← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2017:7851

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/706270-16 (Promis) Datum uitspraak: 10 oktober 2017 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [GBA]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 september

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.C. van Dijk, en van wat de raadsman van verdachte, mr. A.J. Hardonk, naar voren heeft gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat
  2. zij op of omstreeks 16 mei 2014 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 7450 gram hennep en/of ongeveer 96, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
  3. zij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks het tijdvak van 1 september 2013 tot en met 16 mei 2014 te Diemen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s).
  4. Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.
  5. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie is van mening dat verdachte beide feiten als medepleger heeft begaan. 4.
  6. Het standpunt van de verdediging De raadsman vindt beide feiten niet bewezen. De verklaring van [getuige] is te onbetrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken. Het dossier bevat verder geen bewijs waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de hennep en de diefstal. De raadsman verzoekt daarom om verdachte van beide ten laste gelegde feiten vrij te spreken. 4.
  7. Het oordeel van de rechtbank Feit 1 De rechtbank vindt feit 1 bewezen. Daarvoor is het volgende van belang. De hennepkwekerij is aangetroffen in de woning van [medeverdachte] de vriend van verdachte. Verdachte verklaarde bij de politie dat zij regelmatig in die woning aanwezig was. Uit de verklaring van Volgens [getuige] is verdachte degene geweest die de knippers van de hennep heeft gevraagd om dat te doen. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte] bij het telen van hennep. Feit 2 De rechtbank vindt feit 2 niet bewezen. Uit het dossier blijkt de betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij. Uit het dossier komt echter niet naar voren dat verdachte ook betrokken is geweest bij de aanleg van de kwekerij of bij het aanpassen van de elektriciteitsmeter. Het dossier bevat ook verder geen aanwijzingen dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de elektriciteit. Daarom zal verdachte van feit 2 worden vrijgesproken. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte Feit 1 op 16 mei 2014 te Diemen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van ongeveer 7450 gram hennep en 96 hennepplanten. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad. 6Bewijs De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte de bewezen geachte feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen. Het overzicht van de bewijsmiddelen is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt daarvan deel uit. 7De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 8De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9Motivering van de straffen en maatregelen 9.
  8. De eis van de officier van justitie De officier van justitie vordert dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen. 9.
  9. Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft samen met haar vriend in de woning van die vriend hennep geteeld. Het lijkt er daarbij op dat de betrokkenheid van verdachte minder groot was dan die van haar vriend. Uit het dossier blijkt dat sprake is geweest van meerdere kweekrondes, waarvan 96 planten en de opbrengst van één kweek nog in de woning aanwezig waren op 16 mei
  10. Door het plegen van dit strafbare feit heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de schadelijke effecten voor de volksgezondheid die door langdurig en/of overmatig gebruik van softdrugs worden veroorzaakt. Daarnaast speelt voor de rechtbank mee dat verdachte enkel heeft gehandeld uit winstbejag en bij de fiscus en uitkerende instanties kennelijk geen rekenschap wenst af te leggen over zijn verdiensten. Uit het strafblad van verdachte van 4 september 2017 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld. Voor het bewezenverklaarde feitencomplex zou in principe een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden een passende sanctie zijn. De rechtbank houdt echter ook rekening met de omstandigheid dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 11 september 2014 als verdachte gehoord. Vanaf dat moment kon verdachte verwachten dat zij voor de bewezen verklaarde feiten vervolgd zou worden. De uitspraak van de rechter volgt in oktober 2017, meer dan drie jaar na het begin van de redelijke termijn. Voor dit tijdsverloop is geen redelijke verklaring te geven en de overschrijding is niet aan verdachte te wijten. Dit tijdsverloop maakt dat de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer passend vindt. De rechtbank zal een taakstraf van 80 uur opleggen. De raadsman van verdachte heeft tijdens de behandeling op zitting gewezen op de medische omstandigheden van verdachte. Voor de rechtbank blijkt daaruit nog niet dat verdachte in het geheel niet in staat is om een taakstraf uit te voeren. De ervaring leert dat de reclassering in overleg met een meewerkende veroordeelde veel mogelijkheden heeft om een passende invulling aan de taakstraf te geven. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. 11Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart feit 2 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte feit 1 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: - medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mrs. M.R. Jöbsis en J. Huber, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2017.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.