RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/674043-14 (Promis) Datum uitspraak: 23 april 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1947, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2018. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van wat de raadsman van verdachte, mr. N. van der Laan naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Verdachte wordt – kort gezegd – beschuldigd van het vervaardigen en aanbieden en/of het in bezit hebben van een groot aantal afbeeldingen en films die een seksuele gedraging bevatten, waarbij personen die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt zijn betrokken en waarvan verdachte een gewoonte heeft gemaakt. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen 3.1 De geldigheid van de dagvaarding 3.1.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard en heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.Het is vaste jurisprudentie dat een tenlastelegging van kinderporno voldoende feitelijk dient te zijn.Het ten laste leggen van grote hoeveelheden foto’s en films is zonder nadere beschrijving niet toegestaan. Het uitgangspunt is dat de tenlastelegging ten aanzien van elk van de ten laste gelegde afbeeldingen, hetzij een voldoende concrete beschrijving dient te vermelden, hetzij de vindplaats van die beschrijving in het dossier dient te vermelden. In onderhavige tenlastelegging wordt gesproken over een groot aantal bestanden, maar niet alle afbeeldingen zijn expliciet omschreven in de tenlastelegging. Daarnaast zijn de bestanden die wel besproken worden niet altijd volledig herleidbaar tot het juiste bestand. 3.1.2 3.1.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard ten aanzien van het aantal bestanden dat in de tenlastelegging staat vermeld, maar niet feitelijk is omschreven. Voor het overige moet het verweer van de verdediging worden verworpen omdat van deze aangetroffen bestanden wel een voldoende feitelijke omschrijving in de tenlastelegging is opgenomen, inclusief verwijzing naar de desbetreffende pagina’s van de bestanden opgenomen in het procesdossier. 3.1.3 3.1.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de dagvaarding partieel nietig is daar waar het aantal bestanden in de tenlastelegging staan vermeld maar niet feitelijk omschreven zijn. De rechtbank verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1497. Hierin herhaalt de Hoge Raad zijn eerdere oordeel dat aan de term ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Zonder feitelijke omschrijving van die afbeelding in de tenlastelegging, voldoet de dagvaarding niet aan de in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eis van opgave van het feit. Er bestaat geen grond anders te oordelen in het geval de tenlastelegging betrekking heeft op meer afbeeldingen. De Hoge Raad overweegt voorts dat als het gaat om grootschalig bezit, er kan worden volstaan met het opnemen van een voldoende feitelijke beschrijving van een gering aantal afbeeldingen (ten hoogste vijf). De tenlastelegging hoeft in dat geval geen nadere aanduiding van, of verwijzing naar een mogelijk grotere hoeveelheid afbeeldingen te bevatten. De rechtbank stelt vast dat de steller van de tenlastelegging wel het totaal aantal foto’s en video’s in de tenlastelegging heeft opgenomen, maar heeft nagelaten deze te voorzien van een feitelijke omschrijving. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de dagvaarding partieel nietig verklaren voor zover het de onder sub c vermelde in de woning van verdachte aangetroffen foto’s en de films op digitale gegevensdragers betreft, die niet nader zijn omschreven op de bladen 8 tot en met 12 van de dagvaarding. 3.2 De bevoegdheid van de rechtbank Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. 3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.3.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Miniserie voor de gehele tenlastelegging niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat er door een schending van de redelijke termijn niet langer sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat als gevolg van het tijdsverloop nader onderzoek niet meer kan worden uitgevoerd, getuigen niet meer adequaat kunnen worden bevraagd en de door de verdediging gewenste controle op de start van het opsporingsonderzoek onmogelijk is gemaakt. Daarnaast moet het Openbaar Miniserie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging omdat het materiaal waarvoor verdachte in Nederland wordt vervolgd, hetzelfde materiaal betreft als waardoor verdachte in Boedapest, Hongarije is veroordeeld. Vervolging van verdachte zou in strijd zijn met het ne bis in idem beginsel. Ook heeft het Openbaar Ministerie in e-mailcorrespondentie aangegeven dat zij de verdediging ‘tegemoet was gekomen’ ten aanzien van het niet vervolgen van de kinderporno die verdachte van zijn laptop had verwijderd. In het procesdossier worden deze bestanden als ‘deleted’ of ‘unallocated clusters’ aangemerkt. Uit deze mededeling kon en mocht verdachte begrijpen dat hij voor dit materiaal niet zou worden vervolgd. Dat verdachte nu alsnog wordt vervolgd, is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Het Openbaar Ministerie dient daarom, aldus de verdediging, ten aanzien van de vervolging van de verwijderde bestanden niet-ontvankelijk worden verklaard. 3.3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen ten aanzien van schending van een eerlijk proces. De verdediging was bekend met het opsporingsonderzoek tegen verdachte en had voorafgaand aan de inhoudelijke terechtzitting onderzoekswensen kunnen formuleren en indienen. Van een dubbele vervolging van verdachte is geen sprake omdat verdachte in Hongarije is veroordeeld voor hetgeen er op de harde schijf van de laptop is aangetroffen. Dat verdachte misschien dezelfde bestanden op dvd’s en zijn computer in Amsterdam had staan, wil niet zeggen dat er sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel. Het gaat tenslotte om andere gegevensdragers die op een andere locatie dan in Hongarije zijn aangetroffen. De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 9 april 2018 bevestigd dat verdachte niet vervolgd zou worden voor materiaal dat in ‘deleted’ of ‘unallocated clusters’ is aangetroffen en heeft de eigen niet-ontvankelijk ten aanzien van dit onderdeel gevorderd. 3.3.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie voor de gehele tenlastelegging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn erkent de rechtbank dat de redelijke termijn is overschreven. In dit geval leidt dit echter niet tot schending van een eerlijk proces of de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, maar zal de rechtbank hiermee bij de strafmaat rekening houden. De rechtbank acht de officier van justitie met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van onderdelen b en c ontvankelijk in de vervolging. Ontvankelijkheid ten aanzien van onderdeel b Op 4 juni 2012 is verdachte in Boedapest, Hongarije, aangehouden wegens verdenking van het bezit en het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. Daarbij is de laptop van verdachte inbeslaggenomen en later aan hem geretourneerd. Na opheffing van zijn voorarrest is verdachte nog dezelfde dag, op 21 juli 2012, teruggekeerd naar zijn woning aan de [adres 2] in Amsterdam. Direct na terugkomst in Amsterdam heeft verdachte zich ontdaan van een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal. Op 23 juli 2012 wordt namelijk op het [adres 1] een doos met daarin pornografisch materiaal aangetroffen. Het [adres 1] is gelegen in de directe nabijheid van de woning van verdachte en uit sporenonderzoek blijkt dat vingerafdrukken op de dvd hoesjes van verdachte afkomstig zijn. Verdachte is op 25 september 2012 door de Centrale Arrondissementrechtbank van Boedapest veroordeeld voor het bezit van kinderpornografisch materiaal. De rechtbank overweegt het volgende. Het in artikel 68 Wetboek van Strafrecht verwoorde ne bis in idem beginsel heeft tot doel te voorkomen dat een verdachte andermaal wordt vervolgd wegens hetzelfde feitelijke gebeuren als waarvoor hij eerder heeft terechtgestaan. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich, zoals gesteld door de verdediging ten aanzien van het onder sub b ten laste gelegde materiaal, in het onderhavige geval voordoet. Op basis van het procesdossier stelt de rechtbank vast dat de Hongaarse autoriteiten het inbeslaggenomen materiaal aan verdachte hebben geretourneerd. Het is daarentegen niet duidelijk geworden voor welk specifiek pornografisch materiaal verdachte in Boedapest is veroordeeld. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat het materiaal aangetroffen in de doos op het [adres 1] , hetzelfde materiaal betreft als waarvoor verdachte in Boedapest is veroordeeld. Dit brengt de reële kans met zich mee dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van dit deel van de tenlastelegging, er sprake is van een dubbele vervolging van verdachte. De rechtbank legt deze onzekerheid uit in het voordeel van verdachte. Hierbij merkt de rechtbank op dat het op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen duidelijkheid te verschaffen op dit punt. De rechtbank verklaart de officier van justitie ten aanzien van het materiaal beschreven onder sub b van de tenlastelegging niet-ontvankelijk in de vervolging. Ontvankelijkheid ten aanzien van onderdeel c Bij e-mailbericht van 24 oktober 2016 heeft het Openbaar Minstier de verdediging in kennis gesteld dat er aan een aantal van de door de verdediging gestelde punten ten aanzien van de vervolging tegemoet is gekomen. Ter terechtzitting van 9 april 2018 heeft de officier van justitie verduidelijkt dat deze tegemoetkoming betrekking heeft op het niet vervolgen van verdachte ten aanzien van het kinderpornografisch materiaal dat verdachte van zijn laptop heeft verwijderd. Dit betreft alle bestanden die in het procesdossier als ‘deleted’ of ‘unallocated clusters’ worden aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat uit de tenlastelegging, specifiek het materiaal genoemd onder sub c, blijkt dat het Openbaar Ministerie verdachte wel voor deze feiten heeft vervolgd. Door toch te vervolgen heeft het Openbaar Ministerie zich niet gehouden aan de door haar gewekte verwachting en in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. De rechtbank honoreert daarom het verweer van de verdediging en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor de bestanden die in het procesdossier als ‘deleted’ of ‘unallocated clusters’ worden aangemerkt en zijn genoemd onder sub c op de tenlastelegging. 3.4. Schorsing van de vervolging Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie acht bewezen dat verdachte de onder sub a, b en c ten laste gelegde kinderpornografisch afbeeldingen en films heeft vervaardigd dan wel in zijn bezit heeft gehad in de ten laste gelegde periode. Hierbij verwijst de officier van justitie naar het door de zedenpolitie opgemaakte proces-verbaal waarin de foto’s en films worden beschreven en waaruit het kinderpornografisch karakter blijkt. 4.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van de delen van de tenlastelegging die de rechtbank in stand heeft gelaten en waarvoor de rechtbank het Openbaar Ministerie ontvankelijk acht, heeft de verdediging, kort samengevat, het volgende verweer gevoerd. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het door hem vervaardigde materiaal en het materiaal dat hij in bezit had, zoals onder sub a en sub c is ten laste gelegd. De afbeeldingen betreffen filmische portretten dan wel professionele portretfotografie en kunnen, gelet op de context, niet als kinderpornografisch worden gekwalificeerd. De verdediging heeft voorts bepleit dat verdachte niet het opzet heeft gehad om materiaal te vervaardigen dat kinderpornografisch van aard was. 4.4 Het oordeel van de rechtbank Na beantwoording van de voorvragen zou er volgens de tenlastelegging sprake zijn van 102 kinderpornografische foto’s en 5 kinderpornografische films. De rechtbank stelt vast, na het bekijken van een aantal foto’s en films ter terechtzitting, dat de beelden door de verbalisanten juist zijn beschreven. De rechtbank gaat bij de verdere beoordeling uit van deze beschrijvingen zowel wat betreft de beschreven handelingen als de kennelijke leeftijd van de meisjes. De rechtbank vindt dat de beelden suggestief, ongemakkelijk en niet passend bij de jonge leeftijd van de geportretteerde meisjes zijn. Beoordeeld dient te worden of van deze afbeeldingen het kinderpornografisch karakter kan worden bewezen. In artikel 240b Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald dat er sprake moet zijn van een afbeelding van een gedraging van expliciet seksuele aard. Het gaat hierbij om een gedraging die reeds door haar karakter strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling, welke vaststelling kan worden gemaakt aan de hand van de afbeelding zelf. Daarbij kan het gaan om een afbeelding van een handeling die op zichzelf niet expliciet seksueel van aard is, maar gelet op de wijze waarop de afbeelding tot stand is gekomen in het concrete geval onmiskenbaar strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. De nadruk ligt op de schadelijkheid voor de jeugdige, af te leiden uit de uit de afbeelding naar voren komende ambiance. Ten aanzien van de foto’s Op alle foto’s staan meisjes afgebeeld met een kennelijke leeftijd onder de achttien jaar. Op het merendeel van de foto’s poseren de meisjes met ontbloot bovenlichaam, waarbij op sommige foto’s de (beginnende) borsten zichtbaar zijn. Op andere foto’s staan meisjes afgebeeld in kleding die niet passend is bij hun leeftijd, bijvoorbeeld een laklederen jurkje of een lendendoekje. Gelet hierop, de setting waarin de foto’s zijn gemaakt en het kikvorsperspectief (camerastandpunt waarbij het object vanaf de grond naar boven wordt gefotografeerd), bevatten de foto’s een onnatuurlijke ambiance wat de afbeeldingen een seksuele lading geeft en onmiskenbaar strekt tot opwekken van seksuele prikkeling. De rechtbank komt daarom ten aanzien van de foto’s tot de conclusie dat kan worden bewezen dat sprake is van afbeeldingen van een seksuele gedraging. Ten aanzien van de films Op alle films staat een meisje afgebeeld met een kennelijke leeftijd onder de achttien jaar. De meisjes hebben blote benen en nemen steeds andere poses aan waarbij zij voortdurend de benen optrekken of over elkaar slaan. Er wordt vaak vanuit een kikvorsperspectief gefilmd. Daarnaast wisselt het filmisch kader. Zo wordt het beeld soms vertraagd of wordt het meisje close-up gefilmd. Hierbij wordt het gehele lichaam van het meisje nadrukkelijk in beeld gebracht. Gelet op de context, de poses, het camerastandpunt en het filmisch kader moet worden aangenomen dat de films strekken tot het opwekken van seksuele prikkelingen. Bezien in het licht van voornoemd toetsingskader is het oordeel van de rechtbank dat op alle afbeeldingen sprake is van een seksuele gedraging als bedoeld in artikel 240b Sr. De rechtbank is van oordeel dat de foto’s en films seksuele gedragingen betreffen waarbij meisjes zijn betrokken die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt en dat derhalve sprake is van strafbare kinderporno. Opzet Anders dan de raadsman vindt de rechtbank bewezen dat verdachte het opzet had op het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. Verdachte heeft een castingbureau en (leden van) een turnvereniging benaderd ter werving van, zo blijkt uit zijn flyer, zeer aantrekkelijke kandidaten (leeftijd 11-17) voor deelname aan zijn films. Ook heeft verdachte zijn films tegen betaling aangeboden op zijn website [naam website] . Naar het oordeel van de rechtbank moet gezien de beschrijvingen van de beelden zoals hiervoor weergegeven het ook voor verdachte duidelijk zijn geweest dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de afbeeldingen die hij maakte en in bezit had als kinderpornografisch zouden worden aangemerkt. Er is dan ook op zijn minst genomen sprake van voorwaardelijk opzet van verdachte op het vervaardigen en aanwezig hebben van kinderpornografisch materiaal. Dat verdachte zich transparant heeft opgesteld over het materiaal dat hij maakte doet aan dit oordeel niks af. Tot slot vindt de rechtbank bewezen dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het bezit en vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. Daarvoor zijn het aantal afbeeldingen, het gegeven dat verdachte zelf materiaal vervaardigde en op zijn website ter betaling aanbood en de duur van de periode waarin dit plaats had redengevend. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: in de periode vanaf 27 september 2011 tot 30 juni 2013 te Amsterdam, een groot aantal afbeeldingen, bevattende meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.