RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 18/1428 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2018 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: mr. J.M.C. Niederer), en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder. Procesverloop De rechtbank heeft op 20 februari 2018 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het niet op tijd doen van een uitspraak op bezwaar door verweerder. Bij brief van 27 maart 2018 heeft eiser het beroep ingetrokken en aanspraak gemaakt op vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft bij brief van 11 april 2018 gereageerd op het verzoek om een proceskostenvergoeding. Eiser heeft bij brief van 18 april 2018 op het verweerschrift gereageerd. Nadat partijen toestemming hebben gegeven om zonder zitting op het verzoek om vergoeding van de proceskosten uitspraak te doen, is het onderzoek gesloten. Overwegingen Wat ging er aan deze zaak vooraf? 1.1 Verweerder heeft eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting met nummer [nummer] opgelegd. Op 10 februari 2016 heeft eiser bezwaar gemaakt. Met een uitspraak op bezwaar van 25 februari 2016 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Met een uitspraak van 17 oktober 2016 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. 1.2 Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft eiser hoger beroep ingesteld omdat hij het niet eens was met het feit dat de rechtbank bij het toekennen van de proceskosten een factor 0,50 had toegepast. 1.3 Verweerder heeft eiser op 29 november 2016 een brief gestuurd, met als onderwerp “Uitspraak op bezwaarschrift tegen naheffing parkeerbelasting” en als kenmerk [nummer] . Eiser heeft hiertegen bij brief van 21 december 2016 in hoger beroep gronden aangevoerd. 1.4 Met een uitspraak van 10 oktober 2017 heeft het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. In deze uitspraak heeft het hof met betrekking tot de brief van 29 november 2016 overwogen dat door het instellen van hoger beroep de werking van de uitspraak van de rechtbank is opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist (artikel 8:106 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Een nieuwe uitspraak op bezwaar kon toen rechtens nog niet worden gedaan. Het hof acht het in strijd met een goede procesorde dat eiser in hoger beroep alsnog een inhoudelijke beoordeling van de naheffing wil en - naar hier logisch uit voortvloeit - dus wil dat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd ook voor zover daarin overeenkomstig haar verzoek is beslist dat de heffingsambtenaar een nieuwe uitspraak op bezwaar moet doen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat eisers beroepsmatig optredende gemachtigde geen enkele reden heeft aangevoerd voor deze wijziging in zijn opstelling, hetgeen in de rede had gelegen juist omdat hij in eerste aanleg zoveel gewicht toekende aan de schending van de hoorplicht. 1.5 Op 30 december 2017 heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar. Vervolgens heeft eiser op 20 februari 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft vervolgens op 20 februari 2018 de uitspraak op bezwaar, gedateerd 29 november 2016, aan eiser toegezonden. Eiser heeft daarom zijn beroep tegen het niet tijdig doen van de uitspraak ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten. Hij heeft tegen de uitspraak op bezwaar van 29 november 2016 geen beroep ingesteld. Wat zijn de standpunten van partijen? 2.1 Eiser heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar te laat heeft beslist omdat de uitspraak op bezwaar van 29 november 2016 pas op 20 februari 2018 op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Dat betekent dat hij terecht beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van de uitspraak. De heffingsambtenaar is met het bekendmaken van de uitspraak tegemoetgekomen aan zijn beroep, zodat hij recht heeft op vergoeding van de proceskosten. 2.2 De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingebrekestelling te vroeg is ingediend omdat de beslistermijn voor het doen van een nieuwe uitspraak op bezwaar nog niet was verstreken. Uit de jurisprudentie volgt dat een bestuursorgaan na een vernietiging dezelfde termijn krijgt om een beslissing te nemen als in eerste instantie. De beslistermijn bedraagt daarom in deze zaak 10 maanden en 19 dagen en gaat in na de uitspraak van het hof. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten moet worden afgewezen, aldus de heffingsambtenaar. Wat vindt de rechtbank? 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.