vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 5737323 CV EXPL 17-4599 vonnis van: 19 juni 2018 vonnis van de kantonrechter I n z a k e 1de besloten vennootschap Schiphol Nederland B.V. 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Schiphol Real Estate B.V. beiden gevestigd te Schiphol eiseressen nader te noemen: Schiphol NL respectievelijk Schiphol RE, gezamenlijk Schiphol gemachtigde: mr. M.J. Keuss t e g e n 1 [gedaagde sub 1] 2. [gedaagde sub 2] beiden wonende te [woonplaats] gedaagden nader te noemen: [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] , gezamenlijk [gedaagde sub 1] c.s gemachtigde: mr. J. Oskam VERLOOP VAN DE PROCEDURE dagvaarding van 22 juli 2016; akte overlegging producties van de zijde van Schiphol van 20 februari 2017; antwoord/ eis in reconventie, van 18 april 2017; instructievonnis, waarbij een comparitie van partijen is bepaald; De comparitie heeft plaatsgevonden op 18 juli 2017. Voor Schiphol is verschenen mr. [naam 1] , bedrijfsjurist, vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Schiphol heeft vooraf een conclusie van antwoord in reconventie ingediend. Namens [gedaagden] is voorafgaand aan de zitting nog een productie toegezonden. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigde van [gedaagden] heeft daarbij gebruik gemaakt van een pleitnota. In verband met de complexiteit van de zaak in conventie en omdat de kantonrechter tijdens de comparitie nog niet over alle stukken leek te beschikken, heeft de kantonrechter ter zitting besloten tot een schriftelijke vervolgronde in de procedure in conventie. repliek in conventie; dupliek in conventie; brief van 20 december 2017, waarbij namens Schiphol om pleidooi is verzocht; Op 15 maart 2018 heeft pleidooi plaatsgevonden. Bovenvermelde personen zijn daar verschenen. De gemachtigde van Schiphol heeft het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota. De gemachtigde van [gedaagden] heeft zonder schriftelijk stuk gepleit. Het vonnis is nader bepaald op heden. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast: 1.1. [gedaagde sub 1] , geboren op [geboortedag] 1968, is op 24 september 2001 bij de (rechtsvoorganger van) Schiphol NL in dienst getreden. Hij verdiende laatstelijk € 6.000,45 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. Vanaf 2011 was hij Technisch Property Manager en vanaf 1 juni 2015 Technisch Adviseur Portfoliomanagement. In die laatste functie adviseerde hij onder meer over complexe problemen omtrent de duurzaamheid van de gebouwen van Schiphol RE. Daarnaast vervulde hij de rol van technisch property manager voor het Schipholgebouw (hoofdkantoor) en het Hilton. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Schiphol Nederland BV ( hierna cao Schiphol) van toepassing, waarin in onderdeel E de gedragsregels zijn opgenomen. 1.2. [gedaagde sub 1] is van 1 mei 2009 tot 1 januari 2012 tevens eigenaar geweest van de eenmanszaak [eenmanszaak 1] (hierna : [eenmanszaak 1] ), een bedrijf voor technisch ontwerp en advies voor werktuig-, machine- en apparatenbouw. 1.3. [gedaagde sub 1] is gehuwd met [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] heeft blijkens een uittreksel van de KvK op 1 april 2016 de eenmanszaak [eenmanszaak 2] (hierna [eenmanszaak 2] ) opgericht. Het betreft een bedrijf dat bedrijfsadvies geeft, met name financiële administratie, fiscale vraagstukken en salarisadministratie. 1.4. [gedaagde sub 1] kreeg vanuit Schiphol RE een budget voor het laten verrichten van werkzaamheden. Deze werkzaamheden werden projectmatig ingepland. Uit hoofde van zijn functie had [gedaagde sub 1] daarbij direct contact met Engie Services Nederland N.V., voorheen Cofely (hierna: Engie), de maincontractor van het Schipholgebouw, en met diverse onderaannemers, waaronder IM Installatiemanagement (hierna IM) en [adviesbureau] (hierna [adviesbureau] ), twee ondernemingen die middels [naam 2] (hierna [naam 2] ) nauw met elkaar verbonden zijn. 1.5. Op 19 mei 2016 is vanuit Engie aan Schiphol NL gemeld dat er een vermoeden van belangenverstrengeling was gerezen ten aanzien van onder meer [gedaagde sub 1] . 1.6. Daarop is op verzoek van Schiphol NL een onderzoek ingesteld door Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna Hoffmann Bedrijfsrecherche), dat op 20 juli 2016 een rapport heeft opgesteld. In het kader van dat onderzoek is [gedaagde sub 1] op 20 juni en 22 juni 2016 verhoord. Daarvan zijn door Hoffmann Bedrijfsrecherche gespreksverslagen opgemaakt, die door [gedaagde sub 1] voor akkoord zijn getekend. 1.7. Op 20 juni 2016 is [gedaagde sub 1] op non-actief gesteld. 1.8. Op 22 juni 2016 is door de rechtbank Amsterdam verlof verleend voor het leggen van het verzochte beslag voor in totaal € 263.900,00, waarna binnen 28 dagen bij de huidige dagvaarding de eis in de hoofdzaak is ingesteld. 1.9. Op 28 juni 2016 is het conservatoir beslag gelegd. Na aanvullend verlof is op 4 juli 2016 aanvullend beslag gelegd. 1.10. Op 1 juli 2016 heeft Schiphol NL een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter te Amsterdam. Bij beschikking van 23 augustus 2016 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 september 2016 wegens ernstig verwijtbaar handelen van [gedaagde sub 1] als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e BW en is voor recht verklaard dat Schiphol terzake geen vergoeding verschuldigd is. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld. 1.11. Bij brief van 21 juli 2016 heeft Schiphol aangifte gedaan bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst. Vordering en verweer in conventie 2. Schiphol vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 1] heeft gehandeld in strijd met artikel 7:661 BW dan wel wanprestatie heeft gepleegd dan wel onrechtmatig heeft gehandeld; II. voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld; III. voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Schiphol RE en/of Schiphol NL geleden schade op grond van artikel 6:166 BW dan wel artikel 6:102 BW; IV. [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] (hoofdelijk) te veroordelen tot betaling aan Schiphol, binnen een termijn van twee weken na betekening van het vonnis, van de schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2016 tot de algehele voldoening, waarbij geldt dat als een van hen voldoet de ander daarvan bevrijd zal zijn, een en ander met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en /of [gedaagde sub 2] in de kosten van de procedure. Schiphol voert - zeer kort samengevat - hiertoe aan dat door [gedaagden] is gefraudeerd met het budget dat [gedaagde sub 1] als werknemer van Schiphol kreeg van Schiphol RE door als er budgettaire ruimte was of achteraf bleek dat er budget over was, deze te benutten voor aanvullende (schijn)facturen waarbij Schiphol RE als opdrachtgever optrad en waarvoor onderliggende adviezen en rapportages ontbreken en dat ook privé-bestellingen voor [gedaagde sub 1] en verbouwingen aan diens woning middels valse facturen aan Schiphol in rekening zijn gebracht en uit dat budget zijn betaald. Bij conclusie van repliek is ingegaan op de verschillende fraudeconstructies en het onderliggende bewijs. 3. [gedaagde sub 1] betwist - eveneens zeer kort samengevat – dat hij financiële middelen heeft onttrokken aan Schiphol, laat staan wederrechtelijk, en dat [gedaagde sub 2] daarbij betrokken is. De beschuldigingen van Schiphol zijn vrijwel volledig gebaseerd op het rapport van Hoffman Bedrijfsrecherche, dat tendentieus en suggestief is en waaruit een tunnelvisie blijkt. De verklaringen zijn onder druk verkregen en harde bewijzen ontbreken. De transscripties zijn geen zorgvuldige weergave van wat er gezegd is, er is kennelijk belangrijk ontlastend materiaal weggelaten en [gedaagde sub 1] is onder druk gezet de transscripties te ondertekenen zonder voldoende tijd deze rustig te lezen. Gezien het geldende aanbestedingsproces is het opvoeren van ‘schijn’projecten ook onmogelijk. Alle projecten zijn via dat proces gegaan, waarover [gedaagde sub 1] geen beslissingsbevoegdheid had, en zijn wat prijzen en bedragen betreft marktconform, correct gedeclareerd en volledig en conform de geldende kwaliteitseisen uitgevoerd. [gedaagde sub 1] betwist daarom dat Schiphol door zijn nevenwerkzaamheden schade heeft geleden. [gedaagde sub 1] betwist ook dat er door Schiphol voor zijn privézaken is betaald. 4. [gedaagde sub 2] ontkent iedere betrokkenheid. Zij heeft met haar eenmanszaak [eenmanszaak 2] op grond van een mondelinge opdracht daadwerkelijk werkzaamheden verricht voor IM Installatie, die niets van doen hadden met Schiphol, heeft daarvan urenstaten bijgehouden en op basis daarvan tweemaal gedeclareerd. Deze twee declaraties voor in totaal ongeveer € 10.000,-- zijn in het geding gebracht. 5. Op hetgeen partijen verder ter onderbouwing van hun stellingen naar voren hebben gebracht, zal voor zover relevant, bij de beoordeling worden ingegaan. Vordering en verweer in reconventie 6. [gedaagden] verzoeken op grond van hetgeen hiervoor is aangevoerd Schiphol te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, de gelegde beslagen volledig en onmiddellijk op te heffen alsmede op de wijze als in de eis vermeld alle voor de opheffing noodzakelijke maatregelen te treffen, waaronder het doorhalen van de inschrijvingen in de openbare registers en Schiphol te verbieden om terzake deze kwestie nogmaals beslag te leggen, met veroordeling van Schiphol in de kosten van het geding. 7. Schiphol voert gemotiveerd verweer en stelt dat er geen gronden zijn om het beslag op grond van artikel 705 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) op te heffen. [gedaagden] hebben niet gesteld en ook is niet gebleken dat niet aan de formaliteiten voor het leggen van beslag is voldaan, terwijl de vordering waarvoor beslag is gelegd met de onderliggende stukken in deze zaak aannemelijk is gemaakt. Nu gedaagden geen zekerheid hebben geboden en er geen andere verhaalsobjecten zijn is het beslag niet onnodig. Het belang van Schiphol bij het beslag moet ook prevaleren boven dat van [gedaagden] Indien het beslag desondanks wordt opgeheven zal Schiphol vrijwillig het nodige doen om het op te heffen, daarvoor is geen dwangsom nodig. Het verbod voor de toekomst is te vaag en gaat te ver. 8. Op hetgeen partijen ter onderbouwing van hun stellingen naar voren hebben gebracht, zal voor zover relevant, bij de boordeling worden ingegaan. Beoordeling In conventie 9. De kantonrechter stelt voorop, dat Schiphol in de onderhavige zaak slechts verklaringen voor recht vordert dat er - kort gezegd - gefraudeerd is door [gedaagde sub 1] (bij de uitvoering van diens werkzaamheden) en dat [gedaagden] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld, waardoor zij schade heeft geleden. Dit betekent dat voor toewijzing van die vorderingen niet vereist is dat alle aan [gedaagden] verweten gedragingen komen vast en in het verlengde daarvan evenmin de omvang van de door Schiphol gestelde schade. 10. Bij conclusie van repliek heeft Schiphol een viertal fraudeconstructies toegelicht, waarbij [gedaagde sub 1] en deels [gedaagde sub 2] zouden zijn betrokken. Bij elk van die fraudeconstructies zijn onderdelen van verklaringen van de bij de fraude betrokken personen tegenover Hoffmans Bedrijfsrecherche geciteerd, waarbij verwezen is naar bijbehorende facturen. Daarbij heeft Schiphol onderbouwd aangevoerd: dat [gedaagde sub 1] gedurende de periode dat hij eigenaar was van [eenmanszaak 1] vanuit dat bedrijf via [adviesbureau] en/of Engie bedragen in rekening heeft gebracht aan Schiphol, voor welke werkzaamheden hij zelf opdracht gaf en welke facturen hij naderhand zelf aftekende, waarna ze werden uitbetaald van het budget van Schiphol; dat [gedaagde sub 1] aldus voor [eenmanszaak 1] onder meer over een periode van 49 werkdagen 684 uur en een bedrag van € 58.000,-- aan [naam 2] heeft gefactureerd en dat [naam 2] deze met een verhoging (door)factureerde aan Schiphol; dat [gedaagde sub 1] tegenover Hoffmans Bedrijfsrecherche bij het tonen van een aantal van die facturen over 2009 heeft verklaard dat deze te maken hebben met de onrechtmatige wijze waarover hij eerder heeft verklaard en dat hij de rest van de administratie van [eenmanszaak 1] in 2012 bewust heeft vernietigd om geen bewijs van die onrechtmatigheden te laten bestaan; dat een soortgelijke werkwijze later is gevolgd middels [eenmanszaak 2] en IM; dat [gedaagde sub 1] tegenover Hoffmans Bedrijfrecherche heeft verklaard dat hij vanuit zijn meerjarenbegroting opdrachten heeft gegeven voor werk dat al uitgevoerd was, in totaal voor € 45.000,--, dat de onderliggende werkzaamheden voor de facturen fictief waren omdat ze al uitgevoerd waren, dat deze constructie in overleg met [naam 3] ( [naam 3] :toev.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.