RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/751725-16 RK nummer: 17/6583 en 17/6584 BESCHIKKING Op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag] 1968, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen, [adres] , hierna te noemen: verzoeker. 1Procesgang Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 18 oktober 2017, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en van de kosten van rechtsbijstand in de overleveringsprocedure, die is geëindigd met de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam (hierna: IRK) van 21 september 2017 tot weigering van de overlevering van verzoeker. De rechtbank heeft op 17 juli 2018 mr. J.J.J. Rijsbergen, advocaat van verzoeker, en de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek, in openbare raadkamer gehoord. De verzoeken zijn tijdig ingediend en (mede daarom) ontvankelijk. 2Voorgeschiedenis De rechtbank gaat uit van de volgende feiten: - Bij vonnis van 29 januari 2007 van the District Court van Lobez, Polen, (II K 13/07) is verzoeker veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar en 150 dagen. Bij besluit van 9 september 2013 van ditzelfde gerecht is de tenuitvoerlegging bevolen van deze aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf; - Op 8 juli 2016 is door the Regional Court in Szczecin (Polen) een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker naar Polen, in verband met de tenuitvoerlegging van voornoemde straf; - Op 22 juli 2017 is verzoeker voorlopig aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW gelet op voormeld EAB; - Op 24 augustus 2017 is de overleveringsdetentie van verzoeker, onder voorwaarden, geschorst door de Officier van Justitie; - Op vordering van de officier van justitie van 25 juli 2017 is het overleveringsverzoek behandeld op de zitting van 21 september 2017; - Bij uitspraak van deze rechtbank en kamer van 21 september 2017 is de overlevering geweigerd op basis van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Daarbij is de geschorste overleveringsdetentie opgeheven. 3Verzoeken De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van - € 2.715, - € 2.715, - voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd: 3 3 dagen politiebureau: 3 x € 105,- = € 315,- 30 30 dagen Huis van Bewaring 30 x € 80,- = € 2.400,- - € 2.000,- € 2.000,- als vergoeding van materiële vermogensschade; - € 280, - € 280, - voor de kosten die in verband met het (opstellen, indienen en behandelen) van de verzoeken zijn gemaakt. De raadsman heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht. Hij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding ex artikel 67 van de OLW toekomt, omdat zijn overlevering is geweigerd. Verzoeker heeft ten gevolge van zijn detentie zijn baan verloren. 4Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Zij heeft aangevoerd dat er geen gronden van billijkheid voor de toewijzing van schadevergoeding aanwezig zijn, nu de Nederlandse Staat geen verwijt kan worden gemaakt wat betreft de overleveringsdetentie van verzoeker en de duur daarvan 5Toetsingskader Artikel 67 OLW correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet (UW). Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 89, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 90, 91 en 93 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 591 en 591a Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW. Op grond van artikel 90, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. 6Oordeel van de rechtbank Anders dan in haar eerdere uitspraak van 29 mei 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:3659), waar de officier van justitie haar standpunt op baseert, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank verwijst hierbij naar haar uitspraak van 26 juli 2018 met parketnummer 13/752158-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.