personenvervoer) 1. Het is verboden zonder vergunning van het college als ondernemer op of aan de weg met een voertuig tegen betaling personenvervoer aan te bieden. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet personenvervoer. 3. Het college kan de vergunning weigeren of intrekken als het vervoer: a. gevaar oplevert voor de veiligheid van de passagiers, de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer; b. hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat; c. een nadelige invloed heeft op het milieu; d. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte of e. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien daarvan. 4. Het is verboden om personenvervoer als bedoeld in het eerste lid aan te bieden op door het college aangewezen wegen. Uitvoeringsbeleid Alternatief personenvervoer 2016 ex art 2.51 APV Artikel 1.1 (Definities) (…) 3. Alternatief personenvervoer: het met een vergunning van het college als ondernemer met een voertuig tegen betaling personenvervoer aan te bieden aan de weg (met één van de type voertuigen zoals genoemd in artikel 2.2 vervoersdiensten); (…) 9. enkelvoudige vergunning: een vergunning of de aanvraag daarvan waarbij de vergunninghouder tevens de enige bestuurder van het voertuig is waarvoor vergunning is verkregen of wordt gevraagd; 10. meervoudige vergunning: een vergunning of de aanvraag daarvan waarbij de vergunninghouder derden (handelend onder de naam van de vergunninghouder) de voertuigen waarvoor vergunning is verkregen of wordt gevraagd, laat besturen; (…). Artikel 1.3 (Beleidsdoelstellingen Alternatief personenvervoer) Het college beoogt ten aanzien van het Alternatief personenvervoer de volgende (beleids)doelstellingen te bevorderen: 1. Het aanbieden van milieuvriendelijke vormen van personenvervoer voor de korte afstand; 2. Continuïteit en kwaliteit in de dienstverlening voor de vergunninghouders en de gebruikers; 3. Voorkomen van overlast als bedoeld in artikel 2.51, derde lid van de APV. Artikel 2.3 (Maximering en vergunningenplafond) 1. Per categorie kan het college besluiten een vergunningenplafond in te stellen indien er sprake is of dreigt van belangen die het derde lid van artikel 2.51 van de APV beoogt te voorkomen. 2. Indien voor een type voertuig een vergunningenplafond geldt, wordt aan de hand van vastgestelde criteria een vergelijkende toets uitgevoerd om te bepalen welke aanvrager een vergunning wordt gegund. (Zie ook artikel 2.5) Maximering categorie ‘fiets met of zonder trapondersteuning’ 3. Voor de categorie ‘fietsen met of zonder trapondersteuning’ geldt gelet op het bepaalde in artikel 2.51, derde lid, sub a. en d. van de APV een vergunningenplafond van maximaal 100 te vergunnen voertuigen. 4. Gelet op het bepaalde in artikel 2.51, derde lid, sub b. van de APV wordt per aanvrager een vergunning voor maximaal tien ‘fietsen met of zonder trapondersteuning’ toegekend. Artikel 2.4 (Indieningsvereisten aanvraag) Artikel 2.5 (Vergelijkende toets) 1. De vergelijkende toets bestaat uit drie onderdelen: a. In fase A wordt beoordeeld of de bij de aanvraag gevoegde bijlagen waarin de gegevens worden gevraagd voor het beoordelen van de vergelijkende toets voldoet aan de indieningsvereisten (zoals beschreven in 2.4); b. In fase B wordt aan de hand van de overgelegde gegevens en op basis van criteria uit bijlage I aan de aanvraag een score van 0 tot 400 punten toegekend; c. In fase C wordt afhankelijk van de ruimte die het ingestelde vergunningenplafond biedt en het aantal voertuigen dat per aanvrager maximaal is toegestaan, aan de aanvraag die het hoogste heeft gescoord in fase B een vergunning verleend; d. Indien twee of meer aanvragen in fase B gelijk scoren, heeft de eerst ingediende aanvraag voorrang; e. Bij aanvragen die voldoen aan de minimale score zoals bedoeld in bijlage I, maar als gevolg van schaarste niet worden vergund, worden geplaatst op een ranglijst (fase D). Bij een vrijgekomen plaats wordt aan de hoogst scorende aanvraag een vergunning verleend voor zover het ingestelde vergunningenplafond hiertoe de ruimte biedt. f. Bij een volgend door het college te bepalen selectiemoment vervallen alle op de ranglijst geplaatste aanvragen en start een nieuwe aanvraagprocedure. 2. Voor de vergelijkende toets zoals bedoeld in het eerste lid stelt het college een formulier ter beschikking dat bij de aanvraag volledig naar waarheid moet worden ingevuld. Het formulier bevat de criteria als bedoeld in bijlage I op basis waarvan de vergelijkende toets plaatsvindt. Het formulier is beschikbaar op www.amsterdam.nl/apv. Bijlage I (Vergelijkende toets) De vergelijkende toets is bedoeld om de vergunningen voor maximaal 100 fietstaxi’s toe te kennen aan de aanvragers die het meeste bijdragen aan de gemeentelijke doelstellingen conform artikel 1.3. De vergelijkende toets is vooral gericht op het toetsen van de 2e en 3e (beleids)doelstelling en is opgebouwd uit vier onderdelen: A. Veiligheid en uitstraling; B. Normen en waarden; C. Kwaliteitspunten om de professionaliteit van de dienstverlening te waarborgen. D. Borging, interne controle en klachtenafhandeling (alleen bij meervoudige vergunningen). Per onderdeel zijn de doelen, de juridische basis, criteria en de meetpunten benoemd. Ondernemers kunnen per onderdeel 100 punten halen. Minimum aantal punten per onderdeel om in aanmerking te komen voor een vergunning is 55 punten. Elk van de onderdelen weegt even zwaar mee. Per meetonderdeel is aangegeven hoeveel punten maximaal behaald kunnen worden. De beoordeling van de aanvragen wordt gedaan door een commissie die samengesteld is uit een vertegenwoordiger vanuit Politie, stadsdeel Centrum en namens het college, de Resultaat Verantwoordelijke Eenheid Verkeer & Openbare Ruimte. Toetsing A Veiligheid en uitstraling Omschrijving Score Doel De verkeerskundige effecten en veiligheid hebben als doel de deelname aan het verkeer te beoordelen op belemmering en veiligheid van het voertuig. Tenslotte wordt gekeken naar de uitstraling van de fietstaxi’s en de representativiteit van de bestuurders als visitekaartje van de stad. Juridische basis 1. voorkomen van gevaar (aan de openbare weg) -art. 2.51, lid 3, sub a. APV. 2. voorkomen van hinder (in het openbaar leefklimaat) - art. 2.51, lid 3, sub b. APV. 3. veiligheid van passagiers - art. 2.51, lid 3, sub a. APV. 4. milieubelangen - art. 2.51, lid 3, sub c. APV. 5. voorkomen van verkeerskundige problemen - art. 2.51, lid 3, sub a. APV. Criteria - Veiligheid en uitstraling van het voertuig; - Beoordeling uiterlijk voertuig / representativiteit bestuurder; - Beoordeling naamsvermelding op het voertuig; - Beoordeling van (mogelijke) reclame op het voertuig; Toetsen aan beleid op de onderdelen: Onderhoudsplan: - beschrijf het onderhoudsplan voor uw fietstaxi's (waarop wordt onderhoud gepleegd frequentie, groot versus periodiek onderhoud, administratie, schriftelijke vastlegging 0 tot 50 Veiligheid en uitstraling van het voertuig en bestuurder (uniformiteit, schoon, schadevrij, representativiteit): o Uitstekend 25 o Goed 15 o Gemiddeld 10 o Onvoldoende 0 Naamsvermelding: o Weersbestendig, niet-handgeschreven, zichtbaar aan de achter en/of voorzijde van het voertuig. 10 o Niet aanwezig of niet conform de voorschriften 0 Reclame: o Geen reclame 15 o Significant aanwezige reclame 5 o Overheersende reclame, bijvoorbeeld gehele achterzijde voertuig 0 Totaal 100 B Integriteit Omschrijving Score Doel De normen en waarden hebben als doel het gewenst gedrag van de ondernemer te toetsen op basis van ervaringen uit het verleden. Juridische basis 1. voorkomen van gevaar (aan de openbare weg) - art. 2.51, lid 3, sub a. APV. 2. veiligheid van passagiers - art. 2.51, lid 3, sub a. APV. 3. het beslag op de openbare ruimte in het algemeen - art. 2.51, lid 3, sub d. APV. Criteria o Meldingen van overlast/klachten in het verleden (tot maximaal 3 jaar voor aanvraagdatum); o Aantal verbalen / bestuurlijke maatregelen in het verleden (tot maximaal 3 jaar voor aanvraagdatum); o Bekendheid (goede naam) van aanvrager bij het bevoegd gezag; o Oordeel/advies Handhaving / Politie over gedrag van de aanvrager in de openbare ruimte; o Administratieve verplichtingen. Meten Toetsen aan beleid op de onderdelen: 0 tot 60 Voor aanvragen voor een meervoudige vergunning: Licht toe wat de visie op werkgeverschap is. Hoe gaat uw onderneming om met de bestuurders? Wat is de beoordelingssystematiek? Wanneer wordt de werkrelatie met een bestuurder beëindigd? Voor aanvragen voor een enkelvoudige vergunning: Gaan ook anderen gebruik maken van uw fietstaxi? En zo ja, hoe gaat u om met de andere bestuurder(-s)? En hoe denkt u om te gaan met het handhavingsbeleid? 0 tot 60 Bestaande vergunninghouders: beoordeling door gemeente / handhaving / Politie: o Uitstekend 40 o Goed 30 o Gemiddeld 20 o Onvoldoende 10 Nieuwe / onbekende aanvrager: o Neutraal 30 Totaal 100 C Dienstverlening Omschrijving Score Doel De kwaliteitspunten hebben tot doel de professionaliteit van de dienstverlening te waarborgen. Juridische basis 1. voorkomen van hinder (in het openbaar leefklimaat) - art. 2.51, lid 3, sub b. APV. 2. kwaliteit en duurzaamheid van de dienstverlening - art. 2.51, lid 3, sub b./c. APV. Criteria - Tariefstructuur; - Borging van talenkennis; - Borging Stratenkennis; - Borging historische kennis over de stad Amsterdam; - Beschrijving doelgroep. Meten Toetsen aan beleid op de onderdelen: Tariefstructuur? o Geen vast tarief 0 o Gedeeltelijk vast tarief 10 o Vast tarief 20 Taalvaardigheid; spreekt de bestuurder de volgende talen? o Nederlands én Engels 20 o Nederlands óf Engels 10 o Geen van beiden 0 Stratenkennis - Beschrijving van de stratenkennis bij de bestuurder(
- s)0 tot 20 Historische kennis over de stad Amsterdam - Beschrijving van de historische kennis over de stad Amsterdam bij de bestuurder(
- s)0 tot 20 Beschrijving van uw doelgroep waarop u uw dienstverlening richt? - Toeristen, forenzen, bedrijven, Amsterdammers en overige categorieën 0 tot 20 - Totaal 100 D Borging, interne controle en klachtenafhandeling ( alleen bij meervoudige vergunningen ) Omschrijving Score Doel De borging, interne controle en klachten hebben tot doel duidelijk te maken wat er van ondernemers wordt verwacht ten aanzien van de kwaliteit van de bedrijfsvoering. Juridische basis 1. voorkomen van gevaar (aan de openbare weg)- art. 2.51, lid 3, sub a. APV. 2. voorkomen van hinder (in het openbaar leefklimaat)- art. 2.51, lid 3, sub b. APV. Criteria - Opleidingsprogramma/training voertuigbestuurders gericht op een professionele dienstverlening; - Controle op gedrag van bestuurders in de openbare ruimte; - Onderneming is 24 uur per dag bereikbaar voor calamiteiten; - Beoordeling klachtenprocedure, verwijzing naar www.taxiklacht.nl; - Beoordeling ondernemersplan (bij een meervoudige vergunning). Meten Toetsen aan beleid op de onderdelen: Zorgplicht van de ondernemer om bestuurders zich gedragen conform voorschriften. Beschrijf de bedrijfsvoering met daarin in ieder geval aandacht voor: - Opleidingsprogramma voor (nieuwe) bestuurders (denk hierbij bijvoorbeeld aan verkeersregels, vergunningsvoorschriften, gewenst gedrag, kennis van de stad); 0 tot 40 - Check op bestuurderspas, registratieplaat fietstaxi en overige verplichte documenten 0 tot 20 - Telefonische bereikbaarheid bij calamiteiten; 0 tot 10 - Klachtenprocedure (o.a. instructie bestuurder, zichtbaarheid klachtenprocedure voor klanten); 0 tot 15 - Overige voorzorgsmaatregelen (denk hierbij aan EHBO trainingen en/of het instellen van toezichthouders / stewards). 0 tot 15 Totaal 100 ECLI:NL:RBAMS:2016:6020. ECLI:NL:RBAMS:2016:6666. Artikel 1.3 van het Uitvoeringsbeleid. Artikel 2.3, derde lid, van het Uitvoeringsbeleid. Artikel 2.51, derde lid, aanhef en onder b, van de APV. Toelichting Uitvoeringsbeleid pag. 23. Artikel 2.3, tweede lid, van het Uitvoeringsbeleid. Artikel 2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbeleid. ECLI:NL:RVS:2016:2927. ECLI:NL:RVS:2013:BZ8429. ECLI:NL:CBB:2011:BU9729. Mr. dr. C.J. Wolswinkel, “Volwassen verdelingsrecht? Rechtsontwikkeling en rechtseenheid bij de verdeling van schaarse vergunningen”, JB Plus, 19 afl. 1, 10 maart 2017, par. 4.2.1.