RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 6130115 KK EXPL 17-695 vonnis van: 7 augustus 2017 vonnis van de kantonrechterkort geding I n z a k e [eiser] wonende te [woonplaats] eiser nader te noemen: [eiser] gemachtigde: mr. L. van de Vrugt t e g e n de stichting Stichting Zaam, Interconfessioneel Voortgezet Onderwijs gevestigd te Amsterdam gedaagde nader te noemen: Zaam gemachtigde: mr. J.A. Keijser VERLOOP VAN DE PROCEDURE Bij dagvaarding van 11 juli 2017 met producties heeft [eiser] een voorziening gevorderd. Ter terechtzitting van 24 juli 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Zaam is verschenen bij mevrouw [naam voorzitter] , voorzitter van het College van Bestuur, de heer [naam directeur] , schooldirecteur en de heer [naam adviseur] , adviseur, vergezeld door de gemachtigde. Zaam heeft op voorhand stukken en een conclusie van antwoord in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, [eiser] aan de hand van pleitnotities van de gemachtigde. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Uitgangspunten 1. Als uitgangspunt geldt het volgende. 1.1. [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1961, is vanaf 1 maart 2001 bij ZAAM in dienst. 1.2. Het huidige salaris bedraagt € 4.504,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld en andere emolumenten. 1.3. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Voortgezet Onderwijs (verder: de CAO). 1.4. Artikel 18.4 van de CAO bepaalt onder meer het volgende: “1. Overplaatsing van de werknemer geschiedt in principe met instemming van de werknemer. 2. Onvrijwillige overplaatsing van de werknemer van de ene naar een andere instelling of instellingen van de werkgever is alleen mogelijk: a. in geval van een formatietekort op een bepaalde instelling (b,c,d…..) e. in andere door de werkgever met name genoemde zwaarwichtige omstandigheden; f. om een personele wisseling mogelijk te maken als bedoeld onder b, c, d en e. 3. De werkgever die het voornemen heeft om een werknemer over te plaatsen, treedt in overleg met de werknemer om te bezien onder welke condities de overplaatsing zal geschieden. De hierbij gemaakte afspraken worden schriftelijk vastgelegd. Indien geen overeenstemming wordt bereikt en de werkgever desalniettemin tot een onvrijwillige overplaatsing besluit, geeft deze bij zijn besluit aan op welke wijze hij de belangen van de werknemer en de belangen van de organisatie tegen elkaar heeft afgewogen.” 1.5. Vanaf de aanvang van het dienstverband tot juni 2015 was [eiser] werkzaam als LB docent rekenen/wiskunde op het [naam school 1] , één van de scholen die ZAAM exploiteert. Het [naam school 1] , inmiddels na een fusie het [naam school 1] geheten, is een reguliere VMBO-school, waarbij de docenten (over het algemeen) één vak geven aan meerdere klassen. 1.6. Nadat er volgens ZAAM een onwerkbare situatie was ontstaan tussen [eiser] enerzijds en de directeur en de teammanagers van het [naam school 1] anderzijds heeft er in 2015 een bemiddelingstraject plaats gevonden, gevolgd door een coachingstraject. 1.7. Vanaf september 2015 tot juli 2017 (met een korte onderbreking begin 2016) heeft [eiser] op vrijwillige basis als docent gewerkt op het [naam school 2] , eveneens een door ZAAM geëxploiteerde school. Het [naam school 2] is een “tussenvoorzieningsschool” en kan worden beschouwd als een verlengde basisschool, waarbij de docenten alle vakken geven aan één klas. 1.8. In een kort gedingprocedure ten overstaan van de kantonrechter te Amsterdam (KK 16-192) heeft [eiser] gevorderd weer tot zijn werkzaamheden als docent op het [naam school 1] te worden toegelaten en hem voorts zijn salaris (dat was ingehouden) weer te gaan betalen. 1.9. De kantonrechter heeft bij vonnis van 22 maart 2016 de loonvordering van [eiser] toegewezen, onder de voorwaarde dat [eiser] de werkzaamheden op het [naam school 2] weer zou hervatten. 1.10. Tegen het onder 1.9 bedoelde vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. De pleidooien in die zaak zijn gehouden in april 2017. Een arrest van het Hof wordt over enkele maanden verwacht. 1.11. [eiser] heeft de onder 1.9 bedoelde werkzaamheden, onder protest, hervat. 1.12. Bij brief van 27 juni 2016, die door [eiser] is opgevat als een besluit tot overplaatsing, heeft ZAAM aan [eiser] onder meer het volgende geschreven: “U gaf aan nog in afwachting te zijn van een formeel overplaatsingsbesluit, U verwees daarvoor naar de uitspraak van de kantonrechter waarin deze overwoog dat ZAAM daar eenvoudig toe over had kunnen gaan. Die overweging staat echter uitdrukkelijk in de context van de aanmerkingen van ZAAM op uw plotselinge en eenzijdige werkstaking. Inmiddels heeft u zich echter ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk bereid verklaard op het [naam school 2] te werken. Ik zie niet welke toegevoegde waarde een formeel overplaatsingsbesluit nog zou kunnen hebben. Dat u (nadien) hoger beroep hebt ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, maakt dat niet anders. Plaatsing op het [naam school 1] acht ik in de gegeven situatie echter uitgesloten. De arbeidsverhouding tussen u en de schoolleiding is onverminderd verstoord, en de situatie op die school vraagt om rust die geenszins gediend is met wat u uw ‘kritische betrokkenheid’ noemt. Daarbij komt dat het [naam school 1] per aankomend schooljaar met het [naam school 3] fuseert tot een nieuwe school met de heer [naam directeur] als directeur (met in de loop van het schooljaar te betrekken gezamenlijke nieuwe huisvesting In de loop van dat schooljaar), zodat terugplaatsing op uw oude school reeds om die reden uitgesloten is. Overplaatsing is thans alleen aan de orde in geval u geplaatst wordt op een andere school dan het [naam school 2] . Ik heb aangegeven daartoe bereid te zijn, gezien uw moeite met uw huidige school. Voorwaarde was daarvoor wel dat een nieuwe overplaatsing en structureel karakter zou hebben. Per mail en mondeling heeft u te kennen gegeven (uitsluitend) plaatsing op het [naam school 1] na te willen blijven streven. Daarmee is een overplaatsing gelet op het belang van continuïteit naar mijn mening niet opportuun. U blijft daarmee ook na einde van dit schooljaar geplaatst op het [naam school 2] . In het gesprek verzocht u tevens om vergoeding van de door u gemaakte kosten van rechtsbijstand. Los van het feit dat u een rechtsbijstandsverzekering hebt afgesloten, is u zowel in het kort geding als in de (ingetrokken) verzoekschriftprocedure een proceskostenvergoeding toegekend. Daar de intrekking van ons verzoekschrift voor u niet tot meerkosten heeft geleid, zie ik geen reden om een aanvullende vergoeding te betalen. Dit te meer daar ZAAM daarmee feitelijk toch de door u gewenste voortzetting van de rechtsstrijd zou faciliteren. Die rechtsstrijd acht ik noch in het belang van ZAAM, noch in dat van u. Afschrift van deze brief zond ik rechtstreeks aan uw advocaat, mevrouw Van de Vrugt.” 1.13. Tegen de onder 1.12 genoemde brief heeft [eiser] beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep voor het Christelijk Voortgezet Onderwijs en Hoger Beroepsonderwijs (verder: de Commissie van Beroep). 1.14. De Commissie van Beroep heeft bij uitspraak van 27 september 2016 het beroep van [eiser] gegrond verklaard. Zij heeft daarbij onder meer het volgende overwogen: “3.7 Op 4 maart 2016 heeft verweerster een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van appellant met verweerster ingediend bij de rechtbank Amsterdam, kamer voor kantonzaken, primair op grond van artikel 7:669, derde lid, onder e, van het Burgerlijk Wetboek (BW), subsidiair op grond van artikel 7:669, derde lid, onder g en h, van het BW. Bij schrijven van 6 april 2016 heeft verweerster het verzoek om ontbinding ingetrokken. Daarbij heeft zij als reden aangegeven dat appellant zich na het (hiervoor genoemde) vonnis van de kantonrechter van 22 maart 2016 bereid heeft verklaard zijn werkzaamheden op het [naam school 2] te hervatten, en dat hij wat betreft zijn instelling lering heeft getrokken uit het lopende coachingstraject. Verweerster wil appellant een herkansing bieden. Appellant heeft inmiddels zijn werkzaamheden op de school hervat, zodat er thans geen reden meer is het ontbindingsverzoek te handhaven, aldus het schrijven van 6 april 2016.“ en “Voorts treft de stelling van verweerster, dat in de brief van 27 juni 2016 geen overplaatsingsbesluit als bedoeld in artikel 18.4 van de CAO is vervat, geen doel. De Commissie overweegt daartoe het volgende. Het verrichten van werkzaamheden op het [naam school 2] droeg geen vrijwillig karakter, maar was op grond van het meergenoemde vonnis van de kantonrechter van 22 maart 2016 een voorwaarde voor loondoorbetaling. Zoals de kantonrechter heeft overwogen in zijn vonnis onder 9 (bij welke overweging de Commissie zich aansluit), gaat het niet aan eerst een medewerker te bewegen tot een vrijwillige overplaatsing om vervolgens, als hij daaraan heeft meegewerkt, daaraan het vrijwillig karakter te ontnemen. Dit vrijwillige karakter geeft [naam voorzitter] zelf aan in de brief van 2 juli 2015 (hiervoor onder 3.4, het cursief aangegeven gedeelte). Dit staat haaks op de slotzin van de brief van 27 juni 2016: “U blijft geplaatst op het [naam school 2] .” De enkele bereidverklaring van appellant om aan het [naam school 2] te gaan werken in verband met de loonbetaling betekent naar het oordeel van de Commissie niet dat hij daarmee afstand heeft gedaan van zijn aanspraak om aan het [naam school 1] te werken. Ook de ter zitting door verweerster geponeerde stelling, dat door de bereidverklaring van appellant om op het [naam school 2] te gaan werken en de acceptatie daarvan door verweerster een overeenkomst is ontstaan waardoor geen overplaatsingsbesluit noodzakelijk was, deelt de Commissie niet. Daarmee miskent verweerster dat appellant met deze bereidverklaring uitvoering heeft gegeven aan het vonnis in kort geding, waarbij de voorzieningenrechter blijkens zijn beslissing voor ogen stond dat appellant zijn werkzaamheden aan het [naam school 2] zou hervatten “zoals hij deze aldaar tot en met december 2015 heeft verricht” (zie 3.6), op vrijwillige basis derhalve (zie 3.4). De Commissie concludeert dan ook, dat de brief van 27 juni 2016, gelet op de slotzin, materieel een besluit tot onvrijwillige overplaatsing inhoudt, hoewel dit niet is gegoten in de vorm van een formeel overplaatsingsbesluit als bedoeld in artikel 18.4, tweede lid, van de CAO met vermelding van de beroepsmogelijkheid. De Commissie zal bij haar beoordeling dan ook dit besluit aanmerken als het besluit tot onvrijwillige overplaatsing als bedoeld in artikel 18.4, tweede lid, van de cao, waartegen het beroep van appellant zich richt. Appellant kan mitsdien worden ontvangen in zijn beroep. 4.2 Inhoudelijk In artikel 18.4, derde lid, van de CAO wordt vermeld dat er overleg met de werknemer plaats dient te vinden om te bezien onder welke condities de overplaatsing zal geschieden. Vast staat dat een overleg als hier bedoeld (met schriftelijk vastgelegde afspraken) niet heeft plaatsgevonden. Weliswaar heeft appellant een en ander ook deels aan zichzelf te wijten omdat hij alleen op het [naam school 1] wil werken, maar dit neemt niet weg dat verweerster de procedure als neergelegd in artikel 18.4, derde lid, van de CAO had dienen te volgen. Dit heeft zij niet gedaan. Als vaststaand kan worden aangenomen, dat appellant het niet eens was met het - fictieve - voornemen van verweerster tot overplaatsing. Van overeenstemming als bedoeld in artikel 18.4, derde lid, derde volzin, was derhalve geen sprake. Nu de werkgever niettemin tot een voor appellant onvrijwillige overplaatsing heeft besloten, diende zij - op grond van artikel 18.4, derde lid, laatste deel van de derde volzin - - bij haar besluit aan te geven op welke wijze zij de belangen van de werknemer en de belangen van de organisatie tegen elkaar heeft afgewogen. Overeenkomstig de jurisprudentie, zoals laatstelijk Hoge Raad 11 juli 2008, LJN BD1847 ( [naam zaak] ), moet een zodanig zwaarwichtig belang aan de kant van de werkgever aanwezig zijn bij wijziging van de arbeidsvoorwaarden dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Verweerster stelt dat zij de te dezen betrokken belangen wel heeft afgewogen en inzichtelijk gemaakt in de gesprekken en de correspondentie. De Commissie is echter van oordeel dat dit niet blijkt uit het besluit van 27 juni 2016. In het kader van de belangenafweging had in het onderhavige geval onder meet aandacht moeten worden besteed aan het aantal dienstjaren van appellant en het -ter zitting onbetwiste en volmondig erkende- gegeven dat hij vanaf 2001 naar volle tevredenheid op het [naam school 1] heeft gefunctioneerd (hij wordt zelfs een zeer goede docent genoemd), afgezet tegen de belangen van verweerster bij overplaatsing van appellant van het [naam school 1] naar het [naam school 2] , verband houdend met de door verweerster gestelde verstoorde arbeidsrelatie tussen [naam directeur] , die sinds september 2013 op het [naam school 1] als directeur werkzaam is, en appellant alsmede tussen een collega, mevrouw [naam collega] , en appellant. In dit kader had verweerster mede in de afweging dienen te betrekken de reden die is aangegeven voor de intrekking van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk dat appellant wat betreft zijn instelling lering heeft getrokken uit het lopende coachingstraject (zie hiervoor onder 3.7). Niet onbelangrijk is voorts dat [naam lid 1] en [naam lid 2] , leden van het managementteam, die het vertrouwen in appellant zouden hebben opgezegd, niet meer werkzaam zijn op het [naam school 1] . [naam lid 1] is met pensioen en [naam lid 2] is overgeplaatst. Weliswaar stelt verweerster dat er onrust is op het [naam school 1] doordat een groep docenten terugkeer van appellant bepleit, doch hiertegenover staat dat volgens appellant onrust is ontstaan ten gevolge van de door een aantal docenten als onterecht ervaren overplaatsing van appellant en [naam lid 2] . Wat hier ook van zij, in het bestreden besluit is de belangenafweging niet inzichtelijk gemaakt. Uit het voorgaande volgt voorts niet dat de belangen van verweerster in dit geval zwaarder dienen te wegen dan die van appellant. Andere feiten en omstandigheden die zodanige conclusie kunnen dragen, zijn niet gesteld of gebleken. Daarmede is ook op dit punt - naast het feit dat de voornemenprocedure niet is gevolgd - gehandeld in strijd met het gestelde in artikel 18.4, derde lid, van de CAO.” 1.15. Bij brief van 24 mei 2017 heeft ZAAM het besluit genomen om [eiser] onvrijwillig over te plaatsen naar het [naam school 2] “in de functie en werkzaamheden die u daar sinds september 2015 vervult cq verricht (…..).” Als grond voor de onvrijwillige overplaatsing noemt ZAAM artikel 18.4 lid 2 sub f (jo
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.