vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/621365 / HA ZA 17-7 Vonnis van 7 februari 2018 in de zaak van de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Apeldoorn, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. M.J. Journée te Apeldoorn, tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht PROBUS INSURANCE COMPANY EUROPE LIMITED, gevestigd te Dublin (Ierland), gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. H.W. Vis te Amsterdam. Partijen zullen hierna Achmea en Probus worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 10 mei 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast, met de daarin vermelde stukken, het proces-verbaal van comparitie van 15 december 2017, met de daarin vermelde stukken, waaronder de conclusie van antwoord in reconventie. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op een ongetekende factuur gedateerd op 7 oktober 2013 en gericht aan [naam persoon] (hierna: [naam persoon] ) is vermeld dat met betrekking tot een Aston Martin (hierna: de Aston Martin) met kenteken [autokenteken] inkoop door het (niet bij naam genoemde) autobedrijf heeft plaatsgevonden voor een bedrag van € 125.000,00. 2.2. [naam persoon] heeft op 10 oktober 2013 een financial leaseovereenkomst (hierna: de leaseovereenkomst) getekend ten behoeve van de aanschaf van de Aston Martin. Als partijen bij deze overeenkomst zijn betrokken Defam B.V. h.o.d.n. DEFAM Financieringen als financier/lessor (hierna: Defam), [naam persoon] en/of [naam persoon] als lessee en Kroymans AM Hilversum B.V. (hierna: Kroymans) als leverancier. Voornoemde partijen zijn hierbij overeengekomen dat de leverancier aan de lessee de Aston Martin verkoopt onder eigendomsvoorbehoud voor een aankoopprijs van € 125.000,00. In artikel 4 van de leaseovereenkomst is bepaald dat de volle eigendom aan de lessor is overgedragen. Ingevolge artikel 6 sub a van de op de leaseovereenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden komt de Aston Martin volledig voor rekening en risico van de lessee en verklaart de lessee voor in ontvangstneming van de Aston Martin deze te hebben verzekerd tegen alle schade, alsmede schade aan derden. 2.3. Achmea heeft een Verzekeringsovereenkomst Zakelijke Mobiliteit Polis in het geding gebracht (hierna: de verzekeringsovereenkomst) die is gedateerd op 1 december 2013 en die is geadresseerd aan [naam persoon] . Op blad 1 staat onder andere: “Uw Zakelijke Mobiliteit Polis (…) is geprolongeerd. De nieuwe verzekeringsdocumenten ontvangt u bij deze brief.” Als verzekeringnemer staat op blad 2 van deze polis CBDS Mirador vermeld (Centraal Beheer Dealer Services) en achter “Contractomschrijving:” staat: “De heer [naam persoon] ”. Op blad 5.1 van de polis staat de volgende clausule: “ Verzekeringnemer In afwijking van het elders op dit polisblad bepaalde ten aanzien van de naam van de verzekeringnemer, bepaalt de verzekeraar dat niet de tussenpersoon, handelend onder de naam CBDS, echter de privé persoon/het bedrijf, genoemd achter de contractomschrijving, de verzekeringnemer is.” 2.4. Op de verzekeringsovereenkomst zijn van toepassing de Voorwaarden Bedrijfswagenverzekering, waarvan artikel 19 bepaalt dat de verzekeringnemer als verzekerde onder de polis wordt aangemerkt. Voorts bepaalt artikel 6 van die voorwaarden onder meer: “ Artikel 6 Informatieplicht 6.1 De verzekeringnemer/verzekerde is verplicht de maatschappij zo spoedig mogelijk te informeren indien zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen: (…) c. verkoop of overdracht van een verzekerd object aan een derde; (…) 6.2 De verzekering van een verzekerd object ten aanzien waarvan zich één of meer van de onder lid 1a tot en met d genoemde omstandigheden voordoen, eindigt op het moment waarop de omstandigheid of omstandigheden intreden. (…)” 2.5. Op 8 maart 2014 heeft omstreeks 15:30 uur op de kruising van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] te Amsterdam een aanrijding (hierna: de aanrijding) plaatsgevonden tussen twee personenauto’s: de Aston Martin bestuurd door [naam persoon] en een Volkswagen Golf, bestuurd door [naam bestuurder] (hierna: [naam bestuurder] ). [naam persoon] kwam vanuit de richting van de [straatnaam 2] en wilde rechtsaf slaan de [straatnaam 1] in. Op het moment dat [naam persoon] zich in de bocht bevond, kwam [naam bestuurder] – die werd achtervolgd door de politie – met hoge snelheid (de ter plaatste toegestane maximale snelheid is 30 kilometer per uur) over de brug vanaf links aanrijden, waarbij hij tegen de auto van [naam persoon] is aangebotst. De auto die werd bestuurd door [naam bestuurder] was ten tijde van de aanrijding ingevolge de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij Probus. 2.6. Uit het door Probus in het geding gebrachte overzicht van de historie van de Aston Martin blijkt dat deze op 9 oktober 2013 is gekocht door een particulier en op 5 juni 2015 opnieuw is gekocht door een particulier. 2.7. Bij akte van cessie, getekend op 17 mei 2014, heeft [naam persoon] zijn rechten uit de verzekeringsovereenkomst met Achmea gecedeerd aan Kroymans die zich bereid heeft verklaard de auto te herstellen en repareren. 2.8. In opdracht van Achmea heeft een schade-expert bij rapport van 3 september 2014 de schade aan de Aston Martin als gevolg van de aanrijding vastgesteld op € 82.804,37. Voorts vermeld de schade-expert in zijn rapport: “(…) Dagwaarde bepaling: Met het bepalen van de dagwaarde heb ik er rekening mee gehouden dat de auto onlangs een revisie van de versnellingsbak heeft gehad. De kosten hiervan waren € 6500,- excl btw. De auto is volgens [naam medewerker] in november 2013 voor € 130.000,- verkocht. Vanwege privacy redenen wil hij geen copy factuur afgeven. De auto is vrij uniek en het is daarom zeer moeilijk om een vergelijkbare auto te vinden. Het is bij deze auto’s van groot belang hoe de staat is waarin hij verkeerd. Zowel aan de binnen als aan de buitenzijde. Enkele vergelijkbare auto’s heb ik kunnen vinden. In de bijlagen heb ik vergelijkbare auto’s gevonden, met minder km, maar met een hogere vraagprijs. Uitgaande van de vergelijkbare auto’s en daarbij aan reparatie van € 7865,- is een dagwaarde van € 110.000,-- reeel. Volgens de voorcalculatie en dagwaarde (minus restanten) is de auto niet TL [rechtbank: hiermee wordt total loss bedoeld]. De herstelkosten in de voorcalculatie waren € 67.733,- incl btw. Dagwaarde € 110.000,- minus restanten € 26.300,- = € 83.700,-, Na goed overleg tussen Krooijmans en de eigenaar is er besloten om tot reparatie over te gaan. (…)” 2.9. In een ongedateerde factuur van Kroymans aan [naam persoon] staat dat de reparatiekosten van de Aston Martin € 68.438,61 exclusief BTW en € 82.810,72 inclusief BTW bedragen. Met de hand is op de factuur geschreven: “ontvangen 10/9/2014 Centraal beheer”. 2.10. Achmea heeft op 8 september 2014 de cascoschade van € 82.804,37 voldaan aan Kroymans. 2.11. [naam bestuurder] is bij vonnis van deze rechtbank van 8 oktober 2015 strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer voorwaardelijke opzet op zwaar lichamelijk letsel van [naam persoon] , hiertoe heeft de rechtbank onder andere overwogen dat zij bewezen acht dat door de snelheid waarmee [naam bestuurder] reed een aanmerkelijke kans bestond op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij de inzittenden van de sportauto (rechtbank: hiermee wordt de door [naam persoon] bestuurde Aston Martin aangeduid). Bewezen is geacht dat [naam bestuurder] onverantwoord hard heeft gereden waarbij een minimale botssnelheid is vastgesteld van 51 kilometer per uur. Geoordeeld is dat [naam bestuurder] bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat hij, rijdende met deze hoge snelheid in botsing zou kunnen komen met een auto, zelfs al had hij op bedoelde kruising voorrang. 3Het geschil in conventie 3.1. Achmea vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad samengevat - veroordeling van Probus tot betaling van € 82.804,37, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke) kosten, inclusief de nakosten. 3.2. Probus voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. Probus vordert – na vermeerdering van eis in reconventie, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: A. voor recht te verklaren dat Achmea onrechtmatig heeft gehandeld door een vordering tegen Probus geldend te maken op grond van door haar gestelde subrogatie terwijl op grond van de volgens haar zelf toepasselijke voorwaarden van de door haar gestelde verzekeringsovereenkomst, die overeenkomst ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis al was geëindigd; B. voor recht te verklaren dat Achmea onrechtmatig heeft gehandeld door een vordering tegen Probus geldend te maken op grond van de stelling dat [naam persoon] verzekeringnemer was in de zin van artikel 7:925 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), terwijl hij dat volgens haar zelf niet daadwerkelijk was; C. voor recht te verklaren dat Achmea onrechtmatig heeft gehandeld door op 15 augustus 2016 een concept-dagvaarding met een verzoek om betaling te laten sturen, in welke dagvaarding een onware passage is opgenomen zoals geciteerd in de conclusie van eis in reconventie (waarin, kort samengevat, Achmea stelt dat er sprake is van een verzekering); D. voor recht te verklaren dat Achmea onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij bij brief van 10 december 2015 aan de advocaat van Probus heeft geschreven dat [naam persoon] haar verzekeringnemer en de eigenaar van het voertuig is; E. voor recht te verklaren dat Achmea onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met de waarheid te schrijven dat de verzekerde van Probus aansprakelijk was omdat deze de geparkeerde auto van de verzekerde van Achmea zou hebben aangereden; F. voor recht te verklaren dat Achmea onrechtmatig heeft gehandeld door in het taxatierapport te vermelden dat de auto voor € 130.000,00 was verkocht, terwijl deze volgens de factuur aan [naam persoon] voor € 125.000,00 was verkocht en Achmea dat wist of behoorde te weten; G. voor recht te verklaren dat Achmea onrechtmatig heeft gehandeld door op de voet van artikel 7:962 BW het bedrag van de reparatiekosten van € 82.804,37 te vorderen op basis van een door haar vermelde dagwaarde van € 110.000,00 terwijl zij wist of behoorde te weten dat de auto voor de verkoop daarvan aan [naam persoon] , door Kroymans te koop was aangeboden voor € 82.500,00 zodat de dagwaarde ten tijde van de schade niet € 110.000,00 kon zijn; H. voor recht te verklaren dat Achmea onrechtmatig heeft gehandeld door op het rapport dat zij aan Probus en de rechtbank heeft overgelegd ten bewijze van haar schade, een bedrag aan waarde van het restant van € 26.300,00 te vermelden, terwijl de hoogste bieding die haar was gedaan, in werkelijkheid € 26.800,00 was; I. Achmea te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie. 3.5. Achmea voert verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie Verzekering? 4.1. Achmea heeft aangevoerd dat [naam persoon] de dag voor de aanschaf van de Aston Martin, op 9 oktober 2013, door tussenkomst van CBDS een Zakelijke Mobiliteit Polis heeft afgesloten bij Achmea ter verzekering van de Aston Martin. Achmea heeft ter onderbouwing hiervan het ten tijde van de aanrijding geldende polisblad met de van toepassing zijnde voorwaarden in het geding gebracht (zie 2.3). 4.2. Probus betwist allereerst het bestaan van een verzekeringsovereenkomst tussen [naam persoon] en Achmea en betwist de authenticiteit van het overgelegde polisblad. Probus voert daartoe aan dat dit polisblad alleen bewijst dat Achmea het heeft opgesteld en dat zij daarin een polisnummer heeft vermeld dat ook in de akte van cessie en het taxatierapport is opgenomen. Nu Achmea dit polisblad pas bij haar brief van 1 maart 2016 aan Probus heeft doen toekomen, toen de discussie tussen partijen al geruime tijd werd gevoerd, staat volgens Probus niet vast dat dit polisblad een kopie is van een daadwerkelijk op de daarin genoemde datum opgesteld polisblad. Evenmin staat volgens Probus vast dat dit polisblad is toegestuurd aan de verzekeringnemer nu geen bewijs van aangetekende verzending is overgelegd en staat ook niet vast dat de verzekeringnemer het polisblad heeft ontvangen en zonder protest heeft behouden. Dat laatste is volgens Probus vereist om ten gunste van de verzekeraar als bewijs te kunnen dienen. Voorts merkt Probus op dat er geen premiebedrag in het polisblad is genoemd, hetgeen ongebruikelijk is voor Achmea. Ook wijst Probus op de omstandigheid dat uit een e-mail van Achmea blijkt dat het contract van Achmea met CBDS in 2015 is ontbonden en dat de bv’s die de activiteiten van CBDS hebben overgenomen al zijn opgericht op 15 november 2013 respectievelijk 29 augustus 2013 hetgeen volgens Probus betekent dat het contract met CBDS niet in 2015 kan zijn ontbonden, tenzij de bv’s opgericht zijn voor die ontbinding. Dit is een onduidelijkheid die volgens Probus in het kader van artikel 21 Rv voor rekening en risico komt van Achmea. Tenslotte betoogt Probus dat uit de nummering van het polisblad het vermoeden volgt dat er een deel mist nu het laatste polisblad als 5.1. is genummerd, hetgeen impliceert dat er op z’n minst een 5.2. blad zou moeten zijn. 4.3. Het betoog van Probus faalt. In het kader van de substantiëringsplicht is Achmea gehouden de relevante stukken aan Probus ter beschikking te stellen. De enkele omstandigheid dat het polisblad door Achmea pas aan Probus is verstrekt toen tussen partijen al discussie was ontstaan, maakt niet dat – zonder nadere toelichting die ontbreekt – het polisblad niet authentiek zou zijn. 4.4. Ook hetgeen Probus verder naar voren heeft gebracht om de authenticiteit van het polisblad in twijfel te trekken faalt. Vaststaat dat [naam persoon] in verband met de aanrijding een beroep heeft gedaan op uitkering onder de verzekering bij Achmea. Vaststaat voorts dat Achmea een aanzienlijk bedrag heeft uitgekeerd ter vergoeding van de schade. Hieruit kan worden afgeleid dat beide partijen bij de verzekeringsovereenkomst zich gebonden achten aan deze overeenkomst. Voor het bestaan van een overeenkomst is niet meer vereist. Dit betekent dat al hetgeen Probus heeft aangevoerd omtrent het toesturen van het polisblad, het al dan niet zonder protest behouden hiervan door [naam persoon] , het al dan niet vermelden van een premiebedrag en de vermelding van CBDS Mirador op het polisblad, buiten beschouwing kan blijven. Dit zijn immers omstandigheden die spelen tussen de verzekeraar en de verzekerde en waar Probus buiten staat. Evenmin noopt de nummering van het polisblad tot de conclusie dat de polis niet authentiek zou zijn, voor zover dit voor het onderhavige geschil al relevant zou zijn. 4.5. De conclusie is dan ook dat de rechtbank bij de beoordeling van onderhavig geschil uitgaat van de polis en de daarop van toepassing zijnde voorwaarden zoals deze door Achmea in het geding zijn gebracht. Vervallen verzekeringsovereenkomst wegens doorverkoop? 4.6. Probus heeft betoogd dat indien de verzekering tot stand is gekomen en de daarop in het polisblad genoemde voorwaarden van toepassing zijn, de overeenkomst ten tijde van de aanrijding al was geëindigd. Volgens Probus is de Aston Martin na het sluiten van de verzekering minstens één keer verkocht. Ingevolge artikel 6 van de algemene voorwaarden eindigt de verzekeringsovereenkomst met Achmea op het moment waarop de auto wordt verkocht. Uit de factuur (zie 2.1) blijkt dat de in de leaseovereenkomst genoemde koopovereenkomst is gesloten op of voor 7 oktober 2013 terwijl de verzekering volgens Achmea tot stand is gekomen op 9 oktober 2013. Vervolgens is de auto op 10 oktober 2013 nogmaals verkocht nu in artikel 4 van de overeenkomst tussen Defam, Kroymans en [naam persoon] is vermeld dat de leverancier verkoopt en overdraagt in volle eigendom aan lessor. Ingevolge artikel 6.1 onder c in combinatie met artikel 6.2 van de toepasselijk voorwaarden is de verzekering geëindigd op het moment van ondertekening van de leaseovereenkomst op 10 oktober 2013, aldus Probus. Uit het door Achmea in het geding gebrachte taxatierapport leidt Probus af dat de auto in november 2013 nogmaals is verkocht en wel voor € 130.000,00, nu dit op pagina 9 van het taxatierapport is vermeld. 4.7. Achmea betwist dat er sprake is geweest van verkoop van de auto waardoor de verzekeringsovereenkomst zou zijn geëindigd. Zij heeft betoogd dat de datum op de factuur (7 oktober 2013) een fout moet zijn geweest, dit had 9 oktober 2013 moeten zijn. De door Achmea ingeschakelde taxateur is uitgegaan van de van Kroymans verkregen informatie omtrent de datum van de koop in het kader van de leaseovereenkomst met [naam persoon] alsmede het verkoopbedrag en is daarbij kennelijk onjuist ingelicht. Het is echter niet relevant of het aankoopbedrag juist is opgenomen in het taxatierapport. De expert heeft zelf de dagwaarde bepaald op € 110.000,00, de koopsom heeft hij meegenomen als achtergrondinformatie, aldus steeds Achmea. 4.8. De rechtbank stelt voorop dat ook hier slechts relevant is dat de partijen bij de verzekeringsovereenkomst, dus Achmea en [naam persoon] , daaraan uitvoering hebben gegeven en zich dus kennelijk gebonden achten aan de verbintenissen daaruit. Een derde partij als Probus kan zich niet beroepen op bepalingen uit een overeenkomst waar deze geen partij bij is. Overigens wordt het volgende overwogen. Het antwoord op de vraag welke datum op de factuur zou moeten staan kan hoe dan ook in het midden blijven, immers of het nu 7 of 9 oktober is geweest is niet relevant. Uit het door Probus in het geding gebrachte historische overzicht van de Aston Martin (zie 2.6) blijkt dat er geen sprake is geweest van een andere eigenaar van de auto tussen 9 oktober 2013 en 5 juni 2015. Dit strookt geheel met de door Achmea gestelde eigendomssituatie. Uit de leaseovereenkomst (zie 2.2) blijkt dat het op de weg van [naam persoon] lag om de Aston Martin te verzekeren voordat hij deze in ontvangst zou nemen. Dat heeft hij gedaan door de Zakelijke Mobiliteitspolis af te sluiten bij Achmea (zie 2.3). Nu het de bedoeling is geweest van [naam persoon] en Achmea om de Aston Martin in het kader van de leaseovereenkomst te verzekeren, faalt het betoog van Probus. 4.9. Hetgeen Probus heeft aangevoerd omtrent de datum van de koopovereenkomst in het taxatierapport van de door Achmea ingeschakelde schade-expert mist eveneens doel. Het is slordig dat die informatie in het taxatierapport niet klopt, maar gelet op onder meer het door Probus zelf overgelegde historische overzicht van de auto (zie 2.6) is dit een kennelijke vergissing van de schade-expert. Hetgeen Probus verder heeft aangevoerd omtrent de vaststelling van de schade door de schade-expert zal hierna aan de orde komen. Subrogatie? 4.10. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of Achmea is gesubrogeerd in de rechten van [naam persoon] . 4.11. Artikel 7:962 lid 1 BW bepaalt dat indien de verzekerde terzake van door hem geleden schade anders dan uit verzekering vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, die vorderingen bij wijze van subrogatie op de verzekeraar overgaan voor zover deze, al dan niet verplicht, die schade vergoedt. De verzekerde moet zich, nadat het risico zich heeft verwezenlijkt, onthouden van elke gedraging welke aan het recht van de verzekeraar tegen die derden afbreuk doet. Aldus zijn er drie vereisten voor subrogatie, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.