RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/665358-17 (ontnemingszaak) Datum uitspraak: 8 maart 2018 Tegenspraak VERKORT VONNIS Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/665358-17 tegen: [veroordeelde] , hierna te noemen: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het Huis van Bewaring [locatie] . 1Het onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 22 februari
- De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat door de officier van justitie, mr. K. Duker, en door de raadsvrouw, mr. A. Çimen, naar voren is gebracht. 2De vordering De vordering van de officier van justitie van 13 februari 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 593,
- 3Grondslag van de vordering [veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2018 veroordeeld voor kort gezegd meerdere oplichtingen en diefstallen. 4Het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank baseert zich bij de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de feiten en omstandigheden die in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 7 februari 2018 staan. Omdat [veroordeelde] is vrijgesproken voor de diefstal van € 100,- van [persoon 1] en van € 15,- van [persoon 2] brengt de rechtbank deze bedragen in mindering op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [veroordeelde] door middel van voornoemde strafbare feiten voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 478,
- 5De verplichting tot betaling De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 478,
- 6Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 7Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 478,
- Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 478,27 (zegge vierhonderdachtenzeventig euro en zevenentwintig cent) aan de Staat. Dit vonnis is gewezen door mr. B. Vogel, voorzitter, mrs. M.J.E. Geradts en J. Huber, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Todorov, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 maart 2018.