← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2017:7141

RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751544-17 RK-nummer: 17/4122 Datum uitspraak: 12 september 2017 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 juni 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 november 2015 door the public prosecutor of the French Republic at Bobigny (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedatum] 1977, ter zitting opgegeven adres: [adres], thans gedetineerd in het Detentiecentrum [naam detentiecetrum], hierna te noemen “de opgeëiste persoon”. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 augustus

  1. De behandeling heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De niet verschenen opgeëiste persoon heeft op 8 augustus 2017 schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op de vordering te worden gehoord. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. M.P. Hilhorst, advocaat te Utrecht, heeft verklaard dat de opgeëiste persoon haar uitdrukkelijk heeft gemachtigd namens hem het woord te voeren. Op 8 augustus 2017 is het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen navraag te doen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit over: de vermeende rol van de opgeëiste persoon bij de afzonderlijke strafbare feiten (in het licht van de lange pleegperiode); de judgments van the Colmar Criminal Court van 9 en 20 mei 2014 met het oog op de door de raadsvrouw gestelde ne bis in idem kwestie. De behandeling is voortgezet op de openbare zitting van 5 september
  2. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. A. Oswald, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. Hilhorst. De opgeëiste persoon heeft zich tevens doen bijstaan door een tolk in de Franse taal. Op 5 september 2017 is het onderzoek geschorst tot 12 september 2017 om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een antwoord te verkrijgen op de al eerder voorgelegde vraag omtrent de vermeende rol van de opgeëiste persoon bij de afzonderlijke strafbare feiten (in het licht van de omvangrijke pleegperiode). De behandeling is voortgezet op de openbare zitting van 12 september
  3. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. van Asbroek, de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw en een tolk in de Franse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van the Investigating Judge at the First Instance Court of Bobigny van 5 november
  4. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan vijftien naar het recht van Frankrijk strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 27 juli
  5. 4Genoegzaamheid Zoals onder punt 1 al is beschreven, is de behandeling op 8 augustus 2017 en 5 september 2017 aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een antwoord te verkrijgen op de vraag wat de vermeende rol van de opgeëiste persoon bij de afzonderlijke strafbare feiten is (in het licht van de lange pleegperiode). Op 12 september 2017 is deze vraag nog niet beantwoord. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak nogmaals moet worden aangehouden om deze vraag beantwoord te krijgen. Het contact met de Franse autoriteiten verloopt moeizaam, maar uit de aanvullende informatie van 27 juli 2017 en de op 12 september 2017 verstrekte vertaling van het vonnis van de rechtbank in Colmar, blijkt wel dat de Franse autoriteiten welwillend zijn en dat de kans groot is dat de vereiste informatie alsnog wordt verstrekt. Wanneer de zaak opnieuw wordt aangehouden, verzet de officier van justitie zich niet tegen een schorsing per 12 september 2017, mede gelet op de beslistermijn van 90 dagen die verstrijkt op 17 september
  6. De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de omschrijving van de feiten nog altijd niet genoegzaam is. Voor een nieuwe aanhouding van de zaak is geen ruimte omdat de Franse autoriteiten al meerdere mogelijkheden hebben gehad om de juiste informatie te verstrekken. De rechtbank is met de raadsvrouw en de officier van justitie van oordeel dat de omschrijving van de feiten nog altijd niet voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW. De vraag omtrent de vermeende rol van de opgeëiste persoon bij de afzonderlijke strafbare feiten is na drie zittingen nog altijd niet beantwoord, ondanks de op 8 augustus 2017 geformuleerde en op 5 september 2017 herhaalde vraag van de rechtbank en de inspanningen van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) die vraag tijdig beantwoord te krijgen. De rechtbank ziet gelet op het verloop van de procedure onvoldoende aanleiding de behandeling van de zaak een derde keer aan te houden. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, dient de overlevering te worden geweigerd. 6Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the public prosecutor of the French Republic at Bobigny (Frankrijk). Aldus gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. R.A.J. Hübel en B. Poelert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 september
  7. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.