Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2017:5516
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 16/6833 uitspraak van de meervoudige kamer van 1 augustus 2017 in de zaak tussen de besloten vennootschap [naam 1] B.V., te Amsterdam, (hierna: exploitant) [naam 2] [naam 3] [naam 4] [naam 5] (hierna: sekswerkers) (gemachtigde: mr. M. Kashyap), en de burgemeester van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. M. Boermans).
Procesverloop Bij besluit van 30 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de exploitant een exploitatievergunning verleend, geldig tot 1 september 2017.
Bij besluit van 20 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de exploitant en de sekswerkers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
De exploitant en de sekswerkers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2017, 20 april 2017 en op 9 mei 2017. Namens de exploitant is verschenen [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde en mr. [naam 6] . Tevens zijn verschenen [naam 7] en [naam 8] . Namens de sekswerkers is verschenen [naam 2] . Ook is verschenen M. Chendler, als tolk in de Roemeense taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. [naam 9] , [naam 10] , drs. [naam 11] , mr. [naam 12] en [naam 13] .
Overwegingen Wat vooraf ging 1. In 2000 is het algemeen bordeelverbod opgeheven met onder andere de doelstelling om door middel van beheersing en regulering misstanden in de prostitutiebranche beter te kunnen bestrijden. Uit de Memorie van Toelichting bij de opheffing van het algemeen bordeelverbod volgt dat opheffing van het algemeen bordeelverbod de weg vrij maakt voor gemeenten om een effectief beleid inzake alle vormen van (exploitatie van) prostitutie te voeren. Bij het afschaffen van het bordeelverbod is daarom in de Gemeentewet tijdelijk artikel 151a opgenomen. In dit artikel is de bevoegdheid aan de gemeenteraad toegekend om regels te stellen voor bedrijfsmatige prostitutie op basis van een vergunningstelsel. Dit artikel zal komen te vervallen zodra de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (hierna: Wrp) wordt aangenomen. Dit wetsvoorstel is ingediend omdat uit evaluatie van de opheffing van het algemeen bordeelverbod is gebleken dat weliswaar ten aanzien van een aantal zaken in de prostitutiebranche vooruitgang is geboekt, maar dat er niettemin nog een aantal duidelijke problemen is. De regering wil met dit wetsvoorstel de oorzaken van het voortbestaan van misstanden in de prostitutiebranche aanpakken door het invoeren van een verplicht en uniform vergunningstelsel voor het uitoefenen van alle vormen van prostitutie.
Beoordeling door de rechtbank 11. Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van het juridisch kader zoals is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid Het geschil Ontvankelijkheid sekswerkers 12. De sekswerkers komen met hun beroep op tegen het bestreden besluit, in dit geval de vergunning van de exploitant. De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de sekswerkers, naast de exploitant, op grond van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.
De toepasselijke regelgeving 13. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, artikel 7:1, eerste lid en artikel 1:2, eerste lid van de Awb in onderling verband gelezen, kan uitsluitend degene wiens belang rechtstreeks is betrokken bij de exploitatievergunning, daartegen bezwaar maken bij de burgemeester en daarna beroep instellen bij de rechtbank.
Standpunten van partijen 14. De sekswerkers hebben aangevoerd dat zij een voldoende eigen belang hebben bij deze procedure, omdat er een reële mogelijkheid bestaat dat zij door het bestreden besluit en de aan de raamexploitant opgelegde vergunningvoorwaarden onder meer worden getroffen in een aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) dan wel artikel 10 van de Grondwet ontleend fundamenteel recht, te weten het recht op eerbiediging van privéleven dan wel respect voor eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Beoordeling rechtbank 15. De sekswerkers zijn huurders van kamers van het raamprostitutiebedrijf van de exploitant en hebben als zodanig een contractuele relatie met de exploitant. De rechtbank overweegt dat het belang van een huurder voortvloeit uit zijn contractuele relatie met de verhuurder. Dit contractuele belang is, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling), aan te merken als een afgeleid belang dat niet rechtstreeks bij het besluit betrokken is.
Ten aanzien van het ontstaan van een gezagsverhouding en strijd met artikel 151a van de Gemeentewet Standpunten van partijen 17. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, het verweerschrift en op de zitting op het standpunt gesteld dat de vergunningvoorwaarden niet verder gaan dan op grond van artikel 151a van de Gemeentewet mogelijk is. Dit zou alleen het geval zijn als door de vergunningvoorwaarden de rechtsverhouding tussen de exploitant en de sekswerker zou worden ingevuld. Daarvan is geen sprake. De voorschriften noch het beleid leiden er toe dat de sekswerkers en de exploitant niet langer vrij zijn in het bepalen van hun rechtsrelatie. De voorschriften dragen bij aan de bescherming van openbare belangen waar de lokale wetgever wel degelijk een taak heeft, namelijk het beschermen van de gezondheid en het voorkomen van mensenhandel.
Ook moet de exploitant controleren en waarborgen dat aan de normen uit de hygiënerichtlijn wordt voldaan onder andere door te controleren op de aanwezigheid van reinigings- en desinfecterende middelen voor seksspeeltjes die de sekswerkers gebruiken. Ook hieruit volgt een gezagsverhouding. Dit geldt ook voor het toezicht dat de exploitant dient te houden, bijvoorbeeld door er op toe te zien dat de sekswerkers niet te bloot zijn, er voor te zorgen dat zij geen show geven of bijvoorbeeld op de ramen tikken om de aandacht van potentiële klanten te trekken. De vergunningvoorwaarden gaan dan ook verder dan op grond van artikel 151a van de Gemeentewet mogelijk is. Verweerder heeft hiermee volgens de exploitant en de sekswerkers de grondslag van artikel 151a van de Gemeentewet verlaten.
Het geschil 19. Gelet op hetgeen is aangevoerd en de nadere toelichting op de zitting ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de vergunningvoorwaarden verder gaan dan op grond van artikel 151a van de Gemeentewet mogelijk is.
De toepasselijke regelgeving 20. Op grond van artikel 149 van de Gemeentewet in samenhang met artikel 151a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de gemeenteraad een verordening vaststellen waarin voorschriften worden gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Deze artikelen geven de gemeente de mogelijkheid regels te stellen voor bedrijfsmatige prostitutie op basis van een vergunningenstelsel waarbij voorwaarden kunnen worden gesteld, onder andere met betrekking tot antecedentenonderzoek, gedragseisen, bedrijfsvoering en arbeidsomstandigheden.
Beoordeling rechtbank 25. Uit de hiervoor genoemde regelgeving volgt dat verweerder bevoegd is aan het vergunningstelsel voorwaarden te verbinden met betrekking tot onder meer antecedentenonderzoek, gedragseisen, bedrijfsvoering en arbeidsomstandigheden. Deze voorwaarden mogen niet zo ver strekken dat partijen niet langer vrij zijn de aard van hun onderlinge rechtsverhouding in te vullen. In dit kader is van belang of de aard van de rechtsverhouding door de vergunningvoorwaarden wordt ingekleurd in die zin dat de sekswerkers in dienstbetrekking komen te staan tot de exploitant. Met andere woorden: dwingen de voorschriften tot een dienstbetrekking of staat het de sekswerkers vrij hun arbeid als zelfstandige te verrichten?
De rechtbank volgt de exploitant niet in haar beroep op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 5 januari 2006 en 18 september 2008 waarin de CRvB oordeelde dat wel sprake was van een dienstbetrekking. Naar het oordeel van de rechtbank was in die zaken sprake van een andere situatie. Over de loonbetaling heeft de CRvB geoordeeld ‘Daarenboven kunnen de betalingen op basis van algemene tariefstellingen welke de betrokkenen voor hun diensten ontvingen na aftrek van kamerhuur e.a. aan appellant niet anders worden beschouwd dan als een directe beloning in contraprestatie voor verrichte arbeid, welke niet zonder het organisatorisch kader en de beschikbaar gestelde voorzieningen vanwege appellant als beheerder en werkgever gerealiseerd hadden kunnen worden.’ Naar het oordeel van de rechtbank heeft de exploitant de stelling, dat sprake is van een bedrijfsvoering die moet worden aangemerkt als een organisatorisch kader waarbinnen sprake is van loon in natura middels het verstrekken van voorzieningen als een hygiënische werkomgeving en toezicht, onvoldoende onderbouwd.
Ten aanzien van de Dienstenrichtlijn Inleiding 28. Partijen zijn het eens dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is. Ook zijn partijen het eens dat het vergunningstelsel in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn. De Afdeling heeft dat ten aanzien van de voorloper van het huidige vergunningstelsel al beslist in de uitspraak van 9 juli 2014. Partijen verschillen erover van mening of de voorschriften die behoren bij de vergunning ieder afzonderlijk en als geheel in overeenstemming zijn met de Dienstenrichtlijn.
Het vergunningstelsel in het algemeen 29. In de uitspraak van 9 juli 2014 heeft de Afdeling geoordeeld dat het daar aan de orde zijnde vergunningstelsel verenigbaar is met artikel 9 en met artikel 10, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Dienstenrichtlijn. De voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden mogen gesteld worden vanwege dwingende redenen van algemeen belang. Per voorschrift dient echter bekeken te worden of het voorschrift ook evenredig is, zoals artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Dienstenrichtlijn bepaalt. In het arrest [naam 14] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) uitgelegd hoe de evenredigheid van een voorschrift kan worden vastgesteld. Een nationale regel die een beperking inhoudt van de vrije dienstverrichting die een doel van algemeen belang nastreeft, kan slechts toelaatbaar zijn indien deze maatregel geschikt is om de verwezenlijking daarvan te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.
Het beroep van de exploitant De arbeids- en verhuurvoorwaarden De toepasselijke regelgeving 32. Uit hoofdstuk 2 Misstanden in de prostitutie van de Nota van Uitgangspunten 2012-2017 komt naar voren dat een van de categorieën waarin misstanden zijn waargenomen de arbeidsomstandigheden van de prostituees betreffen. Voorbeelden hiervan zijn het verplichten van dubbele shifts en minimale huurperiodes voor prostituees. In paragraaf 4.2 Aanpak categorie III: onacceptabele situaties, wordt een aantal maatregelen genoemd die getroffen zouden kunnen worden om deze misstanden tegen te gaan. Bijvoorbeeld het instellen van een maximale werkdag of het verbieden van het verhuren van dubbele shifts of het verhuren voor langere periodes achtereen. Verder blijkt uit dit document dat de vergunningvoorschriften zo worden aangepast dat dergelijke situaties beter zijn aan te pakken. De exploitant wordt verplicht gesteld in het bedrijfsplan op te nemen welke maatregelen hij neemt om dergelijke situaties te voorkomen.
Hanteert u shifts in uw bedrijf? Zo ja, welke shifts?
Welke afspraken maakt u over betaling bij afwezigheid door bijv. ziekte, zwangerschap, vakantie, e.d.?”
Het geschil 37. Partijen verschillen erover van mening of de door verweerder geëiste arbeids- en verhuurvoorwaarden evenredig zijn. Partijen verschillen voornamelijk van mening over de eis van verweerder dat een prostituee niet langer dan zes dagen aaneengesloten en maximaal elf uur per dag een kamer mag huren.
De standpunten van partijen 38. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, het verweerschrift en op de zitting op het standpunt gesteld dat met deze eis wordt voorkomen dat sekswerkers onredelijk lange dagen en extreem lange werkweken maken. Gebleken is dat het structureel maken van lange werkdagen of lange werkweken een mogelijke indicatie is voor uitbuiting en/of mensenhandel. In de APV is gekozen voor open normen, maar hier werd misbruik van gemaakt door de exploitanten. Daarom heeft verweerder ervoor gekozen om een streep te trekken bij maximaal zes dagen achtereen en maximaal elf uur per dag. Van de eis van verhuur maximaal zes dagen achtereen mag in incidentele gevallen worden afgeweken. Ter zitting heeft verweerder erkend dat diverse exploitanten redelijke voorstellen hebben gedaan in hun bedrijfsplannen, maar dat er toch voor is gekozen om voor alle exploitanten één en dezelfde eis te stellen.
Beoordeling rechtbank 40. De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad in de APV en de artikelsgewijze toelichting op de APV heeft geregeld dat uit het bedrijfsplan moet blijken onder welke arbeids- en verhuurvoorwaarden de sekswerkers werken. Hieronder vallen in ieder geval de minimale en maximale verhuurperiodes, de verhuurprijzen en de annuleringsvoorwaarden. De rechtbank stelt voorts vast dat uit de APV geen specifieke regels voor de arbeids- en verhuurvoorwaarden blijken. Zoals verweerder ook ter zitting heeft erkend, was het de bedoeling om de arbeids- en verhuurvoorwaarden op individueel niveau te regelen. Uit de brieven van verweerder van 16 juli 2014, 25 september 2014 en 8 december 2014 blijkt echter dat verweerder niet langer van individuele regelingen uitgaat maar specifieke eisen stelt met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, namelijk dat maximaal elf uur per dag en zes dagen per week mag worden verhuurd aan een en dezelfde sekswerker, incidentele uitzonderingen daargelaten.
Het intakegesprek en de taaleis De toepasselijke regelgeving 49. In paragraaf 4.1.2 van de Nota van Uitgangspunten 2012-2017 is neergelegd dat het feit dat een prostituee geen gangbare westerse taal spreekt, een aanwijzing kan zijn dat zij het werk niet uit vrije wil doet. Het intakegesprek vormt het instrument om dit vast te stellen. Het is ook denkbaar dat de exploitant andere maatregelen voorstelt die hetzelfde effect sorteren.
Het geschil 53. Partijen verschillen van mening of de verplichte intake en de taaltoets evenredig zijn.
Standpunten van partijen 54. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, het verweerschrift en op de zitting op het standpunt gesteld dat met de verplichte intake en de taaleis een dwingende reden van algemeen belang wordt nagestreefd, namelijk het voorkomen van mensenhandel en/of uitbuiting. Er wordt hier een barrière opgeworpen. Door middel van een gesprek kunnen sekswerkers de exploitant rechtstreeks en persoonlijk op de hoogte brengen van elk gegeven dat op het bestaan van criminele activiteiten kan wijzen. Het middel is dus geschikt voor het nagestreefde doel. De exploitant heeft een algemene zorgplicht om gedwongen prostitutie te voorkomen. Dat het wellicht lastig is om signalen van mensenhandel te herkennen, neemt dit niet weg. Er is geen alternatief aanwezig.
De taaleis is niet absoluut. Uit de Memo Zelfredzaamheid blijkt dat ook op een andere manier kan worden aangetoond dat de prostituee zelfredzaam is. Het ligt wel op de weg van de exploitant om dit te doen. Op de zitting heeft verweerder, naar aanleiding van het standpunt van de exploitant hierover, aangegeven dat ook een erkende tolk kan worden ingeschakeld om te communiceren met de sekswerker.
Beoordeling rechtbank 56. De rechtbank stelt vast dat de APV alleen het intakegesprek regelt. De taaleis wordt in het beleid gesteld en is een onderdeel van het intakegesprek. Daarbij blijkt uit de APV dat het intakegesprek ertoe dient dat de exploitant zich ervan vergewist dat sprake is van zelfredzaamheid. Uit de Artikelsgewijze toelichting bij de APV volgt echter dat het doel van het intakegesprek is dat de exploitant zich ervan vergewist dat geen sprake is van dwang.
Indicatoren van mensenhandel (dwang en uitbuiting) Taalvaardigheid Kennis van rechten en plichten Gezondheid (fysiek en geestelijk) Verslaving Verstandelijk (cognitief) vermogen en/of laaggeletterdheid 58. Uit hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht maakt de rechtbank op dat de intake en de taaleis tot doel hebben om mensenhandel en uitbuiting te voorkomen. Zoals hierboven overwogen in rechtsoverweging 30 dient de rechtbank na te gaan of deze voorschriften geschikt zijn om het doel te verwezenlijken en indien dat het geval is, of ze niet verder gaan dan strikt noodzakelijk om dat doel te verwezenlijken. De rechtbank zal hierbij de intake en de taaleis apart beoordelen. De exploitant heeft ook aparte gronden tegen deze voorschriften aangevoerd.
Intake 59. De rechtbank is van oordeel dat het verplichte intakegesprek op de wijze waarop dat door verweerder is vormgegeven niet geschikt is om het door verweerder gestelde doel te bereiken. Onder verwijzing naar het door de exploitant aangehaalde WODC-rapport, het Verdrag en de Memorie van Toelichting bij de Wrp stelt de rechtbank vast dat het, ook voor professionals, zeer moeilijk is om mensenhandel te herkennen. In de Memorie van Toelichting bij de Wrp is opgenomen dat het onderscheid tussen vrijwilligheid, onvrijwilligheid en slachtofferschap in de praktijk dikwijls moeilijk blijkt vast te stellen. Om slachtofferschap vast te stellen is het vaak nodig om verschillende signalen te combineren.
Soms blijkt slachtofferschap pas nadat de sekswerker is gaan werken. Veelal kan eerst na meerdere malen intensief met de sekswerker te hebben gesproken en bijvoorbeeld in kaart te hebben gebracht met wie de sekswerker contacten onderhoudt, een vermoeden van onvrijwilligheid worden vastgesteld. Het WODC heeft de manieren waarop contactmomenten met sekswerkers in Utrecht, Den Haag en Amsterdam zijn ingericht in kaart gebracht. Het WODC trekt ten aanzien van de situatie in Amsterdam onder meer de conclusie dat de intakegesprekken niet direct een bijdrage lijken te leveren aan een verbetering van de positie van sekswerkers. Daarbij neemt het WODC in aanmerking dat exploitanten niet getraind zijn in het herkennen van signalen van uitbuiting en mensenhandel.
Ook wordt in het rapport verwezen naar onderzoek van Zuidema en stukken van de gemeente Amsterdam waaruit naar voren komt dat de rechtspositie van sekswerkers juist ten opzichte van de exploitant slecht is. Het is in dat licht opmerkelijk dat sekswerkers juist exploitanten moeten voorzien van persoonlijke informatie. Bovendien wordt de bemoeienis van exploitanten met de werkzaamheden van sekswerkers en de afhankelijkheid van exploitanten als misstand gezien. In dit kader is voorts van belang dat exploitanten op grond van de APV hun vergunning kunnen verliezen wanneer achteraf blijkt dat het verwijtbaar is dat zij in een intakegesprek met een sekswerker signalen van mensenhandel hebben gemist.
Daarover is in een rapport uit 2014 van Privacy Management Partners opgemerkt dat dit problematisch ligt omdat ‘vanuit verschillende hoeken wordt aangegeven dat één gesprek vaak niet volstaat om mensenhandel te kunnen vermoeden. De rechtbank vraagt zich dan ook af of van exploitanten, als niet-professionals, kan worden verwacht dat zij, via het intakegesprek, signalen van mensenhandel herkennen, op straffe van verlies van hun vergunning. Zoals de exploitant ook heeft aangegeven op de zitting, is de exploitant niet getraind in goede ondervragingstechnieken om echt te kunnen doorvragen. Deze grond slaagt.
Taaleis 60. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in het kader van het beoordelen van zelfredzaamheid wel een taaleis kan stellen. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van het HvJEU van 1 oktober 2015 en de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016. De taaleis is geschikt voor de naleving van de zorgplicht. Het is immers van belang dat zowel de sekswerkers als de exploitant met elkaar kunnen communiceren in een voor hen begrijpelijke taal. Dit draagt ook bij aan de signaalfunctie van de exploitant in verband met gedwongen prostitutie en mensenhandel. Indien exploitant en sekswerker niet met elkaar kunnen communiceren in een voor beiden begrijpelijke taal, zal het voor de exploitant erg moeilijk zijn om signalen van mensenhandel op te pakken. De rechtbank is voorts van oordeel dat het voorschrift noodzakelijk is om het doel, het voorkomen van mensenhandel en uitbuiting, te voorkomen. De rechtbank volgt exploitant niet in haar betoog dat er andere, minder verstrekkende, middelen zijn om het doel te bereiken. Anders dan de exploitant heeft gesteld sluit het voorschrift het genoemde voorbeeld van communiceren in een andere taal die zowel de exploitant als de sekswerker machtig zijn niet uit. Bovendien heeft verweerder op de zitting aangegeven dat communicatie middels een erkende tolk ook tot de mogelijkheden behoort.
Toezicht De toepasselijke regelgeving 61. In paragraaf 4.1.4 van de Nota van Uitgangspunten 2012-2017 is neergelegd dat de exploitant voldoende toezicht moet houden op het prostitutiebedrijf. Hieraan kan invulling worden gegeven via een aanwezigheidsplicht. In het bedrijfsplan moet aangegeven worden hoe de exploitant hieraan invulling geeft. De aanwezigheidsplicht dient nog nader uitgewerkt te worden. Onvoldoende toezicht kan een reden zijn om de vergunning in te trekken.
In het bedrijfsplan dient de exploitant concrete maatregelen te omschrijven die maken dat sprake is van voldoende toezicht. Tijdens de openingstijden dient de exploitant goed bereikbaar te zijn voor de prostituees, de toezichthouders en omwonenden. De exploitant dient te beschikken over een kantoorruimte in of in de nabijheid van het raamprostitutiebedrijf en dient, indien een overtreding geconstateerd wordt, binnen twaalf minuten aanwezig te zijn. Om signalen van misstanden en onveilige situaties te ontdekken is het nodig dat de exploitant regelmatig de situatie ter plekke peilt door een rondje te lopen langs de werkruimtes. Hiervan moet een verslag worden opgemaakt in een journaal.
Kleine ondernemers kunnen gebruik maken van hetzelfde kantoor en/of dezelfde leidinggevende om aan de toezichtstaak te voldoen.
Cameratoezicht kan een aanvullend middel zijn om bedreigende situaties snel te ontdekken.
Het geschil 65. Partijen verschillen erover van mening of de te lopen toezichtrondes en de eis dat de exploitant binnen twaalf minuten aanwezig dient te zijn evenredig is.
Standpunten van partijen 66. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, het verweerschrift en op de zitting op het standpunt gesteld dat met de toezichtrondes en het voorschrift dat de exploitant binnen twaalf minuten aanwezig moet zijn een dwingende reden van algemeen belang wordt nagestreefd. Fysieke aanwezigheid is nodig om goed toezicht te kunnen houden. Hiervan gaat een bepaalde preventieve werking uit, die niet uitgaat van cameratoezicht. Daarbij kan door fysiek toezicht meer worden waargenomen. Camera’s mogen bijvoorbeeld niet op de openbare weg gericht zijn, terwijl de exploitanten ook een verantwoordelijkheid hebben om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord. Uit het toezichtjournaal blijkt hoe de exploitant toezicht houdt en of dit op orde is. Door het voorschrift dat een exploitant binnen twaalf minuten aanwezig moet kunnen zijn is de exploitant goed aanspreekbaar voor de gemeentelijke toezichthouders.
Beoordeling rechtbank 68. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de exploitant zien op twee aspecten van de verplichting om toezicht te houden, namelijk het verplicht lopen van toezichtrondes en de bevindingen daarvan noteren in een toezichtjournaal alsmede de verplichting om bij calamiteiten binnen twaalf minuten aanwezig te zijn. De rechtbank zal deze twee aspecten apart bespreken.
Toezichtrondes 69. De rechtbank stelt vast dat verweerder op de zitting heeft aangegeven dat er geen minimumnorm bestaat voor het aantal te lopen toezichtrondes. De rechtbank stelt voorts vast dat op de zitting is gebleken dat de invulling van het aantal toezichtrondes verschilt per exploitant. Gebleken is dat de ene exploitant drie rondes per shift loopt, terwijl de andere vijf rondes per shift loopt. Weer een andere exploitant heeft in het bedrijfsplan opgenomen dat in de avond en nacht elk uur toezichtrondes worden gelopen.
Twaalf minuten norm 73. De rechtbank stelt vast dat het voorschrift om binnen twaalf minuten aanwezig te zijn niet is vastgelegd in de APV maar volgt uit het beleid van verweerder. Uit de Memo Beleidsregels blijkt dat het binnen twaalf minuten aanwezig kunnen zijn twee verschillende doelen dient. Namelijk het ‘zorg dragen voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf’ en het ‘voorkomen van mensenhandel’. Bij het doel ‘zorg dragen voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf’ is opgenomen dat het noodzakelijk kan zijn dat als een toezichthouder een overtreding constateert, de exploitant zich binnen korte tijd, te weten binnen twaalf minuten, bij het desbetreffende raam vervoegt. Onder het kopje ‘voorkomen van mensenhandel’ is opgenomen dat de exploitant toezicht dient te houden vanuit kantoor en dat de panden op maximaal 500 meter van het kantoor moeten liggen. Dit betekent dat de exploitant binnen maximaal twaalf minuten vanaf elk raam naar een ander raam kan lopen.
Hygiëne Toepasselijke regelgeving 76. In de Nota van Uitgangspunten 2012-2017 is in paragraaf 4.1.4. opgenomen dat de exploitant verplicht wordt om te voldoen aan (landelijke) hygiënerichtlijnen. De Gemeentelijke Gezondheidsdienst (hierna: GGD) dient hierop te controleren.
Het geschil 79. Partijen verschillen erover van mening of de hygiënevoorschriften zoals die zijn neergelegd in de APV en de vergunning evenredig zijn.
Standpunten van partijen 80. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, het verweerschrift en op de zitting op het standpunt gesteld dat sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. In de Hygiënerichtlijn staan minimale eisen om het risico op seksueel overdraagbare aandoeningen en andere infectieziekten zoveel mogelijk te beperken. Indien de exploitant een vergelijkbaar of beter alternatief aandraagt, wordt dit door de toezichthouder beoordeeld en indien met de voorgestelde maatregel hetzelfde resultaat behaald kan worden, wordt dit alternatief geaccepteerd. De exploitant is verantwoordelijk voor het naleven van de Hygiënerichtlijn. De exploitant dient hierover afspraken te maken met de sekswerkers, maar de exploitant is eindverantwoordelijke.
Beoordeling rechtbank 82. De rechtbank stelt allereerst vast dat op de zitting is gebleken dat een verschil bestaat tussen de uitvoering in de praktijk en hoe het op papier staat. Door de toelichting van mevrouw [naam 13] van de GGD is gebleken dat in de praktijk op onderdelen soepeler wordt omgegaan met niet precieze naleving van het hygiëneplan, dan blijkt uit de APV en de strikte formulering van de Hygiënerichtlijn. Omdat echter de APV en de vergunningen leidend zijn, zal de rechtbank hiervan uit gaan. Immers, de handhavingspraktijk kan op dit moment wel soepeler zijn, maar er is geen garantie dat dat zo blijft. Bovendien is op de zitting gebleken dat de wijze waarop naleving van de Hygiënerichtlijn door verweerder wordt gecontroleerd niet op schrift is vastgesteld.
Het beroep van de sekswerkers 88. Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de gronden van de sekswerkers die zijn aangevoerd tegen de Dienstenrichtlijn geen bespreking behoeven. De beroepsgronden van de sekswerkers zijn gelijk aan de gronden die door de exploitant naar voren zijn gebracht.
Conclusie 89. Uit het bovenstaande volgt dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd heeft. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond. De rechtbank zal de overige gronden wel bespreken in het kader van de finale geschilbeslechting.
Ten aanzien van artikel 16 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie 90. Volgens artikel 16 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) wordt de vrijheid van ondernemerschap erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.
Ten aanzien van strijd met privacywetgeving Standpunten van partijen 93. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van verwerking van bijzondere persoonsgegevens in de zin van artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) omdat de gegevens die worden vastgelegd in het intakegesprek, vervolggesprek en de dagelijkse toezichtrondes onder meer het seksuele leven van de sekswerker betreffen. Het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken is volgens artikel 16 van de Wbp niet van toepassing voor zover dit geschiedt met uitdrukkelijke toestemming van betrokkene en/of die gegevens door betrokkene zelf openbaar zijn gemaakt. Hier is volgens verweerder sprake van. De sekswerkers hebben zich als zodanig gemeld bij de exploitant middels het aangaan van een huurovereenkomst en opereren daarnaast in een omgeving waarin geen twijfel kan bestaan over de aard van de aangeboden werkzaamheden.
Het openlijk uitoefenen van het vak van sekswerker kan niet anders worden gezien dan als gedrag waarmee toestemming wordt gegeven om gegevens over die activiteit te verwerken. Daarnaast kan dit ook niet anders worden gezien dan als het duidelijk openbaar maken van die gegevens door de betrokkene. Dat daarmee het persoonsgegeven van het zijn van sekswerker ook bekend wordt bij toezichthouders van de gemeente, is inherent aan het feit dat de prostitutiebranche onderhevig is aan een vergunningstelsel waarop toezicht moet worden gehouden. Dit gevolg is ook voorzienbaar voor de sekswerkers. Daarnaast biedt artikel 151a, eerste lid, van de Gemeentewet een grondslag voor de uitzondering op het verbod om persoonsgegevens te verwerken.
De exploitant is voor de verwerking van deze persoonsgegevens de verantwoordelijke als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Wbp. Op de exploitant rust dan ook de verplichtingen uit de Wbp, in het bijzonder de plicht tot het treffen van passende technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen, aldus verweerder.
Beoordeling rechtbank 95. Niet in geschil is dat het professionele seksuele leven van de sekswerkers moet worden beschouwd als een bijzonder persoonsgegeven in de zin van artikel 16 van de Wbp.
Artikel 23 van de Wbp bevat een aantal gronden die het verwerken van gevoelige gegevens mogelijk maakt. Onderdeel a maakt het mogelijk om met uitdrukkelijke toestemming van de sekswerker bijzondere persoonsgegevens te verwerken. Gelet op de definitie van het begrip toestemming van de betrokkene in artikel 1, aanhef en onder i, van de Wbp en de toelichting daarop moet het gaan om een vrije, expliciet gegeven toestemming die de sekswerker slechts kan geven als zij vooraf is ingelicht over het doel, de inhoud en de mogelijke consequenties van de gegevensverwerking. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke rechtsgeldige toestemming geen sprake is als de sekswerker een huurovereenkomst aangaat met een raamexploitant. Dat een sekswerker weet dat de raamexploitant vastlegt dat hij/zij sekswerker is, maakt niet dat de sekswerker daarmee de uitdrukkelijke wens heeft geuit dat deze gegevens voor andere doeleinden zouden worden gebruikt dan voor het afsluiten van een huurovereenkomst. Nergens blijkt uit dat de wilsuiting van de sekswerker betrekking heeft op openbaarmaking van gegevens betreffende zijn/haar seksuele leven ten behoeve van het vergunningstelsel van verweerder. Evenmin heeft de sekswerker daarmee de uitdrukkelijke wens geuit tot openbaarmaking van deze gegevens bij een ander dan de exploitant, zoals bij (de toezichthouders van) verweerder.
Zoals bij de uitzonderingsgrond in onderdeel a, ligt de rechtvaardigingsgrond bij de uitzonderingsgrond in onderdeel b voor de ontheffing besloten in het handelen of het gedrag van de betrokkene zelf. Dat de gegevens openbaar zijn, moet volgen uit het gedrag van de betrokkene waaruit de intentie om openbaar te maken uitdrukkelijk blijkt. Het is weliswaar zo dat de sekswerkers openbaar hun vak uitoefenen omdat zij achter de ramen staan aan een openbare weg, echter, het is niet zo dat de sekswerkers hierbij hun identiteit kenbaar maken. De gegevens betreffende het seksuele leven van de sekswerker kunnen daarom niet op grond van onderdeel b worden verwerkt om de enkele reden dat de sekswerker in de raamprostitutie werkt. Er is dan ook geen sprake van de uitzonderingsgronden zoals genoemd in artikel 23, eerste lid, onder a en onder b, van de Wbp.
Ten aanzien van artikel 19, derde lid, van de Grondwet 102. Volgens artikel 19, derde lid, van de Grondwet wordt het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.
Ten aanzien van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM 104. Deze grond is slechts aangevoerd door de exploitant die – verkort weergegeven – stelt dat de vergunning en de daaraan verbonden voorwaarden bepalend zijn voor hoe het bedrijf en ook het pand waarvan de ramen worden verhuurd, als eigendom kan worden gebruikt. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een inmenging in het eigendomsrecht. In geschil is de vraag of deze inmenging gerechtvaardigd is. Partijen verschillen van mening of sprake is van een ‘fair balance’ tussen de belangen van verweerder enerzijds en de belangen van de exploitant anderzijds.
Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel 108. In geschil is de vraag of het onderscheid dat wordt gemaakt tussen raamprostitutiebedrijven en andere exploitatievormen van prostitutiebedrijven, zoals escortbedrijven, gerechtvaardigd is.
Ten aanzien van het verbod van willekeur 112. De exploitant heeft voorts aangevoerd dat verweerder willekeurig handelt door niet eenduidig te handhaven op de voorwaarden. Bij dezelfde soorten overtredingen door diverse exploitanten wordt door verweerder verschillend opgetreden.
Ten aanzien van de proceskosten in bezwaar 114. In geschil is verder nog de vraag of verweerder had moeten overgaan tot een gedeeltelijke vergoeding van de proceskosten in bezwaar. De exploitant en de sekswerkers hebben hiertoe aangevoerd dat verweerder pas in het bestreden besluit heeft erkend dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is. Verweerder had dan ook op dit punt het bezwaar gegrond moeten verklaren en de kosten moeten vergoeden. Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat de primaire besluiten bestaan uit verleende vergunningen, die niet verder zijn gemotiveerd. Het al dan niet van toepassing zijn van de Dienstenrichtlijn is in die besluiten niet aan de orde gekomen. Daarbij was de reden om de Dienstenrichtlijn van toepassing te achten niet gelegen in wat in bezwaar naar voren is gebracht, maar in de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016.
Conclusie van de rechtbank 116. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eisers te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.485,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, voorzitter, en mr. P. Vrugt en mr. L.Z. Achouak el Idrissi, leden, in aanwezigheid van mr. J.C.E. Krikke en J.G.J. Geerlings, griffiers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2017. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Bijlage: juridisch kader Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Artikel 49 luidt als volgt:
In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd.
De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.
Artikel 56 luidt als volgt:
In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de Unie zijn gevestigd.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Artikel 16 luidt als volgt:
De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.
Artikel 52, voor zover relevant, luidt:
Richtlijn 2006/123/EG De Dienstenrichtlijn Artikel 4 luidt, voor zover relevant, als volgt:
Artikel 9 luidt, voor zover relevant, als volgt:
Artikel 10 luidt, voor zover relevant, als volgt:
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) Artikel 8 luidt als volgt:
Eerste Protocol bij het EVRM Artikel 1 luidt als volgt:
Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.
Grondwet Artikel 10 luidt als volgt:
Artikel 19 luidt als volgt:
Algemene wet bestuursrecht Artikel 1:2 luidt, voor zover relevant, als volgt:
Artikel 8:1 luidt als volgt:
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Gemeentewet Artikel 149 luidt als volgt:
De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt.
Artikel 151a luidt als volgt:
Wet bescherming persoonsgegevens Artikel 1 luidt, voor zover relevant, als volgt:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; b. Verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens; d. verantwoordelijke: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of ieder ander die of het bestuursorgaan dat, alleen of te zamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; i. Toestemming van de betrokkene: elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting waarmee de betrokkene aanvaardt dat hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt; k. het College bescherming persoonsgegevens of het College: het College als bedoeld in artikel 51.
Artikel 6 luidt als volgt:
Persoonsgegevens worden in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt.
Artikel 8 luidt als volgt:
Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien: a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend; b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst; c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is; d. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijk onderworpen is; e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publieke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.
Artikel 9 luidt, voor zover relevant, als volgt:
Artikel 16 luidt als volgt:
De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging is verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag.
Artikel 23 luidt als volgt:
Algemene plaatselijke verordening gemeente Amsterdam Hoofdstuk 3 Paragraaf 4.1 Prostitutiebedrijven Artikel 3.27 Exploitatie van een prostitutiebedrijf 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een prostitutiebedrijf te exploiteren.
Artikel 3.28 Bedrijfsplan 1. Bij het indienen van een aanvraag om een vergunning voor een prostitutiebedrijf wordt naast het aanvraagformulier een bedrijfsplan overgelegd, waarin het bedrijfsbeleid wordt beschreven ten aanzien van de hygiëne, de gezondheid, het zelfbeschikkingsrecht, de zelfredzaamheid, de veiligheid en de arbeidsomstandigheden van de in het bedrijf werkzame prostituees, alsmede de veiligheid en de gezondheid van klanten.
Artikel 3.29 Eisen aan de exploitant en de leidinggevende 1. De exploitant en de leidinggevende van een prostitutiebedrijf: a. staan niet onder curatele of bewind en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
Artikel 3.30 Verplichtingen van de exploitant en de leidinggevende 1. De exploitant en de leidinggevende dragen er zorg voor dat: a. in het prostitutiebedrijf geen prostituees werkzaam zijn die slachtoffer zijn van mensenhandel of van andere vormen van uitbuiting; b. met iedere prostituee een intakegesprek wordt gevoerd, waarbij de exploitant zich ervan dient te vergewissen dat de prostituee voldoende zelfredzaam is; c. vermoedens van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting worden gemeld bij de politie; d. in het bedrijf uitsluitend prostituees werkzaam zijn die gerechtigd zijn tot het verrichten van arbeid, in het bezit zijn van een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel en die, voor zover zij daartoe verplicht zijn, zijn ingeschreven in het handelsregister; e. in het bedrijf geen prostituees werkzaam zijn die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt; f. de voorwaarden waaronder de prostituees werkzaam zijn, schriftelijk worden vastgelegd en de prostituees daarvan een voor ontvangst getekende kopie ontvangen en g. de in het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs zelf hun werktijden kunnen bepalen.
Artikel 3.31 Bedrijfsadministratie 1. De exploitant draagt er zorg voor dat een actuele bedrijfsadministratie wordt bijgehouden waarin in ieder geval gegevens zijn opgenomen van de in het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de verhuuradministratie en afschriften van getekende intakeformulieren.
Artikel 3.32 Bijzondere weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert een vergunning als: a. de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.29 gestelde eisen; b. het prostitutiebedrijf niet in een gebouw wordt gevestigd; c. het prostitutiebedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet is verleend of d. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in hoofdstuk 6A van de Bouwverordening ontbreekt.
Artikel 3.33 Leidinggevende 1. Als de exploitant niet alleen voor het toezicht in het prostitutiebedrijf zorgt dan wel daarvoor niet of in onvoldoende mate kan zorgen, wordt op de vergunning vermeld wie leidinggevende is in het bedrijf.
Artikel 3.34 Openingstijden raamprostitutiebedrijf 1. Het is verboden een raamprostitutiebedrijf voor bezoekers geopend te houden of daarin bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan van 08.00 tot 06.00 uur.
Artikel 3.35 Afwijkende openingstijden prostitutiebedrijf De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de veiligheid, de gezondheid, de bescherming van prostituees, of ter voorkoming of beperking van overlast de openingstijden van een prostitutiebedrijf beperken.
Artikel 3.36 Bijzondere intrekkingsgronden 1. De burgemeester kan een vergunning voor een prostitutiebedrijf intrekken als: a. in het bedrijf prostituees werkzaam zijn in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; b. in het bedrijf prostituees werkzaam zijn die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, of die niet voldoen aan de in artikel 3.30, eerste lid onder d, genoemde eisen. c. aannemelijk is dat in het bedrijf prostituees werkzaam zijn die het slachtoffer zijn van mensenhandel, dan wel onvoldoende zelfredzaam zijn; d. de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.29 gestelde eisen. e. het bedrijfsplan onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de prostituees of niet voldoet aan bij of krachtens artikel 3.28 gestelde regels; f. de exploitant of de leidinggevende het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.30, 3.31, 3.33, tweede lid, 3.34 of 3.38 niet of onvoldoende naleeft; g. in het prostitutiebedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de orde of veiligheid in of om het prostitutiebedrijf; h. de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het prostitutiebedrijf; i. in strijd wordt gehandeld met door het college gestelde nadere regels als bedoeld in artikel 3.39; j. de exploitant of de leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; k. in het prostitutiebedrijf een escortbedrijf is gevestigd waarvan de vergunning is ingetrokken dan wel dat met toepassing van artikel 2.10 of artikel 3.37 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten;
Artikel 3.37 Sluiting prostitutiebedrijf 1. De burgemeester kan de sluiting van een prostitutiebedrijf bevelen als het belang van de bescherming van de prostituees, de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid dat naar zijn oordeel vereist.
Artikel 3.38 Adverteren 1. De exploitant of de leidinggevende van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat in advertenties voor het bedrijf de naam van het bedrijf en het nummer van de exploitatievergunning worden vermeld.
Artikel 3.39 Nadere regels 1. Het college kan voor prostitutiebedrijven nadere regels stellen in het belang van de vrijheid, de veiligheid, de gezondheid of de arbeidsomstandigheden van de prostituees, de volksgezondheid, het voorkomen van strafbare feiten, het voorkomen of beperken van overlast of het voorkomen van aantasting van het woon- en leefklimaat.
Paragraaf 4.2 Escortbedrijven Artikel 3.40 Exploitatie van een escortbedrijf 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een escortbedrijf te exploiteren.
Artikel 3.41 Gebondenheid aan adres De exploitatie van een escortbedrijf is gebonden aan het adres dat op de vergunning is vermeld.
Artikel 3.42 Schakelbepaling De artikelen 3.28, 3.29, 3.30, eerste lid, 3.30 derde tot en met zesde lid, 3.30 achtste lid, 3.31, 3.33 en 3.37 zijn van overeenkomstige toepassing op escortbedrijven.
Artikel 3.43 Bijzondere weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert een vergunning als: a. het escortbedrijf wordt gevestigd in een voor het publiek toegankelijk gebouw, behalve wanneer het een prostitutiebedrijf betreft waarvoor op grond van artikel 3.27, eerste lid, vergunning is verleend; b. het escortbedrijf wordt gevestigd in een prostitutiebedrijf dat met toepassing van artikel 2.10 of artikel 3.37 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten; c. het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet is verleend, of d. de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.29 gestelde eisen.
Artikel 3.44 Bijzondere intrekkingsgronden De burgemeester kan een vergunning voor een escortbedrijf intrekken als: a. in het bedrijf prostituees werkzaam zijn in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; b. in het bedrijf prostituees werkzaam zijn die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, of die niet voldoen aan de in artikel 3.30, eerste lid onder d, genoemde eisen. c. aannemelijk is dat in het bedrijf prostituees werkzaam zijn die het slachtoffer zijn van mensenhandel, dan wel onvoldoende zelfredzaam zijn; d. de exploitant of de leidinggevende niet langer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.29 gestelde eisen; e. het bedrijfsplan onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de prostituees of niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 3.28 gestelde regels; f. de exploitant of de leidinggevende het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.30, 3.31, 3.33, tweede lid, 3.41of 3.45 niet of onvoldoende naleeft; g. in het escortbedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de orde of veiligheid in of om het escortbedrijf; h. de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het escortbedrijf ; i. in strijd wordt gehandeld met door het college gestelde nadere regels als bedoeld in artikel 3.46; j. de exploitant of de leidinggevende het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; k. het escortbedrijf is gevestigd in een prostitutiebedrijf waarvan de vergunning op grond van artikel 3.36 is ingetrokken of dat met toepassing van artikel 2.10 of artikel 3.37 van deze verordening dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten; l. het escortbedrijf is gevestigd in een voor het publiek toegankelijk gebouw, behalve wanneer het een prostitutiebedrijf betreft waarvoor op grond van artikel 3.27, eerste lid, vergunning is verleend.
Artikel 3.45 Adverteren 1. De exploitant of de leidinggevende van een escortbedrijf vermeldt bij het adverteren met het bedrijf de naam van het bedrijf en het nummer van de exploitatievergunning.
Artikel 3.46 Nadere regels Het college kan voor escortbedrijven nadere regels stellen in het belang van de vrijheid, de veiligheid, de gezondheid of de arbeidsomstandigheden van de prostituees, de volksgezondheid, het voorkomen van strafbare feiten, het voorkomen of beperken van overlast of het voorkomen van aantasting van het woon- en leefklimaat.
Kamerstukken II, vergaderjaar 1996-1997, 25 437, nr. 3, p. 5.
Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5093 en van 25 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK4306.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB8396.
Kamerstukken II, vergaderjaar 1998-1999, 25 437, nr. 18.
Kamerstukken II, vergaderjaar 1996-1997, 25 437, nr. 3, p. 6 en 7.
Kamerstukken II, vergaderjaar 1997-1998, 25 437, nr. 5, p. 7.
ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785.
Kamerstukken II, vergaderjaar 1998-1999, 25 437, nr. 19, p. 4.
ECLI:NL:CRVB:2006:AV1414 en ECLI:NL:CRVB:2008:BF4591.
Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
ECLI:NL:RVS:2014:2495.
Zie de rechtsoverwegingen 6.1 – 6.3 van de uitspraak van 9 juli 2014.
Zie de rechtsoverwegingen 6.4 – 6.8 van de uitspraak van 9 juli 2014.
HvJEU, 1 oktober 2015, C-341/14. Zie onder andere rechtsoverweging 41.
Zie rechtsoverweging 70 van het arrest [naam 14] .
ECLI:NL:RVS:2016:168.
WODC – Prostitutie in Nederland anno 2014, cahier 2015-1, www.wodc.nl. http://wetten.overheid.nl/BWBV0004138/2010-08-01.
Kamerstukken II, vergaderjaar 2009-2010, 32 211, nr. 3, p. 10.
Pagina 85 van het WODC-rapport.
Privacy Management Partners, Katus, S., & Versmissen, J.; 2014; PIA Wet regulering prostitutie: Privacy Impact Assessment van het wetsvoorstel Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranch (Wrp).
HvJEU, 1 oktober 2015, C-341/14.
ECLI:NL:RVS:2016:168.
Te vinden op http://www.rivm.nl/Onderwerpen/L/Landelijk_Centrum_Hygiene_en_Veiligheid_LCHV/LCHV_Richtlijnen/Seksbedrijven.
Privacy Management Partners, Katus, S., & Versmissen, J.; 2014; PIA Wet regulering prostitutie: Privacy Impact Assessment van het wetsvoorstel Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranch (Wrp).
Zie onder andere het arrest van het EHRM van 2 juli 2013, nr. 27126/11, [naam 15] tegen Nederland.
ECLI:NL:RVS:2016:168.
Zie onder andere de uitspraak van de CRvB van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3123.