RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/665691-16 (ontneming) Datum uitspraak: 29 augustus 2017 Tegenspraak VERKORT VONNIS Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/665691-16, tegen: [veroordeelde] (hierna te noemen: [veroordeelde] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [=gba] . 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 15 augustus
- 2Vordering Onderzoek van de zaak De vordering van de officier van justitie van 2 augustus 2017 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 3.750,
- Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. 3Grondslag van de vordering [veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2017 ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld: ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.’ 4Wederrechtelijk verkregen voordeel 4.
- Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op een bedrag van € 3.500,00 en dat [veroordeelde] moet worden verplicht dat bedrag aan de Staat te betalen. Verdachte heeft naar eigen zeggen 250,00 euro per week verdiend met de handel in drugs. De pleegperiode bedraagt 15 weken. 4.
- Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat bij het bepalen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan dient te worden van een pleegperiode van 10 weken, namelijk van half november 2016 tot 23 januari
- Dit zou een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 2.500,00 opleveren. 4.
- Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf half november 2016 tot aan de start van zijn vakantie op 24 januari 2017 in drugs heeft gehandeld en dat hij hier € 250,00 per week mee verdiende. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, die van 24 januari 2017 tot 5 februari 2017 op vakantie was, ook na zijn vakantie nog in drugs heeft gehandeld, in ieder geval op 9 en 15 februari
- De rechtbank gaat daarom uit van een pleegperiode van 15 november 2016 tot en met 17 februari
- Dit betreft een periode van 13 weken. Omdat verdachte circa twee weken op vakantie is geweest gaat de rechtbank uit van 11 weken waarin verdachte in drugs heeft gedeald. Nu verdachte € 250,00 per week heeft verdiend, is de rechtbank van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 2.750,00 bedraagt. Conclusie Naar het oordeel van de rechtbank heeft [veroordeelde] door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 2.750,
- De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. 5De verplichting tot betaling De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 2.750.
- 6Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 7Beslissing Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 2.750,
- Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 2.750,00 (zegge: tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) aan de Staat. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Vaandrager, voorzitter, mrs. J.M. Jongkind en M.T.C. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 augustus
- De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.