vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: 6131246 / CV EXPL 17-15287 Uitspraak: 22 september 2017 Vonnis in incident van de kantonrechter in de zaak van: 1. de naamloze vennootschap RABOHYPOTHEEKBANK N.V., 2. de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., beiden gevestigd te Amsterdam, eiseressen, gedaagden in bevoegdheidsincident, nader te noemen Rabobank, gemachtigde drs. M. D. Brouwer te Utrecht, t e g e n 1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2], beiden wonende te [woonplaats] , [land] , gedaagden, eisers in bevoegdheidsincident, nader te noemen gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2, gemachtigde mr. J.F. van Dijk te ’s-Gravenhage. VERLOOP VAN DE PROCEDURE De volgende processtukken zijn ingediend: de dagvaarding van 15 maart 2017, met producties, de conclusie van antwoord, de rolmededeling van 24 juli 2017 waarin Rabobank in de gelegenheid is gesteld van antwoord te dienen op de in de conclusie van antwoord opgeworpen bevoegdheidsexceptie, de conclusie van antwoord in het incident. Daarna is vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING 1Beoordeling in het incident 1.1. Gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 hebben de rechtsmacht van de Nederlandse rechter betwist, zodat deze ten aanzien van hen zal moeten worden beoordeeld in dit incident. 1.2. Partijen zijn woonachtig, dan wel gevestigd, op het grondgebied van verschillende lidstaten van de Europese Unie. Dit leidt tot de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van Rabobank kennis te nemen. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: EEX-Vo Herschikt) die rechtstreeks verbindend en toepasselijk is in de lidstaten. 1.3. Anders dan gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 hebben betoogd volgt uit artikel 4 lid 2 EEX-Vo Herschikt niet dat op dit geschil in incident van toepassing is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In artikel 4 lid 2 EEX-Vo Herschikt is bepaald dat lidstaten hetzelfde recht met betrekking tot het vaststellen van de bevoegdheid moet toepassen op alle burgers woonachtig op zijn grondgebied ongeacht hun nationaliteit (het assimilatiebeginsel). Dat recht is in dit geval de EEX-Vo Herschikt. 1.4. In artikel 4 lid 1 EEX-Vo Herschikt is bepaald dat, onverminderd deze verordening, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Gelet op deze hoofdregel dienen gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 (in beginsel) voor de Belgische rechter te worden opgeroepen. Uit artikel 5 EEX-Vo Herschikt volgt dat slechts afwijking van deze hoofdregel mogelijk is op grond van de regels, zoals neergelegd in de afdelingen 2 tot en met 7 (de artikelen 7 tot en met 26) EEX-Vo Herschikt. Derhalve is in dit geval de vraag aan de orde of sprake is van een van de hoofdregel van artikel 4 EEX-Vo Herschikt afwijkende bijzondere bevoegdheid, op grond waarvan de rechter te Amsterdam rechtsmacht heeft om van de vorderingen van Rabobank kennis te nemen. 1.5. Rabobank heeft haar vordering op gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 gebaseerd op de geldleningovereenkomsten. Rabobank stelt dat de kantonrechter rechtsmacht heeft op grond van het bepaalde in artikel 7 onder 1 EEX-Vo Herschikt. 1.6. In artikel 7 aanhef en onder 1 EEX-Vo Herschikt luidt:Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: 1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.