vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/616866 / HA ZA 16-1044 Vonnis van 19 juli 2017 in de zaak van [eiseres] , wonende te [plaats] , eiseres, advocaat mr. J.I. van der Winden te Muiderberg, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [plaats] , 2. [gedaagde 2], wonende te [plaats] , gedaagden, advocaat mr. Chr.F. van der Vlis te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden gezamenlijk] genoemd worden. Gedaagden zullen ieder afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 30 september 2016, met producties, de conclusie van antwoord van 7 december 2016, met producties, het tussenvonnis van 21 december 2016, het proces-verbaal van comparitie van 7 juni 2017 en de daarin genoemde stukken, waaronder de akte tot wijziging van eis van [eiseres] met producties, de brief van de griffier van 8 juni 2017 aan de advocaten van partijen waarin om nadere informatie is gevraagd, de brief van mr. Van der Winden van 13 juni 2017, met de volledige tekst van productie 22, de brief van mr. Van der Vlis met het ontkennende antwoord op de vraag of ten aanzien van [gedaagde 2] op grond van de Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen de toepassing van schuldsaneringsregeling is uitgesproken, de brief van de griffier van 28 juni 2017. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Partijen waren tot 1 september 2016 buren van elkaar. [gedaagde 1] is de thans meerderjarige zoon (geboren in 1995) van [gedaagde 2] . 2.2. [eiseres] is op 23 september 2012 naar de afdeling spoedeisende hulp van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis gegaan nadat zij die dag op straat voor haar woning was mishandeld door [gedaagden gezamenlijk] (hierna ook: de mishandeling). Aanleiding voor de mishandeling was een ruzie van die dag tussen [gedaagde 1] en de dochter van [eiseres] . 2.3. In de letselverklaring van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis van 23 september 2012 (hierna ook: de letselverklaring) is vermeld: “(…) Lichamelijk onderzoek: (…) HH: Zwelling in behaarde hoofdhuid links temporaal, schaafwondje rechts op hoofd. (…) striemen in hals links. Bov extr: links: meerder hematomen op bovenarm en schouder. Bijtwond in distale falanx dig III. (…) Rechts: schaafwond op elleboog (…) Ond extr: gb (…) Diagnose: Mishandeld - Bijtwond (mens) dig III links - trauma capitis - contusie linker arm Therapie/consult: Desinfectie wond Tetanus Augmentin Neurologie ICC Einde behandeling heelkunde” 2.4. [eiseres] heeft op 24 september 2012 aangifte gedaan bij de politie van de mishandeling. 2.5. De Officier van Justitie heeft [gedaagde 2] voorgesteld om strafvervolging bij de strafrechter voor de mishandeling te voorkomen door het verrichten van een taakstraf van 54 uren. [gedaagde 2] is daarmee akkoord gegaan. [eiseres] heeft hiertegen een klacht ingediend bij het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het hof) op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv). In de uitspraak van het hof van 23 december 2013 is vermeld dat [gedaagde 2] in raadkamer heeft erkend dat zij er verkeerd aan heeft gedaan door [eiseres] te slaan en te bijten. Het hof heeft het beklag van [eiseres] afgewezen. 2.6. De Officier van Justitie heeft [gedaagde 1] in verband met de mishandeling een bericht van sepot gestuurd. [eiseres] heeft ook hiertegen een klacht ingediend bij het hof op grond van artikel 12 Sv. In de uitspraak van het hof van 23 december 2013 is vermeld dat [gedaagde 1] in raadkamer heeft verklaard dat hij aan [eiseres] heeft getrokken, omdat zij op zijn moeder zat. Het hof heeft de vervolging van [gedaagde 1] bevolen en motiveerde die beslissing als volgt: “(…) Gelet op het verhandelde in raadkamer, acht het hof, gezien de context waarbinnen het feit, indien bewezen, zich heeft afgespeeld en de ernst en de gestelde gevolgen daarvan voor klaagster, voldoende aanknopingspunten aanwezig om ook de strafrechtelijke vervolging van [gedaagde 1] voor mishandeling van klaagster te rechtvaardigen.” 2.7. [eiseres] heeft op 20 december 2012 aangifte gedaan bij de politie wegens discriminatie op grond van afkomst en seksuele geaardheid door [gedaagden gezamenlijk] Bij brief van 16 mei 2013 heeft de Officier van Justitie [eiseres] ervan in kennis gesteld dat de zaak was geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. 2.8. [eiseres] heeft op 24 december 2012 een neuroloog bezocht omdat zij hoofdpijn en een spraakstoornis had overgehouden aan de mishandeling. De neuroloog concludeerde in zijn brief van diezelfde datum aan de huisarts van [eiseres] dat sprake was van: “hoofdpijn, concentratiestoornissen, vergeetachtigheid en moeizaam praten in het kader van een postcommotioneel syndroom na LTH door mishandeling ontstaan.” 2.9. [eiseres] is vanaf januari 2013 in behandeling geweest bij GGZ inGeest (Prezens) voor begeleiding door een GZ-psycholoog in verband met angst- en spanningsklachten na de mishandeling. In een brief van 16 oktober 2013 van Prezens is vermeld dat de klachten van [eiseres] anamnetisch passen bij “PTSS, chronisch”. Vermeld is verder dat een EMDR-behandeling die [eiseres] had ondergaan de klachten heeft gereduceerd. Maar de behandeling stagneert, aldus deze brief: “op het gevoel van onrecht en discriminatie door justitie en de negatieve emoties van boosheid en verdriet die zo in stand gehouden worden waardoor er geen sprake is van volledige verwerking van het trauma.” 2.10. [eiseres] heeft in februari 2013 een plastisch chirurg bezocht omdat haar wijsvinger rechts na de mishandeling was opgezwollen. Nadat de zwelling was verdwenen, bleef de vinger krom staan. In de brief van de plastisch chirurg van 6 februari 2013 aan de huisarts van [eiseres] is daarover vermeld: “Nu kromme vinger met bult (…) B: Malletspalk C 6 wkn”. 2.11. [eiseres] heeft op 5 april 2013 aangifte gedaan wegens belediging door [gedaagden gezamenlijk] Deze zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. 2.12. [eiseres] heeft zich in het voorjaar van 2013 gewend tot een fysiotherapeut voor behandeling van pijn aan haar ribben, rug, hand en nek. In een “Eindverslag” van 24 oktober 2013 van deze fysiotherapeut is onder meer vermeld: “Stoornissen: diverse kneuzingen aan rug, ribben, nek/schouders en peesscheuren o.a. aan de vinger. (…) Externe factoren: krijgt bij de politie en OM geen gerechtigheid, hierdoor nog meer woede en frustratie. Dit werkt niet genezingsbevorderend”. In de brief is vermeld dat het behandeldoel niet is bereikt en dat de pijn zich heeft ontwikkeld tot een chronische pijnklacht. In 2014 is een andere fysiotherapeut van deze praktijk ook knieklachten van [eiseres] gaan behandelen. 2.13. [eiseres] heeft op 22 juli 2013 aangifte gedaan wegens eenvoudige mishandeling door [gedaagde 1] . Deze zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. 2.14. [eiseres] heeft na juli 2013 nog diverse keren bij de politie een melding gedaan van hinderlijk gedrag van [gedaagden gezamenlijk] , bestaande uit verbale agressie, hinderlijk lastigvallen en het versperren van de weg. Deze meldingen hebben niet geleid tot strafrechtelijke vervolging. 2.15. [eiseres] is op 21 februari 2014 gezien op de polikliniek neurologie van het VUmc voor een second opinion vanwege pijn in het hoofd, de nek, schouders, rug, ribben en concentratiestoornissen. In de brief daarover van het VUmc 24 maart 2014 is onder meer vermeld: “Wij bespraken met patiente dat er sprake is van functionele klachten die eventueel te behandelen zouden zijn dmv revalidatie. Patiente gaf aan hier niet voor open te staan. Zij was teleurgesteld. Wij verwezen haar door naar de polikliniek somatische onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten. Conclusie: gegeneraliseerde pijnklachten, geen aanwijzingen voor een neurologische aandoening. Postcommotionele concentratiestoornissen mogelijk ook PTSS. Doorverwijzing naar SOLK poli.” 2.16. [eiseres] bezocht in mei 2014 een traumachirurg van het VUmc in verband met rugklachten. 2.17. In een tussentijds verslag van Fysiotherapie Confuciusplein van 28 november 2014 staat vermeld: [eiseres] is bij mij onder behandeling vanwege knieklachten (…). We hebben onderzoek gedaan; waarbij uit de testen geen specifieke diagnose is te halen. (…) Daarbij heb ik, omdat mevrouw ook oa klachten heeft van nekschouder en rug, haar hiervoor ook behandeld. 2.18. [gedaagde 1] is door de kinderrechter bij vonnis van 20 januari 2015 schuldig bevonden aan het medeplegen van mishandeling van [eiseres] op 23 september 2012. Hij is schuldig verklaard zonder oplegging van straf. De vordering die [eiseres] had ingesteld als benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen. [gedaagde 1] is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [eiseres] van € 1.533,42 voor materiële schade (€ 783,42) en immateriële schade (€ 750,00). [eiseres] is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevergoedingsvordering. [gedaagde 1] heeft het toegewezen bedrag inmiddels volledig voldaan. 2.19. [eiseres] is op 14 januari 2015 gezien op de polikliniek revalidatiegeneeskunde van het VUmc. Daarna is aanvullend onderzoek verricht. Op 28 april 2015 is [eiseres] doorverwezen naar de polikliniek revalidatiegeneeskunde van Reade voor: “beoordeling geschiktheid voor een multidisciplinair pijnprogramma.” In de doorverwijzingsbrief van die datum is verder onder meer vermeld: “Patiente uitleg en advies gegeven over pijnrevalidatie en patiente ziet de verwijzing graag tegemoetkomen en staat hiervoor open. Ze is gemotiveerd om te revalideren.” De behandeling bij Reade is op 20 juli 2015 afgerond. 2.20. [eiseres] is op 24 februari 2015 gezien door een orthopedisch chirurg van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis in verband met voortdurende pijn aan haar linker knie. In het verslag van dit consult wordt als conclusie gemeld: “Tendinomyogene klachten (pijnklachten uitgaande van de spieren-, aanhechtingen en pezen, rb)” 2.21. [eiseres] heeft op 15 juni 2016 aangifte gedaan wegens bedreiging door [gedaagden gezamenlijk] Deze zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. [eiseres] heeft hiertegen een klacht ingediend bij het hof op grond van artikel 12 Sv. De zaak is nog niet door het hof behandeld. 2.22. Op 2 juli 2015 schreef een behandelend fysiotherapeut van [eiseres] een brief aan een advocaat van haar. Vermeld is dat bij [eiseres] sprake was van forse fysieke beperkingen, functionele beperkingen en sociale beperkingen. Onder “prognose” is vermeld: “De verwachting is mijns inziens dat [eiseres] haar fysieke klachten en haar functioneren op activiteiten- en participatieniveau in de toekomst beperkt zal blijven. Naast de bewegingsproblemen zijn de angst, het slechte slapen en de angst voor pijn en bewegen een beperkende factor. Mijn verwachting is dat [eiseres] regelmatig fysieke behandeling en/of ondersteuning nodig heeft om nog verder vooruit te kunnen gaan en om achteruitgang te voorkomen. Ook ten aanzien van haar angsten verwacht ik dat begeleiding nodig blijft. Aangezien [eiseres] . slechts voor 12 behandelingen verzekerd is er op dit moment en mogelijk ook in de toekomst een groot financieel probleem.” 2.23. Nadien heeft [eiseres] de fysiotherapie voortgezet. 2.24. In een brief van 20 juli 2015 van een GZ-psycholoog van GGZ inGeest (Prezens) is, naar aanleiding van neuropsychologisch onderzoek van [eiseres] dat heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015 en 4 juni 2015, onder meer het volgende vermeld: “ DSM IV diagnose AS I 309.81A Posttraumatische stress-stoornis (Hoofd) 300.82A Ongedifferentieerde somatoforme stoornis AS II 799.90 Uitgestelde diagnose op AS II AS III 999.99 Overig: status na letsel mishandeling AS IV 02 Problemen verbonden aan sociale omgeving; 04 Werkproblemen; 05 Woonproblemen AS V Gaf huidig 50 AS V Gaf Hoogste afgelopen jaar 50 Besluit Inmiddels is de behandeling van de PTSS met EMDR bij ondergetekende psycholoog gestart. Als daarna somatoforme problematiek persisteert, wordt gedacht aan een vervolg bij de Polikliniek Psychosomatiek van GGZ inGeest. (…)” 2.25. In een brief van 28 januari 2016 van GGZ inGeest (Prezens) aan de huisarts van [eiseres] is vermeld dat de PTSS bij [eiseres] gedeeltelijk in remise is, maar dat er nog wel veel pijnklachten spelen die de diagnose somatoforme stoornis rechtvaardigen. Vermeld is dat het van belang is de behandeling voort te zetten in de gespecialiseerde GGZ zodat [eiseres] ook kan werken aan de somatoforme stoornis en de EMDR kan worden voortgezet. 2.26. In maart 2016 is [eiseres] in behandeling gegaan bij een GZ-psycholoog van GGZ inGeest. Daarover is in een brief van 23 juni 2016 aan [eiseres] vermeld dat de behandelingen voor de PTSS van [eiseres] nog onvoldoende resultaat hebben gehad. Voorts is onder meer vermeld: “In uw thuissituatie, wordt u steeds geconfronteerd met de daders, die zich ook nog steeds verbaal en fysiek agressief naar u uiten. Dit maakt uw actuele situatie zeer onveilig en dit is krachtige instandhoudende factor voor de PTSS.” 2.27. Omstreeks 29 augustus 2016 zijn [gedaagden gezamenlijk] verhuisd. 2.28. [eiseres] heeft op 8 september 2016 bij de politie een melding gedaan wegens het staan schreeuwen door [gedaagden gezamenlijk] voor de woning van [eiseres] . Aan deze melding is nog geen vervolg gegeven. 2.29. In een brief van de regisseur Treiteraanpak van de gemeente Amsterdam Nieuw-West van 10 oktober 2016 is aan [gedaagde 2] bericht: “U en uw ex buurvrouw zijn gedurende de afgelopen jaren in een buren ruzie verwikkeld geweest. Na onderzoek vanuit het stadsdeel, politie en corporatie is duidelijk geworden dat hier geen sprake is van een eenzijdig conflict maar dat beide partijen hier een rol in spelen. Vanuit de samenwerkende organisaties kan ik zeggen dat u alle aanwijzingen-adviezen hebt opgevolgd die er toe hadden kunnen leiden het conflict op te lossen c.q. te sussen. Uiteindelijk bent u verhuisd naar een andere woning.” 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert – na eisvermindering – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.