RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751799-15 RK nummer: 16/4423 Datum uitspraak: 22 maart 2018 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 juni 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 24 februari 2014 (ontvangen op 23 juni 2016) door de Judge of the Circuit Court van Katowice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990, wonende op het adres [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 augustus
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst in verband met het stellen van aanvullende vragen aan Polen. De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 7 november 2017 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsman mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst in verband met het stellen van aanvullende vragen aan Polen en in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Ardic. De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 8 maart 2018 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door zijn raadsman mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat het door de aanhoudingen niet is gelukt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van: I. een vonnis van 4 juni 2010 van het District Court Katovice-Zachód te Katovice (referentie VIII K 739/10). Op 11 januari 2012 is de tenuitvoerlegging bevolen; II. een vonnis van 10 maart 2011 van het District Court Katovice-Wschód te Katovice (referentie III K112/11). Op 13 februari 2013 is de tenuitvoerlegging bevolen. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar (vonnis I) en 1 jaar (vonnis II), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteert volgens het EAB nog 2 en 1 jaar. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW Vonnis I (VIII K 739/10): overlevering toegestaan De rechtbank stelt vast dat het EAB met betrekking tot vonnis I niet strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis. De opgeëiste persoon is in persoon aanwezig geweest bij de zitting. De weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW is dan ook niet aan de orde. Vonnis II ( III K 112/11): heropening onderzoek De opgeëiste persoon was niet in persoon aanwezig bij de zitting van het vonnis van 10 maart 2011 (vonnis II). De Poolse autoriteiten hebben bij brief van 25 september 2017 aangegeven dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een maand de tijd heeft om verzet aan te tekenen. Op de zitting van 7 november 2017 heeft de rechtbank de officier van justitie opgedragen om aan de Poolse autoriteiten te vragen of deze verzetgarantie onvoorwaardelijk is, met andere woorden of de opgeëiste persoon daadwerkelijk het recht heeft op een nieuw proces waarin zijn schuld en het bewijs opnieuw, in zijn aanwezigheid, kunnen worden beoordeeld. Ter zitting van 8 maart 2018 heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat zij abusievelijk heeft nagelaten om deze vragen met betrekking tot vonnis II aan de Poolse uitvaardigende autoriteiten te stellen. De rechtbank zal daarom ten aanzien van dit vonnis het onderzoek heropenen om de officier van justitie alsnog in de gelegenheid te stellen voornoemde vraag aan de Poolse autoriteiten voor te leggen. 4Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist Ten aanzien van vonnis I heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan, in aanmerking genomen hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:7460) heeft overwogen. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Vonnis I: Diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. 5Slotsom Nu ten aanzien van de feiten van vonnis I (VIII K 739/10) waarvoor de overlevering wordt gevraagd, is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het feit van vonnis II (III K I 112/11) wordt het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd aangehouden om de aanvullende antwoorden met betrekking tot de onvoorwaardelijkheid van de verstrekte verzetgarantie van de Poolse autoriteiten af te wachten. 6Toepasselijke wetsbepalingen Artikelen 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 van de OLW. 7Beslissing Feiten van vonnis I (VIII K 739/10): STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judge of the Circuit Court van Katowice (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, opgelegd wegens de feiten voor vonnis I (VIII K 739/10) Feit van vonnis II (III K I 12/11) HEROPENT en schorst het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de bovengenoemde vraag met betrekking tot onvoorwaardelijkheid van de verzetgarantie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. BEVEELT dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en een tolk Pools tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de opgeëiste persoon. Aldus gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. J. Edgar en A. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 maart
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.