Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2018:5768
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 17/3419 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 mei 2018 in de zaak tussen [eiseres] te [adres] , eiseres (gemachtigde: mr. J.P.M. van Zijl), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. W.P.F. Oosterbos).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], hierna te noemen [belanghebbende] , te [naam plaats] (gemachtigde: mr. D. Grégoire).
Procesverloop Bij besluit van 5 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een beslissing te nemen over de toekenning van de Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) per 8 februari 2012 en een beslissing te nemen over de betaling van deze ZW-uitkering afgewezen.
Bij besluit van 26 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018.
Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [belanghebbende] is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen Aanleiding voor deze procedure 1. [belanghebbende] is op 17 oktober 2011 bij eiseres in dienst getreden. Zij heeft zich op 8 februari 2012 ziek gemeld. Op 27 november 2013 heeft eiseres verweerder verzocht om [belanghebbende] op basis van het advies van de bedrijfsarts hersteld te verklaren met ingang van 28 oktober 2013. Met het besluit van 13 maart 2014 heeft verweerder hieraan gevolg gegeven. [belanghebbende] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 11 september 2014 heeft verweerder het bezwaar van [belanghebbende] gegrond verklaard. Verweerder heeft aan de beslissing op bezwaar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam] (hierna: [naam] ) van 10 september 2014 ten grondslag gelegd. In dit rapport overweegt [naam] dat de bedrijfsarts aangeeft dat op basis van de medische problematiek er feitelijk al bij aanvang van het dienstverband sprake was van ongeschiktheid voor de maatstaf. Gelet op de gestelde diagnose en de in kaart gebrachte beperkingen is dit standpunt medisch gezien volgens [naam] aannemelijk. Eiseres heeft tegen de beslissing op bezwaar van 11 september 2014 beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam . Met de uitspraak van 11 februari 2016 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Eiseres is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep (de Raad). De Raad heeft op 12 juli 2017 uitspraak gedaan.
Standpunt van eiseres 5.1.
Eiseres is van mening dat zij op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alsnog om een beslissing moet kunnen verzoeken, omdat zij anders geen toegang tot de rechter heeft. Eiseres voert verder aan dat niet gesteld kan worden dat zij de aanvraag niet binnen een redelijke termijn heeft ingediend. Volgens eiseres dient er rekening te worden gehouden met het feit dat er vanaf 10 april 2014 een lopende procedure is over de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van [belanghebbende] . Eiseres heeft daarnaast pas naar aanleiding van het bezwaar van [belanghebbende] kennis kunnen nemen van het rapport van [naam] . Hierdoor was eiseres niet eerder op de hoogte van de aanwijzingen voor het eerder bestaan van de arbeidsongeschiktheid van [belanghebbende] . Eiseres heeft verweerder vanaf die tijd gevraagd om een onderzoek in te stellen naar het eerder bestaan van de arbeidsongeschiktheid van [belanghebbende] . Verder valt volgens eiseres niet in te zien in welk belang verweerder is geschaad doordat de aanvraag eerst op 21 oktober 2016 is ingediend.
5.2.
Op 16 maart 2018 heeft eiseres de gronden van haar beroep aangevuld. Hierin geeft eiseres aan dat de uitspraak van de Raad van 12 juli 2017 samenhangt met drie andere uitspraken van de Raad over de eerste dag van arbeidsongeschiktheid in het geval de werkgever eigenrisicodrager is voor de ZW. Volgens eiseres is pas na deze uitspraken duidelijk geworden op welke manier een eigenrisicodrager de eerste dag van arbeidsongeschiktheid aan de orde moet stellen, indien er na de toekenning van de ZW-uitkering aanwijzingen zijn dat de arbeidsongeschiktheid al bestond vóór de eerste dag van de dienstbetrekking met de eigenrisicodrager. Volgens eiseres is het op basis van het rapport van [naam] voldoende aannemelijk dat er van een andere dag van arbeidsongeschiktheid moet worden uitgegaan. Eiseres realiseert zich dat het op haar weg ligt om dit te onderbouwen. Eiseres heeft dit (nog) niet gedaan bij haar verzoek van 21 oktober 2016, maar op grond van artikel 4:5 van de Awb had verweerder eiseres daartoe in de gelegenheid moeten stellen. Zover is het echter niet gekomen, omdat verweerder het verzoek niet in behandeling heeft genomen vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
5.3.
Eiseres heeft ter zitting haar beroepsgrond dat artikel 4:88 van de Awb niet van toepassing is, ingetrokken. Gelet op de uitspraak van de Raad van 12 juli 2017 is het voor eiseres duidelijk dat er een redelijke termijn geldt. De vraag is echter wat die redelijke termijn inhoudt.
Standpunt van verweerder 6. Volgens verweerder is de redelijke termijn geschonden, omdat er ruim twee jaar zit tussen het rapport van [naam] en het verzoek van eiseres. Bovendien had eiseres al veel eerder om een beslissing kunnen vragen. Verweerder verwijst daarbij naar de procedure bij de rechtbank Amsterdam . Bij de beoordeling van de redelijke termijn mag verder de rechtszekerheid van [belanghebbende] niet uit het oog worden verloren. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden, artikel 4:88 van de Awb niet meer relevant is.
Reactie [belanghebbende] 7. [belanghebbende] verzoekt de rechtbank om het beroep van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk althans kennelijk ongegrond te verklaren. [belanghebbende] benadrukt dat deze procedure al heel lang duurt. Volgens haar is er sprake van schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Verweerder schiet tekort in zijn toezichthoudende taak. Hierdoor ondervindt [belanghebbende] veel problemen. Verder verbaast [belanghebbende] zich over het feit dat het beroep van eiseres nu door een meervoudige kamer wordt behandeld. [belanghebbende] verzoekt de rechtbank om eiseres te veroordelen in een tegemoetkoming van de kosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. [belanghebbende] behoudt zich het recht voor om haar schade (onder andere het mislopen van fiscale toeslagen) later alsnog te claimen.
Het oordeel van de rechtbank 8. De relevante wetsartikelen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op om binnen twaalf weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzitter, mr. J.H.M. van de Ven en mr. H.J. Schaberg, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2018. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Bijlage In artikel 8:26 van de Awb is bepaald dat:
In artikel 8:69 van de Awb is bepaald dat:
3 De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.
In artikel 52c van de ZW is bepaald dat:
Uitspraak van de rechtbank [adres] van 11 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2705 (gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Uitspraak van de Raad van 12 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2465.
Uitspraken van de Raad van 12 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2466, ECLI:NL:CRVB:2017:2504 en ECLI:NL:CRVB:2017:2507.