← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2018:4014

RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751190-18 RK-nummer: 18/2099 Datum uitspraak: 24 mei 2018 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 maart 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 januari 2018 (ontvangen op 22 maart 2018) door de officier van justitie bij het Openbaar Ministerie van Wiener Neustadt (Oostenrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het [detentie adres] , hierna te noemen “de opgeëiste persoon”. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 mei 2018 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan om bij de behandeling van de vordering aanwezig te zijn en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigd raadsman mr. E. Sahin, advocaat in Eindhoven. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen met 30 dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 25 januari 2018 van het Openbaar Ministerie van Wiener Neustadt. De overlevering wordt verzocht voor een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Oostenrijk strafbaar feit. Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan als voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. 5Doorlevering na eerdere overlevering aan Nederland De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in februari 2018 op grond van een Nederlands EAB vanuit Polen aan Nederland is overgeleverd. De Poolse autoriteiten waren ook op de hoogte van het onderhavige Oostenrijkse EAB. De Poolse autoriteiten hebben bij brief van 10 mei 2018 aangegeven dat de opgeëiste persoon ter zitting van 18 februari 2018 heeft ingestemd met zijn overlevering aan Nederland en (vervolgens aan) Oostenrijk. Gelet hierop is er voor de Poolse autoriteiten geen reden om nogmaals in te stemmen met een doorlevering aan Oostenrijk vanuit Nederland. De Poolse autoriteiten hebben verder aangegeven dat zij de overlevering aan de Oostenrijkse autoriteiten hebben geweigerd omdat zij voorrang hebben gegeven aan de uitvoering van het Nederlandse EAB. De rechtbank leidt hieruit af dat de Poolse autoriteiten de overlevering aan Oostenrijk uitsluitend hebben geweigerd teneinde aan het Nederlandse EAB voorrang te geven en niet omdat daarvoor een grond tot weigering van de overlevering aan Oostenrijk was. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon op 8 maart 2018 bij de rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van zijn raadsman, heeft aangegeven dat hij op de hoogte is van de Oostenrijkse zaak en dat hij instemt met de verkorte overleveringsprocedure. Ook op de zitting van 24 mei 2018 heeft de advocaat van de opgeëiste persoon aangegeven dat de opgeëiste persoon bij de rechter-commissaris al heeft ingestemd met de doorlevering aan Oostenrijk, dat het allemaal lang duurt en dat de opgeëiste persoon nu graag zo snel mogelijk aan Oostenrijk wil worden overgeleverd. De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon met deze verklaringen heeft ingestemd met zijn doorlevering aan Oostenrijk. Gelet op de instemming van de opgeëiste persoon kan de doorlevering aan Oostenrijk worden toegestaan. De Overleveringswet, in het bijzonder artikel 48 (kaderbesluitconform uitgelegd), werpt dus geen belemmeringen op tegen een doorlevering aan Oostenrijk. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 7Toepasselijke wetsartikelen Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 48 van de OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de officier van justitie bij het Openbaar Ministerie van Wiener Neustadt (Oostenrijk) voor het in Oostenrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. R.A.J. Hübel en M.J.J. Luchtman, rechters, in tegenwoordigheid van D. Smeets, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 mei 2018. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.