vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/619329 / HA ZA 16-1193 Vonnis in de schadestaatprocedure en in het incident van 8 november 2017 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser in de schadestaatprocedure, eiser in het incident, advocaat voorheen mr. J. Hagers te Amsterdam en thans mr. G.T.J. Hoff te Haarlem, tegen de naamloze vennootschap BOEKEL N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde in de schadestaatprocedure, verweerster in het incident, advocaat mr. L.H. Rammeloo te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser] en Boekel genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 9 november 2016, de akte aanbrengen procedure en overlegging producties van [eiser] van 30 november 2016, met producties, de conclusie van antwoord van Boekel van 22 februari 2017, met producties, het tussenvonnis van 19 april 2017 waarin ambtshalve een comparitie is bepaald, het verzoek tot rolvoeging, tevens akte eisvermindering, tevens akte overlegging nadere producties van 11 oktober 2017 van [eiser] , met producties (hierna: de nadere akte van [eiser] ), de op 26 september 2017 ontvangen producties 18 en 19 van Boekel, de op 2 oktober 2017 ontvangen productie 20 van Boekel, de op 5 oktober 2017 ontvangen incidentele conclusie ex art. 223 Rv (voorlopige voorziening) met productie 33 alsmede de op diezelfde datum ontvangen producties 34 tot en met 37 van [eiser] , de op 9 oktober 2017 ontvangen conclusie van antwoord in het incident ex artikel 223 Rv met productie 21 van Boekel, het proces-verbaal van comparitie van 11 oktober 2017 en de in het proces-verbaal genoemde stukken, de akte van [eiser] van 18 oktober 2017, met producties (hierna: de akte van 18 oktober 2017 van [eiser] ), de antwoordakte van Boekel van 25 oktober 2017, met producties en de telefax zijdens [eiser] van 3 november 2017 met een reactie op het proces-verbaal. 1.2. Ter comparitie is vonnis bepaald in het incident op 8 november 2017 en in de schadestaatprocedure op 6 december 2017. In dit vonnis wordt zowel in het incident als in de schadestaatprocedure uitspraak gedaan. Partijen zijn ervan op de hoogte gesteld dat de datum voor de uitspraak in de schadestaatprocedure nader is bepaald op heden. 2De feiten in de schadestaatprocedure en in het incident 2.1. De schadestaatprocedure is een voortzetting van de hoofdprocedure tussen [eiser] en [eiser1] als eisers en Boekel als gedaagde. In de hoofdprocedure heeft het gerechtshof Amsterdam op 21 juni 2016 arrest gewezen (hierna: het arrest van het hof). 2.2. Boekel heeft – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [eiser1] heeft geen incidenteel cassatieberoep ingesteld. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal bij de Hoge Raad dateert van 29 september 2017 en strekt tot verwerping van het cassatieberoep van Boekel. In cassatie is nog geen arrest gewezen. 2.3. In de schadestaatprocedure dient te worden uitgegaan van het arrest van het hof zolang dat niet is vernietigd. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHAMS:2016:2387. Het hof heeft voor recht verklaard dat Boekel jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen uit hoofde van de met hem gesloten overeenkomst van opdracht en heeft Boekel veroordeeld tot betaling van de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat. Kortheidshalve wordt voor de in het arrest opgenomen feiten, overwegingen en verdere beslissingen naar voormelde digitale vindplaats verwezen. 2.4. Nadat het hof arrest had gewezen, heeft [eiser] in december 2016 in kort geding een voorschot van € 4,6 miljoen gevorderd op de volgens hem door Boekel te betalen schadevergoeding. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de vordering van [eiser] bij vonnis in kort geding van 14 december 2016 afgewezen. 2.5. Vervolgens heeft [eiser] aan [naam deskundige] , deskundige op het gebied van vermogensschade, gevraagd een schaderapport op te stellen. Deze opdracht is uitgevoerd door [naam] (hierna ook: [naam] ). In het rapport van [naam] van 14 maart 2017 is, voor zover van belang, vermeld: 1INLEIDING (…) [eiser] en zijn voormalig zakenpartner gingen er op basis van het advies van Boekel vanuit dat de bodem van het terrein in 2000 gesaneerd was. (…) In februari 2005 vraagt [eiser] in het kader van een zogenaamde ‘artikel 19-procedure’ (een procedure om een vrijstelling van het bestemmingsplan te verkrijgen) advies bij Boekel over de kosten van sanering van eventuele restverontreiniging van het [naam terrein] terrein omdat hij woningbouw op het achtergelegen terrein wil realiseren. Boekel vraagt hiertoe bij de Provincie een rapport van onderzoeksbureau [naam onderzoeksbureau] (hierna: het eerste rapport [naam onderzoeksbureau] ) op en stuurt dat op 9 juni 2005 door naar [eiser] . Dit eerste rapport [naam onderzoeksbureau] dateert van 7 december 2000. In januari 2006 vraag [eiser] Boekel nogmaals het eerste [naam onderzoeksbureau] rapport toe te sturen. Eind 2006/begin 2007 heeft [naam onderzoeksbureau] op verzoek van [eiser1] een tweede rapport opgesteld (hierna: het tweede [naam onderzoeksbureau] rapport), waarvan [eiser] in elk geval in april 2007 een concept ontving. Daaruit blijkt dat sprake is van sterke bodemverontreiniging van het [naam terrein] terrein. Op grond van dit rapport en de adviezen van Boekel besluit [eiser] cq [eiser1] de Staat aansprakelijk te stellen middels een brief van Boekel van 14 mei 2008. Ondertussen is voortgegaan met de herontwikkeling van het [naam terrein] terrein. Om de sanering en de herontwikkeling te financieren is [eiser] op 12 oktober 2007 (privé) een lening aangegaan bij [naam 1] van € 4,5 miljoen. (…) 5 SAMENVATTING (…) [eiser] wenst in de situatie te worden gebracht waarin hij zich zouden hebben bevonden als Boekel een juist en volledig advies had gegeven met betrekking tot de aankoop van het [naam terrein] terrein. (…) De aankoop van het [naam terrein] terrein is een direct gevolg van het advies van Boekel. Was dit advies juist en volledig geweest dan had [eiser] besloten om het [naam terrein] niet aan te kopen. (…) In dat geval was ook [eiser1] niet opgericht geweest. Om te komen tot schadeloosstelling van [eiser] moet [eiser] in de (financiële) situatie worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als hij het [naam terrein] terrein niet had gekocht en [eiser1] niet zou hebben opgericht (het zogenaamde negatieve contractsbelang). Omdat [eiser1] niet had bestaan indien Boekel géén fout zou hebben gemaakt kan alle schade [eiser1] worden aangemerkt als schade van [eiser] , temeer omdat [eiser] de kosten die het gevolg waren van de schadegebeurtenis (de fout van Boekel) privé heeft gefinancierd uit het krediet bij [naam 1] ter grootte van circa € 4,5 miljoen. (…) 9 HET BEGROTEN VAN VERMOGENSSCHADE (…) het moment van de schade [kan] in deze kwestie worden vastgesteld op het moment van het onjuiste en onvolledige advies en (…) de schade [duurt] voort tot het moment dat de fout van Boekel in volle omvang bekend wordt. Dit is de datum waarop [eiser] bekend werd dat [naam 2] ten onrechte het eerste [naam onderzoeksbureau] rapport - waaruit blijkt dat in 2000 in het geheel geen bodemsanering had plaatsgevonden en de bodem van het terrein (behoudens de bovengrond van een smalle grondstrook langs de watergang aan de oostzijde van het terrein) nog altijd ernstig verontreinigd was - niet heeft betrokken in zijn advies aan [eiser] . De schadeperiode vangt aan op 11 juli 2001 en duurt voort tot 4 februari 2011, althans 17 juni 2009(…). Op het moment dat de fout van Boekel in volle omvang bekend werd, was de sanering reeds voltooid. Op het moment van de eerste aansprakelijkstelling [van Boekel, rb] d.d. 17 juni 2009 was [eiser] volop bezig met de sanering en ontwikkeling van het terrein. Het stopzetten van de werkzaamheden en het vervolgens in die staat trachten te verkopen van het terrein was voor [eiser] geen optie. Aan partijen zoals [naam partij 1] en [naam partij 2] was de opdracht al gegund. De economische crisis die net was ingetreden en de onvoltooide werkzaamheden maakten het niet waarschijnlijk dat het terrein zou kunnen worden verkocht binnen een redelijke termijn en tegen een redelijke prijs. Na 4 februari 2011 althans 17 juni 2009 is derhalve sprake van vervolgschade, al dan niet in het kader van schadebeperking door [eiser] . (…) 10 OMVANG VAN DE SCHADE (…) In aanmerking voor vergoeding komen (…) alle kosten die [eiser] heeft gemaakt die verband houden met de onterechte aankoop van het [naam terrein] terrein tot het moment dat de schadeveroorzakende gebeurtenis (de fout van Boekel) zich openbaart en eventuele vervolgschade. De omvang van de schade (exclusief de wettelijke rente over de verschenen schade) kan als volgt worden begroot: Tabel 1 A Kosten hypotheekrechten (kostprijs door [eiser] aan [eiser1] overgedragen) € 45.378 B Afkoop overheid € 147.479 C Afkoop krakers en conciërge € 272.000 D Rentelasten over de lening van [naam 3] en [naam 1] € 1.676.483 E Betaalde afsluitprovisie aan [naam 3] en [naam 1] € 24.500 F Kosten grond- en bodemsanering inclusief slopen opstallen € 1.387.781 G Advieskosten na aankoop [naam terrein] terrein (vervuilde grond/Boekel) € 206.526 H Uren werknemers [naam 4] € 844.900 I Kosten gemaakt in verband met de (her)ontwikkeling van het [naam terrein] terrein € 734.669 J Kosten vaststellen omvang schade ex art. 6:96 lid 2 lid b (stelpost) € 50.000 K Nog te maken kosten (vanaf 2017) PM Totaal schade excl wettelijke rente € 5.389.716 + PM (…) Schadeonderdeel A, D en E betreft rechtstreekse schade van [eiser] [onderstreping, rb]. [eiser] heeft de hypotheekrechten ter financiering van de aankoop van het terrein ingebracht in [eiser1] . Deze hypotheekrechten waren privé gekocht voor een bedrag van € 45.378,-. Voorts is [eiser] de lening bij [naam 1] die aan [eiser1] is doorgeleend privé aangegaan waardoor de rentelasten en de afsluitprovisie op [eiser] privé drukken. Schadeonderdelen B, C en F t/m K hebben betrekking op kosten die door [eiser1] zijn gemaakt [onderstreping, rb]. [eiser1] zou echter niet hebben bestaan als Boekel een juist en volledig advies had gegeven. De kosten [eiser1] zijn feitelijk betaald door [eiser] uit de rekening courant faciliteit met [naam 1] . Vanuit de gedachte dat [eiser] in de (financiële) positie moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als hij juist en volledig door Boekel was geadviseerd en [eiser1] derhalve niet had bestaan evenmin als de schuld aan [naam 1] , moet alle schade opgevat worden als schade van [eiser] . Om die reden zijn alle schadeposten in dit rapport aangemerkt als schade van [eiser] . Ik licht de verschillende schadeposten hieronder toe. Ad. A Kosten hypotheekrechten [eiser] kocht de hypotheekrechten [op het [naam terrein] terrein, rb] in 1998 voor NLG 100.000 (€ 45.378) met een nominale waarde van NLG 5.193.601(€ 2.356.753). De aankoop van het [naam terrein] terrein is (deels) gefinancierd door verrekening van de waarde van de hypotheekrechten ad. € 2.356.753 met de aankoop van het terrein voor NLG 5.293.601 (€ 2.402.131). Het resterende bedrag van de koopsom zou middels nabetaling worden voldaan. Als [eiser] niet zou zijn overgegaan tot koop van het [naam terrein] terrein dan had hij de hypotheekrechten gehouden (de Soll positie). Dit staat tegenover de werkelijke situatie waarin [eiser] de hypotheekrechten heeft overgedragen en verrekend (de Ist positie). Het verschil tussen de Soll en de Ist positie brengt met zich mee dat deze schadepost kan worden begroot op € 45.378 te vermeerderen met de wettelijke rente. (…) Ad. D Rentelasten over de lening van [naam 3] en [naam 1] Om de kosten verband houdende met de aankoop van het [naam terrein] terrein te financieren, is [eiser1] in 2002 een lening bij de [naam 3] (hierna: [naam 3] ) aangegaan. Dit betrof een rekening courant krediet van totaal € 850.000 (in 2006 verhoogd naar € 1,420 miljoen). In de jaren daarna werden de krakers uitgekocht en de vergunningen aangevraagd. [eiser] leefde nog steeds in de veronderstelling dat het terrein in 2000 was gesaneerd (de fout van Boekel bleef onontdekt) en dat kon worden aangevangen met de ontwikkeling en herbouw van het terrein en de opstallen. Ter financiering van die ontwikkeling is het [naam 3] -krediet in 2007 afgelost (inclusief de overstand bedroeg dit € 1,518 miljoen) door [naam 1] en verhoogd naar € 4,5 miljoen. Dit krediet is verstrekt aan [eiser] privé. Als [eiser] niet zou zijn overgegaan tot koop van het [naam terrein] terrein dan was van deze kredieten geen sprake geweest en had [eiser] hierover geen rentelasten betaald (de Soll positie). Dit staat tegenover de werkelijke situatie waarin [eiser] het krediet wel is aangegaan en de rente en afsluitprovisie wel betaalde (de Ist positie). Het verschil tussen de Soll en de Ist positie brengt met zich mee dat deze schadepost kan worden begroot op de betaalde rente € 1.676.483 te vermeerderen met de wettelijke rente. (…) Ad E. Betaalde afsluitprovisie aan [naam 3] en [naam 1] Bij het afsluiten van de kredietovereenkomst tussen [eiser] en [naam 3] is een afsluitprovisie voldaan van €7.000,-. Bij het afsluiten van de kredietovereenkomst tussen [eiser] en [naam 1] is een afsluitprovisie voldaan van €17.500,- Als [eiser] niet zou zijn overgegaan tot koop van het [naam terrein] terrein dan was van het kredieten geen sprake geweest en had [eiser] hierover geen afsluitprovisie betaald (de Soll positie). Dit staat tegenover de werkelijke situatie waarin [eiser] het krediet wel is aangegaan en de afsluitprovisie wel betaalde (de Ist positie). Het verschil tussen de Soll en de Ist positie brengt met zich mee dat deze schadepost kan worden begroot op het bedrag van de afsluitprovisie, te weten € 24.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente. (…) 2.6. Op 20 juli 2017 heeft [eiser1] een dagvaarding uitgebracht in het kader van een bodemprocedure tegen Boekel voor deze rechtbank waarin [eiser1] schadevergoeding vordert van Boekel op grond van onrechtmatige daad. 2.7. De voormalig zakenpartner van [eiser] , [voormalig zakenpartner] (hierna: [voormalig zakenpartner] ), heeft op 25 september 2017 ten overstaan van een notaris een verklaring afgelegd. Daarin stelt hij over de aankoop van het [naam terrein] onder meer het volgende, waarbij hij met “ons” en “wij” [eiser] en [voormalig zakenpartner] bedoelt: (…) Wij wisten natuurlijk dat het [naam terrein] terrein ernstig vervuild was. Wij gingen uit van het allerergste. (…) Door de vervuiling konden wij het [naam terrein] terrein immers zo goedkoop verkrijgen. Als je zo’n groot terrein met historische gebouwen zo goedkoop kunt verwerven, dan weet je toch dat er iets mee aan de hand is? En dat wisten we dan ook. (…) Boekel had ons niet meer over de verontreiniging kunnen vertellen of ons meer kunnen waarschuwen dan zij al deed. (…) De heer [eiser] en ik hadden precies dezelfde kennis over het terrein. Ik sluit uit dat [eiser] niet wist van de ernst van de verontreiniging. (…) De vervuiling was evident. Het was voor iedereen duidelijk dat het [naam terrein] terrein een vieze bende was. Daar bestond echt geen misverstand over. (…) 2.8. Bij brief van 28 september 2017 heeft de notaris namens de hypotheekhouder [naam hypotheekhouder] (hierna: [naam hypotheekhouder] ) de executieverkoop van het [naam terrein] op 15 november 2017 aangezegd. Deze executieverkoop hangt samen met de omstandigheid dat [eiser] op 12 oktober 2007 in privé een krediet in rekening-courant is aangegaan bij [naam 1] Bankiers (hierna: [naam 1] ) van € 4,5 miljoen. Tot zekerheid voor de terugbetaling is voor € 5 miljoen een eerste krediethypotheek gevestigd op het [naam terrein] . In 2015 heeft [naam hypotheekhouder] de lening van [eiser] bij [naam 1] overgenomen. Zij heeft het recht van parate executie ingeroepen als bedoeld in artikel 3:268 Burgerlijk Wetboek (BW). De ten aanzien van deze lening openstaande schuld bedroeg per 26 april 2017 € 4.508.073,00. 3Het geschil in de schadestaatprocedure 3.1. [eiser] vordert, na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: I. Boekel te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.389.716,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over iedere schadepost vanaf het moment dat de schade is verschenen tot het moment dat de schade wordt vergoed en de PM-posten, Subsidiair: II. te bepalen dat – al dan niet in overleg met partijen – nog een deskundige zal worden aangewezen die de juistheid van [de rechtbank leest:] het rapport van [naam] kan controleren, althans die de door [eiser] geleden schade zal bepalen, en Boekel te gelasten een voorschot ter griffie te voldoen ter dekking van de door de deskundige te maken kosten, III. Boekel te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag ter vergoeding van die schade, althans Boekel te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank, na kennisneming van het rapport van de deskundige, in goede justitie te bepalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, IV. Boekel te veroordelen in de kosten van deze procedure, onder de bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na de dag waarop het vonnis is gewezen aan [eiser] zijn voldaan daarover vanaf de veertiende dag wettelijke rente verschuldigd is. 3.2. Ten slotte wordt in de akte van 18 oktober 2017 van [eiser] gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat het Boekel verboden is mededelingen te doen omtrent de gegevens die blijken uit de in deze procedure overgelegde fiscale aangiftes en aanslagen van [eiser] . 3.3. ’ [eiser] stelt ter onderbouwing van zijn primaire en subsidiaire vordering dat zijn schade als gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis (hierna ook: de beroepsfout van Boekel) € 5.389.716,00 bedraagt, te vermeerderen met PM-posten. Als [eiser] niet zou zijn overgegaan tot koop (via [eiser1] ) van het [naam terrein] dan had hij deze schade niet geleden, aldus zijn betoog. De schade betreft volgens [eiser] het negatieve contractsbelang bestaande uit het verschil tussen de “Ist” situatie (de feitelijke situatie na de beroepsfout van Boekel) waarin [eiser] een verlies lijdt van € 5.344.338,00 en de “Soll” situatie (de hypothetische situatie bij het wegdenken van de beroepsfout van Boekel) waarin [eiser] een vermogensbestanddeel zou hebben ter waarde van € 45.378,00. De PM-post staat volgens [eiser] voor kosten van ná 31 december 2016. Verder stelt hij aanspraak te hebben op de wettelijke rente. 3.4. Boekel voert verweer. Na aanvulling ter zitting strekt haar conclusie ertoe dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] zal afwijzen en [eiser] zal veroordelen in de kosten van het geding. Onder de kosten van het geding moeten volgens Boekel ook worden begrepen de kosten van haar deskundige van € 9.438,00 die zij stelt nodeloos te hebben gemaakt omdat zijn rapport een reactie betrof op twee door [eiser] ingetrokken schaderapporten. In het geval de vorderingen van [eiser] (gedeeltelijk) zouden worden toegewezen, verzoekt Boekel de rechtbank de uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.5. Boekel voert ter onderbouwing van haar verweer tegen de vorderingen van [eiser] aan dat, voor zover al sprake is van schade, die schade geen schade is van [eiser] , maar van [eiser1] . Verder stelt zij dat causaal verband tussen de beroepsfout van Boekel en de gestelde schade ontbreekt. Daarnaast beroept Boekel zich op eigen schuld van [eiser] en op voordeelstoerekening. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in de schadestaatprocedure Inleiding 4.1. Op 14 december 1998 verkregen [eiser] en [voormalig zakenpartner] samen de hypotheekrechten op het [naam terrein] (vgl. r.o. 2.1.3. van het arrest van het hof). Nadien heeft een financiële ontvlechting tussen [eiser] en [voormalig zakenpartner] plaatsgevonden. [voormalig zakenpartner] is geen partij in deze procedure. Daarom wordt [voormalig zakenpartner] hierna in principe niet meer vermeld, ook al heeft [eiser] bepaalde (rechts)handelingen samen met [voormalig zakenpartner] verricht. 4.2. Deze schadestaatprocedure wordt uitsluitend nog gevoerd door [eiser] . [eiser1] , die in de hoofdprocedure als eiser naast [eiser] optrad, speelt na het arrest van het hof geen rol meer in deze procedure. Haar vordering, die was ingesteld op grond van toerekenbare tekortkoming (artikel 6:74 BW), is door de rechtbank afgewezen en het hof heeft deze beslissing bekrachtigd. 4.3. Het hof heeft, voor zover van belang, ten aanzien van [eiser1] het volgende geoordeeld: 3.4 (…) Kern van het verwijt van [eiser] c.s. aan Boekel betreft de advisering door [naam 2] aan zijn cliënt [eiser] ten tijde van de verkoop van het terrein. Dat is de periode voorafgaand aan de oprichting van [eiser1] . Cliënten van [naam 2] waren toen [eiser] en [voormalig zakenpartner] ; [eiser1] kon toen nog geen cliënt van [naam 2] zijn. Gesteld noch gebleken is dat zij dat na haar oprichting wel is geworden. [eiser] c.s. hebben onvoldoende feiten gesteld waaruit kan volgen dat [naam 2] [eiser1] in de periode na haar oprichting heeft geadviseerd en daarbij jegens [eiser1] toerekenbaar is tekortgeschoten. (…) 4.4. [eiser1] heeft geen (incidenteel) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Daardoor staat bij gewijsde vast dat [eiser1] geen vordering op Boekel heeft op grond van toerekenbare tekortkoming. Dat is van belang omdat de schadestaatprocedure een voortzetting is van de hoofdprocedure, waarin de rechtbank gebonden is aan de beslissingen in die procedure. Dat betekent dat in deze schadestaatprocedure uitsluitend nog die schade voor vergoeding in aanmerking komt die [eiser] heeft geleden door de beroepsfout van Boekel ten tijde van de koop/verkoop van het [naam terrein] . Basis van de schadebegroting 4.5. ’ [eiser] baseert zijn vorderingen in deze procedure op het rapport van [naam] . [eiser] heeft de rapporten, opgesteld door [naam 5] , ingetrokken (door partijen ook wel aangeduid als “de SMAN-rapporten”). De rechtbank zal bij de beoordeling van de gevorderde schade daarom aansluiting zoeken bij de indeling in het rapport van [naam] als vermeld onder de feiten (zie 2.5). Schadeonderdelen B, C en F t/m K 4.6. De in het rapport van [naam] genoemde schadeonderdelen B, C en F t/m K hebben – onbetwist – betrekking op kosten die door [eiser1] zijn gemaakt. Boekel voert aan dat het arrest van het hof geen rechtsgrond biedt voor toewijzing van dit deel van de vordering van [eiser] . 4.7. ’ [eiser] erkent dat sprake is van schade van [eiser1] , maar meent (op grond van een primair en een subsidiair betoog) dat dit niet in de weg staat aan toewijzing van zijn vordering. 4.8. ’ [eiser] stelt dat hij het van [naam 1] geleende bedrag van € 4,5 miljoen, dat is genoemd onder de feiten (zie 2.8), heeft doorgeleend aan [eiser1] op grond van een overeenkomst van 12 oktober 2007 (vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst van 14 augustus 2013). Het primaire betoog van [eiser] komt in de kern op het volgende neer. De executiewaarde van het [naam terrein] bedraagt op dit moment € 1.160.000,00 kosten koper. [eiser1] heeft geen andere inkomsten en geen andere financieringsbron dan de gelden die afkomstig zijn van [eiser] . Daardoor zal [eiser1] na de executieverkoop van het [naam terrein] door [naam hypotheekhouder] naar alle waarschijnlijkheid geen verhaal meer bieden voor de vorderingen van [eiser] op [eiser1] en is [eiser] dus (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.