RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummers: 13/702413-14 (zaak A) + 13/701278-15 (zaak B) Datum uitspraak: 24 oktober 2017 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting 1.1. Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2017. 1.2. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Diependaal, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.G. Meijer, naar voren hebben gebracht. 1.3. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] . 1.4. De zaak tegen verdachte is gelijktijdig behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . 2Tenlastelegging 2.1. Aan verdachte is in zaak A (13/702413-14) kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich – al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen – aan de volgende misdrijven heeft schuldig gemaakt: Diefstal met braak op 30 juli 2014 bij [bedrijf bv 1] , [adres 2] te Amsterdam. Poging tot diefstal met braak op 30 juli 2014 bij [café naam] , [adres 3] te Amsterdam, subsidiair medeplichtigheid hieraan en meer subsidiair vernieling van een raam. Diefstal met braak op 30 juli 2014 te Amsterdam van de boot van [benadeelde partij 1] , subsidiair heling van deze boot in de periode van 23 juli tot en met 30 juli 2014. Diefstal met braak op 17 september 2014 te Zaandam van de boot en buitenboordmotor van [benadeelde partij 2] . Diefstal met braak op 17 september 2014 te Zaandam van een buitenboordmotor, subsidiair verduistering. 2.2. In zaak B (13/701278-15) is aan verdachte kort gezegd ten laste gelegde dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de volgende misdrijven: Belediging van ambtenaren in functie op 11 februari 2015 te Amsterdam. Wederspannigheid op11 februari 2015 te Amsterdam. Vernieling van een raam van een woning van [naam] en van een beeldje van [persoon 1] op 29 april 2014 te Amsterdam. Opzetheling subsidiair schuldheling van een fiets in de periode van 6 oktober 2013 tot en met 10 februari 2014 te Amsterdam. 2.3. De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsvrouw – niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde (in vereniging gepleegde) inbraak bij [bedrijf bv 1] , [adres 2] te Amsterdam, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat de inbraak is gepleegd door medeverdachte [medeverdachte 1] , maar niet dat sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] . 4.2.1. De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsvrouw – niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 primair ten laste gelegde, al dan niet in vereniging gepleegde, poging tot inbraak bij [café naam] , [adres 3] te Amsterdam, zodat verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat de poging tot inbraak is gepleegd door medeverdachte [medeverdachte 1] , maar niet dat sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] . 4.2.2. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan de poging tot inbraak. Zij heeft zich daarbij wat de rol van verdachte betreft voornamelijk gebaseerd op de getuigenverklaring van [getuige] (pagina 49 en 50 van het dossier). Deze getuige heeft verklaard dat hij op 30 juli 2014 omstreeks 06.10 uur twee jongens (van wie later zou blijken dat verdachte daar één van was) zag in een bootje in het water van de [straat 1] , ter hoogte van restaurant [café naam] , en dat het bootje steeds een beetje naar voren en dan weer naar achteren ging en dat hij, toen hem het bootje opviel, vanaf het [café naam] een hard bonkend geluid hoorde. Hij zag vervolgens een jongen die het raam aan de zijkant van restaurant probeerde in te trappen en tevens dat de jongens in het bootje keken naar de jongen die het raam aan het intrappen was. Hij heeft verklaard dat hij toen besefte dat die drie jongens bij elkaar hoorden. Vervolgens heeft hij gezien dat de jongen die het raam had ingetrapt, nadat hij hem (de getuige) had gezien, bij de andere twee jongens in het bootje sprong en dat zij gezamenlijk wegvoeren. De rechtbank zal verdachte het voordeel van de twijfel geven en hem vrijspreken van medeplichtigheid aan de poging tot inbraak. Zij acht niet boven redelijke twijfel verheven dat verdachte op de uitkijk stond zoals hem is ten laste gelegd. 4.2.3. Ten slotte kan het meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen van vernieling van de ruit van [café naam] ook niet worden bewezen omdat er geen bewijs is dat medeverdachte [medeverdachte 1] , die de ruit heeft ingetrapt, dit in bewuste en nauwe samenwerking met verdachte heeft gedaan. 4.3.1. De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw – niet bewezen dat verdachte (op 30 juli 2014) de boot van [benadeelde partij 1] heeft gestolen zoals hem in zaak A onder 3 primair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. 4.3.2. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte niet wist dat de boot was gestolen zodat hij ook zou moeten worden vrijgesproken van heling. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich in de periode van 23 tot en met 30 juli 2014 heeft schuldig gemaakt aan opzetheling. Uit het dossier blijkt dat de desbetreffende boot tussen 23 en 26 juli 2014 is gestolen. Op 27 juli 2014 is verdachte aangehouden op de boot en op 30 juli 2014 is hij weer aangehouden op de boot. De bedrading van de stuurinrichting van de boot hing los en werd met ducttape bij elkaar gehouden en het rompnummer aan de achterzijde en de zijkanten was weggeschuurd. Bovendien startte verdachte volgens medeverdachte [medeverdachte 1] (pagina 67) de boot met een draadje en had hij de sleutel niet. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op die omstandigheden niet anders kan dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de bewuste boot wist dat dit een door diefstal verkregen goed betrof. De rechtbank laat hierbij meewegen dat verdachtes verklaring, dat hij de boot al een paar weken in zijn bezit had, gelet op de aangifte van [benadeelde partij 1] , niet juist kan zijn. 4.4. De rechtbank acht – met de officier van justitie – bewezen dat verdachte de hem onder 4 en 5 ten laste gelegde diefstal van een boot en buitenboordmotor samen met een ander heeft gepleegd. De zaak is aan het rollen gekomen nadat de politie een melding kreeg dat er aan de [straat 2] te Zaandam een boot werd weggenomen en dat twee boten waren weggevaren. [persoon 2] , met wie verdachte is gaan varen, heeft verklaard dat zij in Zaandam een buitenboordmotor op een steiger zagen liggen en dat hij die buitenboordmotor gewoon mee wilde nemen. Het leek alsof de motor vergeten was, aldus [persoon 2] . Ook heeft [persoon 2] verklaard dat hij wist dat het fout was als hij de motor ging meenemen. [persoon 2] is op de steiger gaan staan en verdachte heeft hem geholpen met tillen omdat zo’n motor best wel zwaar is, aldus [persoon 2] in zijn verklaring bij de politie. [persoon 2] heeft verder verklaard dat nadat zij waren weggevaren, zij langs een boot voeren waar een sleutel in zat en dat hij met die boot wilde gaan varen. Verdachte bleef volgens [persoon 2] op zijn boot en [persoon 2] heeft vervolgens de boot gestart en is weggevaren. De politie heeft geverbaliseerd twee boten achter elkaar aan te hebben zien wegvaren, waarvan alleen de voorste boot een witte lamp op de voorkant voerde en waarvan de motor van de achterste boot, naar later bleek, weinig geluid produceerde, gelijkend op het geluid van een zogenaamd fluisterbootje. In de boot waarin verdachte door de politie werd aangetroffen, bevond zich onder meer een anker, een tros touw en een groene jerrycan, welke goederen uit de weggenomen boot afkomstig bleken te zijn. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [persoon 2] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen. Ten aanzien van de op de steiger aangetroffen buitenboordmotor overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat geen aangifte is gedaan van diefstal van deze motor niet maakt dat geen sprake is van diefstal, zoals door de raadsvrouw is betoogd. De rechtbank overweegt in dit verband dat [persoon 2] , blijkens voornoemde verklaring die hij heeft afgelegd bij de politie, niet de mening was toegedaan dat de motor niet aan een ander toebehoorde. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat [persoon 2] heeft te kennen gegeven dat hij niet de intentie had om de boot te stelen, maar dat hij slechts een stukje wilde varen en daarna de boot weer terug wilde brengen en dat dit joyriding (de rechtbank begrijpt joyvaren – artikel 26 van de Scheepvaartverkeerswet) oplevert, maar dat dit niet ten laste wordt gelegd. [persoon 2] heeft inderdaad verklaard dat hij de boot absoluut niet wilde stelen maar alleen een stukje hard wilde varen met de boot. Hij heeft echter ook verklaard de boot dan in de buurt terug te willen leggen. Gebleken is dat verdachte is weggevaren en de boot niet heeft teruggebracht. Ook overigens staat zijn verklaring niet aan een veroordeling voor diefstal in de weg omdat [persoon 2] heeft toegegeven de boot te hebben weggenomen met de bedoeling daarvan een zodanig tijdelijk gebruik te maken, dat dit kan worden beschouwd als wegnemen met het oogmerk van toe-eigening in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. 4.5. In zaak B acht de rechtbank het ten laste gelegde onder 1 (belediging politieagent), 2 (wederspannigheid) en 3 (vernieling) – mede op grond van de bekennende verklaring van verdachte – bewezen. 4.6.1. De rechtbank acht – met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie – de in zaak B onder 4 primair ten laste gelegde opzetheling van de fiets niet bewezen. Uit het dossier volgt niet dat toen verdachte de fiets kocht en geleverd kreeg, hij wist dat de fiets gestolen was. De omstandigheden waaronder verdachte de fiets heeft gekocht waren ook niet van dien aard dat gezegd kan worden dat verdachte ten tijde van de koop bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de fiets wel eens gestolen zou kunnen zijn. 4.6.2. Verdachte heeft zich wel schuldig gemaakt aan schuldheling. Hij heeft verklaard dat hij de fiets heeft gekocht via Marktplaats. Hij heeft niet bij de verkoper thuis afgesproken, maar bij de [straat 3] in [plaats] . Ter plekke heeft hij nog vijftig euro van de prijs afgedongen en uiteindelijk vijfenzeventig euro voor de fiets betaald. De fiets was niet voorzien van een ringslot. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de fiets, met bouwjaar 2013, is gestolen tussen 6 en 9 oktober 2013, dat de gemiddelde winkelwaarde voor een vergelijkbare fiets € 679,00 bedroeg en dat op het internet een dergelijke fiets tweedehands tussen de € 450,00 en € 500,00 kostte. Duidelijk was dat de fiets oorspronkelijk wel van een slot was voorzien maar dat dit was verwijderd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de fiets gestolen was en dat hij derhalve zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Verdachte is dus tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht, hetgeen meebrengt dat hij met de voor schuldheling aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde in zaak A 3 subsidiair, 4 en 5 en in zaak B 1, 2, 3 en 4 subsidiair heeft begaan met dien verstande dat hij ten aanzien van het in zaak A onder 3 subsidiair ten laste gelegde: in de periode van 23 juli 2014 tot en met 30 juli 2014 te Amsterdam, een boot, merk Riomar, type 470, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist, dat het een door diefstal, verkregen goed betrof; ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde: op 17 september 2014 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een boot (registratienummer [registratienummer] ) en een buitenboordmotor (merk Yamaha, nummer [nummer] ), toebehorende aan [benadeelde partij 2] ; ten aanzien van het in zaak A onder 5 primair ten laste gelegde: op 17 september 2014 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een buitenboordmotor (merk Yamaha, vermogen 20 pk), toebehorende aan een tot nu toe onbekende persoon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader; ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde: op 11 februari 2015 te Amsterdam een ambtenaar, [ambtenaar] , hoofdagent van Politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling opzettelijk heeft beledigd, door het volgende tegen hem te zeggen: “Ja jij met je kankeruniform”; ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde: op 11 februari 2015 te Amsterdam, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende ambtenaren verdachte als verdachte van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit, hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen deze opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door zich trachten los te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden; ten aanzien van het in zaak B onder 3 ten laste gelegde: op 29 april 2014 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.