RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/733004-17 (Promis) Datum uitspraak: 6 februari 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1969, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] 1De zitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de zitting van 23 januari
- De rechtbank heeft op de zitting kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.A.M. Brok, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. V.C. van der Velde naar voren hebben gebracht. 2De beschuldiging Aan verdachte worden twee feiten verweten. Hij zou zich in 2015 schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrift en witwassen. Hij zou dit samen met een ander hebben gedaan. De tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage. De rechtbank zal hieronder concreet ingaan op de beschuldiging. 3De zaak De rechtbank acht beide feiten bewezen. De rechtbank baseert dat oordeel op de verklaring die verdachte op de zitting heeft afgelegd en op de bevindingen in het dossier. In deze zaak wordt het volgende vastgesteld. 3.
- Feiten en omstandigheden [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] zijn ondernemers. [verdachte] heeft een eenmanszaak genaamd [naam bedrijf 1] die beveiligingsmiddelen aanbiedt. [medeverdachte] is boekhouder, via zijn eenmanszaak [naam bedrijf 2] . [medeverdachte] verzorgt de boekhouding voor [verdachte] . Eind 2014 is [medeverdachte] benaderd door [persoon] , een klant van hem, met de mededeling dat hij meer financiële ruimte nodig had. [persoon] stelde aan [medeverdachte] voor om op papier te fingeren dat hij ergens in loondienst was, zodat hij met die loonstrookjes een hypothecaire lening kon aanvragen. [medeverdachte] hoopte voor zijn hulp in de toekomst meer klanten via [persoon] te kunnen krijgen. [medeverdachte] heeft hierop contact gezocht met [verdachte] en met hem het plan van [persoon] besproken. [verdachte] besloot hieraan mee te werken, omdat hij dan meer kosten kon opgeven bij de Belastingdienst en zo enig belastingvoordeel kon behalen. 3.
- Valsheid in geschrift [verdachte] heeft naar aanleiding van de hiervoor genoemde afspraak een arbeidsovereenkomst opgesteld waarin stond dat [persoon] voor hem werkte en daarvoor een vergoeding ontving van in totaal € 3.500,- bruto per maand. Hij heeft het voorbeeld voor die overeenkomst (ooit) ontvangen van [medeverdachte] . Het contract liep van 1 januari 2015 tot en met 30 juni
- Gedurende deze periode heeft [medeverdachte] iedere maand de loonstrookjes opgemaakt. Aan het einde van deze zes maanden gaf [persoon] aan dat de hypotheek nog niet was geregeld en dat het fictieve dienstverband verlengd moest worden. Hierop is de constructie voortgezet voor de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 augustus
- Voor deze periode is er een verlenging van het contract gekomen en heeft [medeverdachte] nog een loonstrookje opgemaakt. Op 31 juli 2015 heeft [verdachte] op briefpapier van zijn bedrijf een brief opgemaakt waarin staat geschreven dat het dienstverband van [persoon] eindigt met ingang van 1 september
- Het dossier bevat ook een formulier waarin persoonsgegevens worden opgegeven aan de Belastingdienst ten behoeve van de loonheffing. Dit formulier is ingevuld door [persoon] en de rechtbank gaat ervan uit dat dit formulier door [verdachte] of [medeverdachte] aan [persoon] is verstrekt, nu dit formulier vereist is bij indiensttreding van een persoon. Het verweer van de raadsman, dat deze valsheid niet aan verdachte kan worden toegerekend, wordt dan ook verworpen. De rechtbank acht op grond van wat hiervoor is beschreven bewezen dat [verdachte] samen met een ander valsheid in geschrift heeft gepleegd door in strijd met de waarheid deze arbeidsovereenkomsten, loonstrookjes, de brief over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een formulier van de opgave van loonheffing op te maken. Het dossier bevat ook nog een werkgeversverklaring, die door [persoon] is gebruikt bij de aanvraag van zijn hypotheek. Uit het dossier en naar aanleiding van wat er op de zitting is besproken blijkt dat [verdachte] deze niet zelf heeft opgesteld, maar dat die verklaring is gemaakt en ondertekend door een medewerker van hem. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat die verklaring valselijk door [verdachte] (en/of [medeverdachte] ) is gemaakt. 3.
- Witwassen [persoon] heeft voor deze hele constructie betaald. Hij bracht iedere maand een envelop met geld naar [medeverdachte] , die [medeverdachte] aan [verdachte] overhandigde. [verdachte] stortte dit geld op zijn zakelijke bankrekening, hield de verplichte premies in en betaalde het restant vervolgens terug aan [persoon] . Per maand werd een bedrag van € 2.271,40 aan [persoon] uitbetaald. Deze geldtransacties staan op de tenlastelegging vermeld als witwassen. Witwassen is een breed (juridisch) begrip. Het komt erop neer dat vrijwel alle handelingen die worden verricht met de opbrengsten van strafbare feiten worden aangemerkt als witwassen. Het doel van witwassen is meestal het verbergen van die illegale herkomst. Men wil zwart geld presenteren als legaal geld, om dat geld uiteindelijk vrij te kunnen besteden. De criminele herkomst moet uit het zicht van de autoriteiten blijven. Als eerste moet worden vastgesteld dat het geld afkomstig is uit een misdrijf. [persoon] is in december 2015 door de rechtbank naast drugshandel veroordeeld voor het witwassen van onder andere de contante betalingen aan [medeverdachte] . Dit vonnis is op 7 november 2016 door het gerechtshof bekrachtigd. Hierbij is over de contante betalingen opgemerkt dat het niet anders kan dan dat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf. Daarmee staat vast dat het geld afkomstig is uit een misdrijf. De volgende vraag is of verdachte dat wist of dat hij dat moest vermoeden. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] of [medeverdachte] dit wisten, maar wel dat zij dat hadden moeten vermoeden. Als iemand zich bij een boekhouder of een zakenman meldt met de vraag om een dienstverband te verzinnen om daarna met valse papieren een hypotheek te kunnen krijgen, dan moeten alle alarmbellen afgaan. Iemand vraagt immers om iets op papier te zetten wat niet klopt en moet daar een reden voor hebben. Waarom kon [persoon] niet gewoon gaan werken als hij meer geld of meer krediet nodig had? Blijkbaar had [persoon] wel contant geld. Waar kwam dat geld dan vandaan? Waarom kon hij dat niet zelf op zijn bankrekening storten? Waarom was [persoon] bereid om per maand bijna € 1.000,- aan premies te betalen voor deze constructie? Dat zijn allemaal vragen die zowel [verdachte] als [medeverdachte] aan [persoon] hadden moeten stellen, toen hij voorstelde om iets op papier te zetten wat niet waar was. De rechtbank gaat dan ook niet mee in het verweer van de raadsman, dat verdachte [persoon] niet kende en daarom ook niet hoefde te vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig was. Als iemand een illegale constructie voorstelt die hem behoorlijk wat geld kost, dan heb je een onderzoeksplicht naar de herkomst van zijn geld, of je hem nu persoonlijk kent of niet. Omdat [verdachte] en [medeverdachte] geen vragen hebben gesteld en dus niet aan hun onderzoeksplicht hebben voldaan, hebben zij redelijkerwijs moeten vermoeden dat het geld dat [persoon] aan hen gaf uit misdrijf afkomstig was. Als laatste moet worden vastgesteld welke witwashandelingen [verdachte] en [medeverdachte] met het geld hebben verricht. [medeverdachte] kreeg het contante geld van [persoon] en gaf dat aan [verdachte] . [verdachte] stortte het op zijn zakelijke bankrekening en boekte een deel daarvan vervolgens over naar [persoon] . Hiermee hebben zij de werkelijke aard en herkomst verhuld. Het lijkt nu immers alsof het legitieme salarisbetalingen zijn. Ook hebben zij dit geld verworven, voorhanden gehad en overgedragen. De raadsman heeft bepleit dat verdachte zich hoogstens schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid, maar dat hij daarvoor niet is gedagvaard. Van medeplichtigheid is echter geen sprake. Uit de gang van zaken zoals die in 3.1, 3.2 en 3.
- is geschetst blijkt dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] gelijkwaardige uitvoeringshandelingen hebben verricht en daarin met elkaar hebben samengewerkt. Zij moeten daarom worden aangemerkt als medeplegers. 4De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte
- in de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 september 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader van meerdere geldbedragen, te weten geldbedragen van in totaal EUR 15.899,80 (zijnde 7 maal EUR 2.271,40), zijnde de salarisbetalingen, de werkelijke aard en de herkomst verhuld en voornoemde geldbedragen verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij en zijn mededader redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
- in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 augustus 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere geschriften, te weten: salarisspecificaties van [naam bedrijf 1] op naam van [persoon] betreffende de periode januari 2015, februari 2015, maart 2015, april 2015, mei 2015, juni 2015 en juli 2015, een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen [naam bedrijf 1] en [persoon] d.d. 1 januari 2015, een verlenging arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen [naam bedrijf 1] en [persoon] d.d. 1 juli 2015, een brief van [naam bedrijf 1] gericht aan [persoon] d.d. 31 juli 2015 en een formulier van de Belastingdienst, zijnde een opgaaf gegevens voor de loonheffingen d.d. 1 januari 2015, zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens in strijd met de waarheid op deze geschriften vermeld dat ad A) [naam bedrijf 1] sinds 1 januari 2015 loon heeft betaald aan die voornoemde [persoon] van EUR 3.500,- bruto per maand voor de maanden januari 2015, februari 2015, maart 2015, april 2015, mei 2015, juni 2015 en juli 2015, terwijl daar in werkelijkheid geen sprake van was, Ad B) die [persoon] vanaf 1 januari 2015 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan voor de duur van 6 maanden en een maandsalaris zou ontvangen van EUR 3.500,- bruto inclusief onkostenvergoeding, terwijl daar in werkelijkheid geen sprake van was, Ad C) die [persoon] vanaf 1 juli 2015 een verlengende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan voor de duur van 2 maanden, terwijl daar in werkelijkheid geen sprake van was, Ad D) de arbeidsovereenkomst van [persoon] bij [naam bedrijf 1] niet wordt verlengd en per 1 september 2015 zal aflopen, terwijl daar in werkelijkheid geen sprake van was en Ad E) voor die [persoon] loonheffing betaald moet gaan worden door zijn werkgever en dat zijn werkgever rekening houdt met de loonheffingskorting vanaf 1 januari 2015, terwijl daar in werkelijkheid geen sprake van was, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken. 5De straf 5.
- De strafeis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevraagd of de rechtbank aan verdachte een werkstraf van 180 uur wil opleggen. De officier van justitie wil ook een stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte in de toekomst de fout in gaat en heeft daarom gevraagd om ook een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand aan verdachte op te leggen met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met de meewerkende houding van verdachte, het feit dat hij hier geen voordeel uit heeft gehaald en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor dit soort misdrijven. 5.
- Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van de strafoplegging benadrukt dat verdachte vrijgesproken moet worden van het witwassen. Voor valsheid in geschrift is een werkstraf van 60 tot 80 uur passend. Ook moet de rechtbank meewegen dat het een oude zaak betreft. Het onderzoek was in september 2015 al afgerond en omdat de zaak nu pas wordt behandeld is de redelijke termijn geschonden. Verdachte is nooit eerder veroordeeld voor dit soort feiten en zal zich in de toekomst niet schuldig maken aan een strafbaar feit. 5.
- De op te leggen straf De rechtbank zal aan verdachte een werkstraf van 140 uur opleggen. Verdachte heeft als ondernemer, samen met zijn boekhouder, valselijk documenten opgemaakt die zien op een niet-bestaande arbeidsrelatie. Deze producten zijn vervolgens gebruikt bij de Belastingdienst en kredietverstrekkers. Het geld dat hiermee is gemoeid is door verdachte witgewassen. Dit zijn ernstige strafbare feiten. Op ondernemers rust de plicht de bedrijfsadministratie overeenkomstig de waarheid op te stellen. Dit soort fraude ondermijnt het vertrouwen dat in het economische en maatschappelijke verkeer in dergelijke documenten en in de administratie moet kunnen worden gesteld. Verdachte heeft meegeholpen om de Belastingdienst en kredietverstrekkers om de tuin te leiden. Geld is de drijfveer voor vele vormen van criminaliteit. Alleen witgewassen crimineel geld kan gebruikt worden in het dagelijks leven. Jaarlijks wordt in Nederland daarom veel crimineel geld witgewassen. Hierdoor is witwassen een ernstige bedreiging voor de economie en tast het ook de integriteit van de financiële sector aan. Dit maakt dat aan verdachte een onvoorwaardelijke straf moet worden opgelegd. Voor de hoogte van de straf wordt gekeken naar de oriëntatiepunten van de Rechtspraak, die proberen te zorgen dat gelijke gevallen zo gelijk mogelijk worden gestraft. Volgens die oriëntatiepunten is voor fraude met een bedrag van ongeveer € 10.000,- een gevangenisstraf van twee maanden het uitgangspunt. In deze zaak is het bedrag iets hoger. De oriëntatiepunten (en de wet) bieden ook de mogelijkheid om een werkstraf op te leggen. De rechtbank kiest in deze zaak voor het opleggen van een werkstraf. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit, hij is gestopt met het plegen van dit strafbare feit voordat hij in contact kwam met de politie en hij heeft bij de politie meteen openheid van zaken gegeven. Verdachte heeft bovendien nog steeds zijn onderneming, waarmee hij zijn gezin onderhoudt, en een gevangenisstraf zou dat in gevaar kunnen brengen. Al met al is een werkstraf van 140 uur in dit geval een passende straf. De rechtbank gaat niet mee in het verweer van de raadsman dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden. Uit een Europees verdrag (het EVRM) vloeit voort dat een strafzaak moet worden afgedaan binnen twee jaren nadat aan iemand bekend is gemaakt dat hij zal worden vervolgd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als iemand een brief krijgt waarin staat dat hij zal worden vervolgd. De gedachte achter deze regel is dat een persoon niet te lang in onzekerheid mag worden gehouden over de vraag wanneer zijn strafzaak voor zal komen. In dit geval is verdachte op 28 september 2015 voor het eerst als verdachte gehoord. Hij is niet aangehouden en heeft niet in voorarrest gezeten. Het gehele dossier is in het najaar van 2015 afgerond en mededader [persoon] is al in december 2015 door de rechtbank veroordeeld. Pas in het voorjaar van 2017 heeft verdachte een brief van de officier van justitie ontvangen met de mededeling dat hij voor dit feit zal worden vervolgd. Vanaf dat moment is de redelijke termijn van twee jaar gaan lopen en die is op het moment dat dit vonnis wordt gewezen nog niet verstreken. Hoewel de vervolging van verdachte in deze zaak zeer lang op zich heeft laten wachten en ook niet is gebleken waarom daar zo veel vertraging in heeft gezeten, is dat tijdsverloop niet een reden om de straf te verlagen. De rechtbank vindt het niet nodig om een voorwaardelijk strafdeel met een proeftijd aan verdachte op te leggen, zoals door de officier van justitie is gevraagd. De rechtbank schat in dat sprake was van een eenmalige fout van verdachte die hij naar eigen zeggen nooit meer zal begaan. Overigens is verdachte ook sinds deze feiten niet meer met politie of justitie in aanraking gekomen. De rechtbank gelooft verdachte en vindt een stok achter de deur daarom niet nodig. 6De wet De beslissing en de aan verdachte op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47, 57, 225 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht. 7De beslissing in het kort De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: ‘medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd’. Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: ‘medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 140 (honderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 (zeventig) dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel, voorzitter, mrs. C.P. Bleeker en M.M. Helmers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. Haulo, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari
- De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. [...] De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de politie, bekend onder 13ASGAARD, met dossiernummer [dossiernummer] . De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina’s in het dossier. KvK uittreksel [naam bedrijf 1] , p.693 KvK uittreksel [naam bedrijf 2] , p.694 Verklaringen [verdachte] en [medeverdachte] , p.813 Verklaring [medeverdachte] , p.824 Verklaringen [verdachte] en [medeverdachte] , p.813, p.806 en p.825 Verklaring [verdachte] , p.810 Arbeidsovereenkomst, p.771 Verklaring [medeverdachte] , p.824 en loonstrookjes van januari tot en met juni, p.764-769 Verklaringen [verdachte] en [medeverdachte] , p.814 Verlenging arbeidsovereenkomst, p.773 Verklaring [medeverdachte] , p.824 en loonstrookje van juli 2015, p.770 Brief niet-verlengen arbeidsovereenkomst, p.774 Opgave gegevens voor loonheffing, p.775 Verklaring [verdachte] , p.809 en verklaring [medeverdachte] , p.824 Verklaring [verdachte] , p.809 Bankafschriften [naam bedrijf 1] , p.838 en 840-847