RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/684561-16 (Promis) Datum uitspraak: 9 mei 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 april
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Klein Egelink, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.J.E. Hogewind, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging op 13 november 2016 op de Dapperstraat te Amsterdam door [slachtoffer] te snijden met een mes, te slaan met stokken en hockeysticks en te slaan en trappen. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Waardering van het bewijs 3.
- Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de openlijke geweldpleging kan worden bewezen, omdat verdachte welbewust een bijna zekere confrontatie is aangegaan. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen, met aftrek van voorarrest. 3.
- Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu hij geen significante bijdrage aan het geweld heeft geleverd en slechts de-escalerend heeft gehandeld. 3.
- Het oordeel van de rechtbank Op 13 november 2016 heeft in de Dapperstraat een ontmoeting plaatsgevonden tussen medeverdachte [medeverdachte 1] (vader van verdachte, hierna: [medeverdachte 1] ) en aangever [slachtoffer] (hierna: aangever en/of [slachtoffer] ). Om verschillende redenen bestond tussen beide personen onmin, welke zij deze avond zouden uitpraten. Met [medeverdachte 1] waren verdachte en twee medeverdachten meegekomen, te weten [medeverdachte 2] (broer van de vader van verdachte, hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (zus van verdachte, hierna: [medeverdachte 3] ). Vrijwel direct na aankomst van verdachten is een vechtpartij ontstaan. De rechtbank stelt vast dat verdachte aanwezig was bij het geweld, maar komt niet tot het bewijs dat hij hieraan een bijdrage heeft geleverd. Verdachte heeft stellig ontkend geweldshandelingen te hebben gepleegd. De verklaring die [slachtoffer] hierover heeft afgelegd staat op zichzelf en vindt geen steun in ander bewijs, zodat niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Hier komt bij dat deze verklaring weinig specifiek is. Dat verdachte met een stok in zijn hand kwam aanlopen en hem daarmee heeft geslagen, zoals [slachtoffer] verklaart, is niet te zien op de camerabeelden. Daarop is wel te zien dat verdachte zonder stok uit zijn auto stapt. Verder volgt uit de camerabeelden dat verdachte de-escalerend heeft gehandeld door [medeverdachte 3] weg te houden van [slachtoffer] , op het moment dat die bewusteloos op de grond ligt. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde openlijke geweld. Het staat ook niet vast dat verdachte welbewust een bijna zekere confrontatie is aangegaan. Hij is immers onafhankelijk van de overige verdachten naar de plaats delict gegaan en heeft voorafgaand aan het incident enkel contact met [medeverdachte 3] gehad. Het kan dus niet worden bewezen dat verdachte op de hoogte was van de intenties van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken. 4Beslag Onder verdachte zijn kledingstukken en schoenen in beslag genomen (itemnummers 5287158, 5287159, 5287160 en 5287161). Deze dienen aan verdachte te worden teruggegeven. 5De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 6.806,00 aan materiële schadevergoeding en € 20.000 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft mr. I. Güçlü de vordering nader toegelicht. De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken. 6Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Gelast de teruggave aan [verdachte] van: kledingstukken en schoenen (5287158, 5287159, 5287160 en 5287161). Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Sipkens, voorzitter, mrs. L. Voetelink en W.M. van den Bergh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H. Limburg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 mei 2018.