RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/650074-17 Datum uitspraak: 23 april 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans verblijvende in de “PI [naam PI] ” te [plaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12 juni 2017, 31 augustus 2017, 23 november 2017, 2 februari 2018 en 9 april
(2009)werden geboren, vertelt verdachte dat in de beginperiode alles steeds prima verliep maar dat daarna ruzies kwamen, waarbij klappen vielen, geduwd werd en dingen werden gegooid. Moeder bevestigt tegen de reclassering dat verdachte tot zijn elfde jaar door zijn biologische vader is mishandeld. Daarvan heeft hij de littekens nog op zijn rug staan, aldus zijn moeder. De behandeling tegen agressie bij JusTact heeft verdachte na enkele gesprekken beëindigd. De reclassering constateert een zorgwekkende ontwikkeling van het agressiepatroon. Het recidiverisico wordt hooggemiddeld geschat. Het rapport van Tactus Verslavingszorg van 28 februari 2014 waarin een delictpatroon ten aanzien van geweldsdelicten wordt geconstateerd. In december 2013 werd het toezicht opgestart en vonden twee gesprekken plaats. Daarna vertrok verdachte en reageerde hij niet meer op uitnodigingen, zodat een berisping en een waarschuwing volgden. Verdachte vond een behandeling in De Waag voor agressie niet nodig. In december 2013 werd hem een contactverbod voor zijn ex-vriendin opgelegd. In februari 2014 meldde hij zich weer en vertelde 5 weken in Zuid-Amerika te zijn geweest en in Amsterdam bij een nieuwe vriendin te wonen, waarvan hij het adres niet wilde geven. Bij confrontatie met het overtreden van de voorwaarden toonde verdachte weinig emotie en kwam hij oninvoelbaar over. Het recidiverisico werd onverminderd hoog geacht. Een waarschuwing van reclassering Inforsa d.d. 17 juni 2016 dat verdachte niet op afspraken meldplicht of afspraken van de behandelaar van De Waag kwam. Het reclasseringsrapport van 7 juni 2017, opgesteld door Reclassering Nederland, waarin aanwijzingen voor problemen in de agressie- en impulsregulatie en voor persoonlijkheidsproblematiek werden gezien. Het recidiverisico werd ingeschat als hoog. Het reclasseringsadvies van 22 maart 2018 van Reclassering Nederland waaruit blijkt dat verdachte niet bereid was om mee te werken aan diagnostisch onderzoek en eventuele behandeling. Het consult door L. Röst, psychiater, (brief consult strafrechtspleging van 5 april 2017), waarin verdachte heeft geweigerd in gesprek te gaan. Vanuit het korte contact werden geen aanwijzingen gezien voor een grove psychiatrische stoornis. Röst constateert dat er wel aanwijzingen zijn dat verdachte problemen heeft met agressie- en impulsregulatie. Ook zijn er volgens Röst aanwijzingen dat bij betrokkene sprake is van een cluster B persoonlijkheidsstoornis, dan wel trekken hiervan. De Pro Justitia rapportage van 19 december 2017, opgesteld door M.C. Overduin, klinisch psycholoog, en H.J.T. Boerboom, psychiater. Verdachte is geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (PBC) en heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek. Om die reden hebben de rapporteurs geen diagnose kunnen stellen, maar zij hebben wel de volgende bevindingen gerapporteerd. Door M.C. Overduin is gerapporteerd dat er geen volledig beeld is ontstaan van de persoon van verdachte en zijn functioneren, nu hij zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. Uit de dossierinformatie over verdachte komt naar voren dat hij opgroeide in een onveilig gezinsklimaat, waarin sprake was van agressie naar hem toe en huiselijk geweld door vader en stiefvader. In de adolescentie wordt al melding gemaakt van agressieproblematiek (veroordelingen inzake mishandeling vanaf zijn vijftiende jaar), en voor zover bekend toonde verdachte in zijn relaties sterke stemmingswisselingen en agressief gedrag. In de vroege volwassenheid wordt melding gemaakt van het pijnigen van zijn huisdieren. Verdachte bleek niet in staat om zich maatschappelijk stabiel te ontwikkelen op het gebied van opleiding, arbeid en relaties. Verdachte wordt beschreven als iemand met meerdere gezichten. Enerzijds de charmante, attente en sociaal vaardige man, anderzijds de onverwacht agressief handelende man die zich ook, sadistisch overkomend, richt op het pijnigen van mens en dier. In de relatievorming dringt verdachte kort na kennismaking met een potentiële partner aan op samenwonen, samen een kind krijgen en is hij zeer charmerend en relatiegericht. Na verloop van tijd ontstaan er echter heftige agressieve gedragingen/neigingen naar zijn naasten, waarbij sterk wisselende stemmingen een rol spelen. Verdachte geeft geen blijk van inlevingsvermogen. Op basis van de beperkte informatie voorhanden is er een beeld ontstaan van een man bij wie er geen concrete aanwijzingen zijn voor ernstige psychiatrische stoornissen in engere zin, maar bij wie mogelijk wel sprake is van persoonlijkheidsproblematiek in combinatie met borderline dynamiek. Door H.T.J. Boerboom is gerapporteerd dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum. De beschikbare informatie is onvoldoende om sluitende conclusies te kunnen trekken. Uit de beschikbare stukken komt echter een beeld van verdachte naar voren dat zorgwekkend imponeert. Verdachte wordt beschreven als iemand die aan oplichting doet, liegt, dreigt, geweld gebruikt, gevoelig is voor krenking en afwijzing, overlappende relaties heeft, woedeaanvallen heeft, dieren pijn doet en doodt, op kosten van partners leeft, vaak door conflicten baantjes verliest en geen vaste baan kan behouden. Zijn laatste partner zou de relatie beëindigd hebben wegens zijn roekeloze manier van leven. De diagnostiek zou zich naar alle waarschijnlijkheid hebben gericht op de persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte. Gezien de beschreven karakteristieken zou er een indicatie zijn geweest voor het afnemen van de psychopathie checklist (PCL-R). Verder zijn er vragen over de hechting(srelaties) van verdachte. De moeder van verdachte zou hem in alles hebben beschermd, wat vragen oproept over een mogelijke symbiotische relatie, met mogelijk een herhaling in afhankelijkheid naar vrouwen/partners van betrokkene. Opvallend is dat verdachte ook buiten relaties tot geweld komt. De vraag is of er sprake is van opportunistisch en predatorisch geweld, of dat er meer sprake was van affectief geweld. Spijt lijkt hij over het algemeen niet te hebben. Aangezien verdachte ook in staat is tot een consensuele seksuele relatie, ondanks de borderline dynamiek, lijkt het seksuele geweld, op basis van de nu beschikbare gegevens, gezien te moeten worden binnen die dynamiek, en niet als aparte parafilie. De deskundige M.C. Overduin, klinisch psycholoog, heeft bij haar verhoor ter terechtzitting de bevindingen uit voornoemd rapport nader toegelicht. Zij heeft onder meer het volgende - zakelijk weergegeven - verklaard. Ik heb geen inhoudelijke gesprekken kunnen voeren met verdachte, op het terugkoppelingsgesprek na. Het patroon van geweldsdelicten en de heftige dynamiek binnen de relaties die [verdachte] aangaat roepen vragen op over de aanwezigheid van persoonlijkheidsproblematiek. Ik heb een vermoeden gekregen van borderline dynamiek. Die dynamiek gaat gepaard met het aangaan van hele heftige, intense, emotioneel geladen relaties. Er vinden in die relaties ook veel wisselingen in emoties plaats, waarbij er een omslag kan plaatsvinden op het moment dat situaties anders lopen dan verwacht. De relatie en de partner worden in de eerste instantie geïdealiseerd, maar als de verwachtingen gefrustreerd raken, slaat dit om en wordt er vanuit een devaluatie naar de partner gekeken. Dit sterke zwart-wit denken kan dan in gedrag tot uitdrukking komen. De beschrijvingen van de relaties van verdachte in het dossier geven een dergelijk patroon weer, maar deze hypothese heb ik niet kunnen toetsen omdat verdachte het onderzoek weigerde. Ook agressie- en impulsregulatieproblematiek passen bij zulke borderline dynamiek. Het klopt dat op het moment dat er een dergelijke stoornis kan worden geconstateerd, er een mogelijk verband te leggen zal zijn met de tenlastelegde feiten. Een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een narcistische persoonlijkheidsstoornis en borderline problematiek vallen allemaal onder een cluster B stoornis, waar door Röst in zijn brief van 5 april 2017 naar is verwezen. Kijkend naar het dossier zijn er inderdaad bij ons vragen ontstaan over de aanwezigheid van zo’n stoornis bij [verdachte] . Het opgroeien van [verdachte] in een onveilig gezinsklimaat en zijn agressieproblematiek zijn gegevens die passen binnen een cluster B stoornis. Sterke stemmingswisselingen in de relaties en agressief gedrag, het pijnigen van huisdieren, het feit dat hij nooit een stabiele maatschappelijke arbeidsplek heeft gehad of nooit een opleiding heeft afgerond zijn aanwijzingen voor zo’n persoonlijkheidsstoornis, maar deze aanwijzingen zijn afkomstig uit het dossier en komen niet van gesprekken met [verdachte] zelf. Ik betreur het dat ik nooit met hem heb kunnen bespreken wat zijn visie is op al die aspecten. Het feit dat hij wordt beschreven als iemand met twee gezichten past ook bij een cluster B stoornis. Op basis van de stukken heb ik wel het vermoeden dat sprake is van persoonlijkheidsproblematiek in combinatie met borderline dynamiek. De geweldsdelicten, het middelengebruik, de heftige dynamiek binnen relaties, de veelheid van contacten met politie en justitie, het roekeloze gedrag met risico’s voor anderen en de mogelijke impulsregulatieproblematiek zoals die uit de stukken naar voren komt zijn aanknopingspunten daarvoor. Ik heb in de stukken geen concrete contra-indicaties gezien die erop wijzen dat er geen sprake zou zijn van een dergelijke stoornis of problematiek. Uitgaande van de hypothese van een persoonlijkheidsstoornis, zal verdachtes gedrag niet veranderen als hij niet wordt behandeld. De deskundige H.J.T. Boerboom, psychiater, heeft bij zijn verhoor ter terechtzitting de bevindingen uit voornoemd rapport nader toegelicht. Hij heeft onder meer het volgende - zakelijk weergegeven - verklaard. Ik heb [verdachte] weinig kunnen spreken. Ik heb geen eigen onderzoek kunnen doen omdat hij het onderzoek weigerde. [verdachte] heeft zich op de afdeling in het PBC correct gedragen, daarnaast hebben we een dossier met veel informatie. Uiteindelijk zijn mijn bevindingen daarop gebaseerd. Het beeld van verdachte zoals dat uit de stukken naar voren komt is zorgwekkend. Bij mij dringt zich ook de gedachte op dat er wellicht sprake is van borderline dynamiek bij [verdachte] , alsmede van antisociale en psychopathische problematiek. Alles bij elkaar genomen, het dossier en hetgeen we hebben gezien op de afdeling, zijn er aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek. Maar door zijn weigering kan ik als deskundige daaruit geen conclusie trekken. Op pagina 28 van het rapport worden door mij een groot aantal trekken genoemd die ik uit het dossier heb afgeleid en die allemaal ook in de psychopathievragenlijst, de PCL-R, staan. Dat gaat om liegen, dreigen, geweld gebruiken, gevoelig zijn voor krenking en afwijzing, overlappende relaties hebben, woedeaanvallen hebben, dieren pijn doen en doden, op kosten van partners leven, vaak door conflicten baantjes verliezen en een roekeloze levensstijl. Die psychopathievragenlijst is niet bij [verdachte] afgenomen, omdat dit alleen wordt gedaan binnen een behandelrelatie. De kenmerken zijn allemaal terug te vinden in hetgeen in het verleden over [verdachte] is gerapporteerd. Deze kenmerken zijn allemaal wel persoonlijkheidsstoornis gerelateerd. Ik heb dan ook wel het vermoeden dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Maar vanuit mijn deskundigheid kan ik de finale stap naar de diagnose van een persoonlijkheidsstoornis niet maken. Wat betreft het recidiverisico zijn er veel geweldsdelicten geweest in zijn verleden en dat is een goede voorspeller voor nieuw geweld. In dat verband is het ook zorgwekkend met het oog op toekomstig agressief gedrag dat [verdachte] zich niet laat behandelen en dat hij geen probleeminzicht heeft. Het agressieve aspect openbaart zich bij hem niet alleen in relaties, maar het is breder dan dat. Het was niet vast te stellen of er bij [verdachte] sprake is van seksuele problematiek. Mijn vermoeden is dat het meer binnen de persoonlijkheidsproblematiek zit dan dat er sprake is van parafilie. Mijn vermoeden is dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Een persoonlijkheidsstoornis of borderline dynamiek gaat niet vanzelf over, maar in de loop van tientallen jaren, naar mate personen ouder worden, kan de stoornis wel milder worden. Uitgaande van een persoonlijkheidsstoornis zal het gedrag van betrokken niet veranderen als hij niet wordt behandeld. Mevrouw [slachtoffer 2] , een van de aangeefsters, is gehoord als referent in het milieuonderzoek omdat er weinig referenten waren die wilden meewerken. De informatie die zij heeft gegeven verschilt niet veel van haar verklaring die ze bij de politie heeft afgelegd. We zijn echter wel terughoudend geweest om de door haar gegeven informatie te gebruiken. De door haar gegeven informatie is bovendien zeker niet het voornaamste deel waar wij onze vermoedens op hebben gebaseerd. Het grootste gedeelte van de informatie komt uit het dossier, de eerdere rapportages en de politieverhoren. 8.3.
- De conclusie die de rechtbank uit het voorgaande trekt Uit het voorgaande volgt dat de verdachte gedurende een lange periode kampt met een terugkerend onvermogen zijn gevoelens van agressie adequaat te reguleren. Al op vijftienjarige leeftijd is er sprake van agressieve delicten, waarvoor hem naar zijn zeggen een agressieregulatie training is opgelegd. In 2010 breekt hij een behandeling voor agressie bij JusTact af. In 2010, 2011 en 2014 acht de reclassering het recidivegevaar voor geweldsdelicten steeds onverminderd hoog. In 2011 heeft hij rapportage door een psychiater en een psycholoog geweigerd, waarbij de psycholoog een intensieve behandeling geïndiceerd achtte. Hoe een behandeling bij De Waag in 2016 is verlopen, is onbekend nu verdachte die informatie geweigerd heeft te laten verstrekken. Wel is er een waarschuwing gegeven door Inforsa dat hij zijn afspraken bij De Waag niet nakwam. Ook de onder 1 en 3 bewezen geachte feiten zijn naar hun aard evident agressief, terwijl de context van verbroken relaties waarin de verdachte deze feiten heeft gepleegd rechtstreeks lijkt samen te hangen met een tot zijn agressief gedrag te herleiden problematiek. Naar aanleiding van een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte is in deze strafzaak gerapporteerd door psychiater L. Röst die aanwijzingen ziet dat bij betrokkene sprake is van een cluster B persoonlijkheidsstoornis (antisociale, narcistische en borderline persoonlijkheidsstoornis), dan wel trekken hiervan. Voorts is gerapporteerd door aan het PBC verbonden deskundigen, zoals hiervoor op onderdelen is weergegeven. De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het PBC-rapport, bezien in samenhang met hetgeen door de rapporteurs ter terechtzitting als deskundigen is verklaard, en gelet op hetgeen overigens omtrent de persoon van de verdachte is gebleken (in het bijzonder hetgeen hiervoor is weergegeven), vast dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de onder 1 en 3 ten laste van hem bewezen geachte feiten, een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank onderkent dat het PBC-onderzoek en -rapport als onvolkomen moet worden geduid, in zoverre dat door het uitblijven van de voor een methodologisch deugdelijk psychologisch en psychiatrisch onderzoek nodige medewerking van de verdachte daaraan, daaruit geen conclusies ten aanzien van het bestaan van een stoornis of ontwikkeling van de verdachte zijn getrokken en in dat rapport zijn neergelegd. Echter, de eenduidige pathologische duiding die ondanks die beperkingen door de deskundigen aan verdachtes gedragingen volgens hun verklaarde overtuiging is gegeven, terwijl zij, hoewel geconfronteerd met de ten gevolge van verdachtes weigering ontstane methodologische beperkingen, niettemin ruimte zien en ook nemen om de zich aan hen als deskundigen opdringende gedachte aan het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline problematiek bij de verdachte met zoveel woorden uit te spreken, vormt - naast hetgeen hiervoor is weergegeven - de kern voor de vaststelling van de rechtbank. De enkele omstandigheid dat de deskundigen de finale stap naar een diagnose niet hebben kunnen maken doet daaraan niet af. Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of – ter bescherming van de maatschappij – een TBS met dwangverpleging vereist is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Gebleken is dat bij de verdachte ten tijde van de onder 1 en 3 bewezen geachte feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts is er – naar het oordeel van de rechtbank – sprake van een aanzienlijk recidivegevaar op het gebied van agressieve delicten, zodat zonder behandeling een groot gevaar voor de veiligheid van personen bestaat. De inschatting van dat gevaar ontleent de rechtbank aan de langjarige duur van het bestaan van de agressieregulatieproblematiek, welke problematiek en duur naar het oordeel van de rechtbank moeten worden geacht verbonden te zijn met het hiervoor vastgestelde bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis. Voorts neemt de rechtbank over hetgeen door de deskundigen ter zitting is verklaard over het zorgwekkend beeld van verdachte met het oog op toekomstig agressief gedrag, nu verdachte geen probleeminzicht heeft en de stoornis zonder behandeling niet vanzelf zal verdwijnen. De rechtbank acht het, gelet op de aard en de ernst van de bewezen geachte feiten onder 1 en 3 en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, niet verantwoord de verdachte, zonder dat dit recidivegevaar is weggenomen of in belangrijke mate is afgenomen - waartoe behandeling een bijdrage zou kunnen leveren -, in de maatschappij te laten terugkeren. De verdachte heeft door te volharden in zijn weigering medewerking te verlenen aan met het oog op rapportage door gedragsdeskundigen te verrichten onderzoek, iedere opening naar onderzoek naar het bestaan van alternatieve, minder vergaande modaliteiten van beteugeling van het herhalingsgevaar onmogelijk gemaakt. Reclassering Nederland heeft tevens gerapporteerd dat zij geen mogelijkheden zien voor reclasseringsbemoeienis, nu is gebleken dat verdachte niet open staat voor medewerking aan diagnostisch onderzoek en behandeling. De door verdachte begane feiten onder 1 en 3 zijn misdrijven, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging eist. Gelet op de bewezenverklaring zoals in dit vonnis is weergegeven, wordt de maatregel opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen, of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaar. 9Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: 1.00 STK Ondergoed (itemnummer 53344807); 1.00 STK Toiletartikel - toiletpapier (itemnummer 5334589). De rechtbank zal bepalen dat voornoemde goederen aan de rechthebbenden moeten worden teruggegeven. De door de officier van justitie ten aanzien van het toiletpapier gevorderde beslissing (vernietiging) is een beslissing die rechtens niet mogelijk is. Ten aanzien daarvan overweegt de rechtbank dan ook dat zij ondanks de formele beslissing tot teruggave, ervan uitgaat dat de officier van justitie stappen onderneemt om dit te laten vernietigen, zoals zij ter zitting ook heeft gevorderd. 10Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel 10.
- [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 5.685,59 aan materiële schadevergoeding en € 25.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en verzoekt de rechtbank daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De schriftelijke vordering is door mr. C.M. Sent, de advocaat van de benadeelde partij, ter terechtzitting - onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen - toegelicht. De schriftelijk gevorderde toekomstige kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € 3.500,- zijn ter terechtzitting ingetrokken. 10.1.
- Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. De gevorderde kosten voor immateriële schade zijn relatief hoog, maar dat doet niet af aan de redelijkheid in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. 10.1.
- Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde feit, in welk geval de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde kosten ten aanzien van de medische kosten in de vorm van het eigen risico (€ 385,-) en de forfaitaire telefoonkosten niet zijn onderbouwd en de vordering in zoverre derhalve moet worden afgewezen. Tevens heeft zij de rechtbank verzocht de gevorderde toekomstige kosten af te wijzen, nu deze kosten in een eventuele zitting bij het Hof in hoger beroep kunnen worden opgevoerd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging de rechtbank verzocht het bedrag aanzienlijk te matigen, nu dit bedrag bijzonder fors is. 10.1.
- Het oordeel van de rechtbank Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is ten aanzien van de posten reiskosten, kosten vervanging sloten, kosten cancelen ticket zoon na teruggave en kleding vervanging niet betwist en zal voor dat gedeelte worden toegewezen, met uitzondering van de toekomstige reiskosten in verband met een eventuele zitting in hoger beroep. De gevorderde schadevergoeding ten aanzien van het eigen risico aangaande de medische kosten en kosten telefonie komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen eveneens worden toegewezen, alsmede de toekomstige kosten voor reizen (met uitzondering van de geclaimde kosten van rechtsbijstand bij een eventuele behandeling in hoger beroep) en therapie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De vordering tot materiele schadevergoeding zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 1.578,
- Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij, door het onder 1 bewezenverklaarde, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en op haar lichamelijke integriteit. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 15.000,-. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het geweld en het uiterst pijnlijke letsel waarmee de verkrachting gepaard is gegaan. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige, te weten de meer gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding, niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van het meer gevorderde levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden, hetgeen in strijd zou zijn met het belang van een voortvarende afdoening van de strafzaak. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De gevorderde kosten van rechtsbijstand komen ingevolge artikel 592a Wetboek van Strafvordering wel voor vergoeding in aanmerking, maar zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks geleden is als gevolg van het strafbare feit. Voor dat deel van de schade geldt de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht daarom niet. 10.
- [slachtoffer 2] De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 1.118,10 aan materiële schadevergoeding en € 25.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening en verzoekt de rechtbank daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De schriftelijke vordering is door mr. C.M. Sent, de advocaat van de benadeelde partij, ter terechtzitting - onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen - toegelicht. 10.2.
- Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. De gevorderde kosten voor immateriële schade zijn relatief hoog, maar dat doet niet af aan de redelijkheid in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. 10.2.
- Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde feit, in welk geval de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde kosten ten aanzien van de medische kosten in de vorm van het eigen risico (€ 385,-) en de forfaitaire telefoonkosten niet zijn onderbouwd en derhalve in zoverre moet worden afgewezen. Tevens heeft zij de rechtbank verzocht de gevorderde toekomstige kosten af te wijzen, nu deze kosten in een eventuele zitting bij het Hof in hoger beroep kunnen worden opgevoerd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging de rechtbank verzocht het bedrag aanzienlijk te matigen, nu dit bedrag bijzonder fors is. 10.2.
- Het oordeel van de rechtbank Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is ten aanzien van de post reiskosten niet betwist en zal worden toegewezen. De gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de medische kosten en telefoonkosten komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde toekomstige kosten, tot een bedrag van in totaal € 718,28, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij, door het onder 1 bewezenverklaarde, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en op haar lichamelijke integriteit. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 15.000,-. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat sprake is van twee verkrachtingen en dat een verkrachting in het bijzijn van het zoontje van de benadeelde heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de einddatum van de bewezenverklaarde periode waarbinnen de verkrachtingen zijn gepleegd. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De benadeelde partij zal voor het overige, te weten de meer gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding, niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van het meer gevorderde levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden, hetgeen in strijd zou zijn met het belang van een voortvarende afdoening van de strafzaak. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. 10.
- [slachtoffer 3] De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 5.500,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en verzoekt de rechtbank daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 10.3.
- Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. 10.3.
- Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft de vordering ter terechtzitting niet betwist. 10.3.
- Het oordeel van de rechtbank Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist en zal worden toegewezen, nu het gevorderde bedrag lager is dan het bedrag dat in de aangifte is genoemd. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. 11Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 242 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. 12Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feiten 1 en 3: Verkrachting, meermalen gepleegd. Ten aanzien van feit 4: Oplichting. Ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde: Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde: Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Ten aanzien van het beslag: Gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [verdachte] , van: 1.00 STK Ondergoed (itemnummer 53344807). Gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [slachtoffer 1] , van: 1.00 STK Toiletartikel - toiletpapier (itemnummer 5334589). Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] : Wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 16.578,89 (zestienduizendvijfhonderdachtenzeventig euro en negenentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd. Veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 4310,63, Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , € 16.578,89 (zestienduizendvijfhonderdachtenzeventig euro en negenentachtig eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 117 (honderdzeventien) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] : Wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 15.718,28 (vijftienduizendzevenhonderdachttien euro en achtentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] , € 15.718,28 (vijftienduizendzevenhonderdachttien euro en achtentwintig eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 113 (honderddertien dagen) vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] : Wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 5.500,- (vijfduizendvijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 augustus 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] , € 5.500,- (vijfduizendvijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 62 (tweeënzestig dagen) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter, mrs. P.L.C.M. Ficq en R. Robroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.E. van der Burg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april
- De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.