RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/730071-17 (Promis) Datum uitspraak: 9 mei 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] op [geboortedag] 1965, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd [detentie adres] 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 april
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Z. Trokic en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.A.M. Pijnenburg naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Verdachte wordt kort gezegd beschuldigd van het medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne, op 14 december 2017 te Amsterdam. De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Waardering van het bewijs 3.1 Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden. Naar aanleiding van informatie uit Engeland dat op 14 december 2017 in de buurt van de Henk Sneevlietweg in Amsterdam een Peugeot met een Bulgaars kenteken betrokken zou zijn bij het transport van een lading cocaïne naar Scandinavië , is door de politie een onderzoek gestart. Tijdens dit onderzoek treft de politie de Peugeot, een kleine vrachtwagen, aan op het terrein [locatie] in Amsterdam. Verdachte was de bestuurder van de vrachtauto. De politie ziet dat een onbekende man komt aanlopen met een grote gevulde sporttas, dat hij contact maakt met verdachte en een tweede onbekende man, die bij de vrachtauto staat en dat hij de tas overdraagt aan verdachte. Vervolgens lopen de onbekend gebleven mannen weg met een lege tas. Verdachte stapt in de Peugeot, gaat rijden en wordt staande gehouden. Bij de daaropvolgende doorzoeking van de vrachtauto worden achter de bestuurdersstoel in een verborgen ruimte 13 blokken (vermoedelijk) cocaïne aangetroffen. Bij het uitlezen van de telefoon van verdachte is gebleken dat verdachte een chatgesprek heeft gehad met een persoon die in zijn telefoon stond opgeslagen onder de naam [naam persoon] . In dit chatgesprek heeft deze persoon verdachte instructies gegeven over waar verdachte heen moest gaan. Ook heeft hij gevraagd hoeveel er is ingedaan, waarop verdachte heeft geantwoord dat hij denkt dat het er 14 zijn en dat er meer niet inpastte. 3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen. 3.3 Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft het tenlastegelegde feit bekend. De raadsman heeft zich op standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. 3.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat nu verdachte het feit bekent en gelet op de inhoud van het laboratoriumrapport het tenlastegelegde feit kan worden bewezen. De rechtbank is eveneens van oordeel het medeplegen kan worden bewezen. Uit de hiervoor onder 3.1 genoemde observatie van de verbalisanten in combinatie met het chatgesprek dat verdachte met [naam persoon] heeft gehad, is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, de twee onbekend gebleven mannen en [naam persoon] . 4Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de als bijlage II aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 14 december 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 13 blokken van in totaal 3,8058 kilogram cocaïne. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7Motivering van de straf 7.
- De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 34 maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden met het feit dat verdachte geen strafblad heeft in Nederland en dat een gevangenisstraf zwaarder kan voelen voor verdachte omdat hij de Nederlandse taal niet spreekt en omdat het voor zijn familie moeilijk is om hem te bezoeken. 7.
- Het strafmaatverweer van de verdediging De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is een arme man uit een lage sociale laag van de bevolking in Roemenië en de enige kostwinnaar van het gezin. Tegen die achtergrond is hij, toen hij er tijdens de rit achter kwam dat hij drugs moest vervoeren, daarmee akkoord gegaan. Uit het chatgesprek blijkt ook dat er geen sprake was van een planmatige aanpak en dat verdachte als een marionet werd rond gecommandeerd. De verdediging heeft verzocht de strafeis te matigen en heeft daarbij verwezen naar een vergelijkbare zaak van de Rechtbank Rotterdam waar een aanzienlijk lagere straf is opgelegd dan door de officier van justitie is geëist. Ten slotte heeft de verdediging verzocht een zo groot mogelijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. 7.
- Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte is met een vrachtauto vanuit Roemenië, via Duitsland naar Nederland gereden. Verdachte heeft instructies gekregen waar hij een lading moest ophalen en heeft deze instructies opgevolgd. In de vrachtauto is ruim 13 kilogram cocaïne aangetroffen, waarmee verdachte naar eigen zeggen onderweg was naar Noorwegen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij pas gaande de rit wist dat hij cocaïne moest vervoeren, ongeloofwaardig. Het is immers niet aannemelijk dat een dergelijk grote hoeveelheid drugs met een hoge waarde wordt toevertrouwd aan een onwetend persoon. Verdachte was kennelijk werkzaam voor een organisatie die zich bezig houdt met het vervoer van verdovende middelen. Cocaïne is niet alleen zeer schadelijk voor de volksgezondheid, maar de handel in cocaïne gaat bovendien gepaard met allerlei vormen van criminaliteit. Verdachte heeft bij zijn handelen enkel zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 22 maart 2018 blijk dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor een strafbaar feit. De rechtbank houdt rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die voor dit feit een gevangenisstraf van 30 maanden aangeven. De rechtbank houdt er verder rekening mee dat een gevangenisstraf voor verdachte zwaarder zal zijn, omdat hij de Nederlandse taal niet spreekt en het gezien zijn persoonlijke omstandigheden nagenoeg onmogelijk is om bezoek te ontvangen van zijn familie. Alles overwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf van 26 maanden met aftrek van voorarrest opleggen. De rechtbank acht het niet zinvol om een voorwaardelijk deel op te leggen omdat het gelet op de verklaring van verdachte onaannemelijk is dat hij zal terugkeren naar Nederland. Een waarschuwing in de zin van een voorwaardelijk strafdeel is daarom niet geboden. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 en 10 van de Opiumwet. 9Beslag Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen: - 5499251, vrachtauto Peugeot Boxer, kenteken [nummer] Verbeurdverklaring Niet kan worden vastgesteld aan wie het voorwerp toebehoort. Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard. 10Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Medeplegen van het handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, lid 1, van de Opiumwet. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 26 (zesentwintig) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Verklaart verbeurd: 5499251, vrachtauto Peugeot Boxer, kenteken [nummer] Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eichperger, voorzitter, mrs. G.H. Marcus en A.W.C.M. van Emmerik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 mei 2018.