RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751798-16 RK nummer: 16/7096 Datum uitspraak: 29 maart 2018 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 oktober 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 november 2012 door de Procureur des Konings te Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Israël) op [geboortedag] 1960, adres: [adres] ; hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 december
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst voor het verkrijgen van nadere informatie. Het onderzoek is voortgezet op de openbare zitting van 29 maart 2018 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.A.E. Weitzel. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege de aanhouding niet in is geslaagd binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft op de zitting van 15 december 2016 de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft op die zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Israëlische nationaliteit heeft. 3De ontvankelijkheid van de officier van justitie Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon op 17 februari 2018 te Alkmaar is overleden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij vanwege het overlijden van de opgeëiste persoon niet meer ontvankelijk is in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB van 15 november
- De borgsom van € 15.000,- kan worden teruggegeven, bij voorkeur op de derdengeldrekening van de raadsvrouw van de opgeëiste persoon. De rechtbank volgt de officier van justitie en zal haar in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en gelasten dat de borg van € 15.000 euro aan de rechthebbende zal worden geretourneerd. 4Beslissing VERKLAART HET OPENBAAR MINISTERIE NIET-ONTVANKELIJK met betrekking tot de vordering op grond van artikel 23 van de OLW inzake het EAB van 15 november 2012 ten aanzien van [opgeëiste persoon] . HEFT OP het geschorste bevel tot overleveringsdetentie. GELAST de teruggave van de borg van € 15.000,- aan de rechthebbende. Aldus gedaan door mr. A.J. Dondorp, voorzitter, mrs. R.A.J. Hübel en B. Poelert, rechters, in tegenwoordigheid van D. Smeets, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 maart
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.