RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751395-18 RK nummer: 18/3389 Datum uitspraak: 3 juli 2018 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 mei 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 augustus 2017 door the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984, verblijvende op het adres: [adres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 3 juli
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 25 maart 2015 van the Local Court in Inowrocław, VIII Penal Branch Division, with the seat in Mogilno (Polen), met kenmerk: VIII K 73/
- De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 10 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 18, 22 en 28 juni 2018 volgt dat na het vonnis van 25 maart 2015 van the Local Court in Inowrocław een inhoudelijke behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 7 september 2015 bij the Court of Appeal.Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de verstrekte informatie volgt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW geldt. De opgeëiste persoon is niet aanwezig geweest bij de behandeling in hoger beroep. Bij de behandeling in hoger beroep is weliswaar een aan de opgeëiste persoon toegewezen advocaat aanwezig geweest, maar uit de aanvullende informatie van 28 juni 2018 blijkt niet dat de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd. Mitsdien is niet gebleken dat de opgeëiste persoon in het hoger beroep is vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat. De opgeëiste persoon is ook niet persoonlijk opgeroepen of anderszins daadwerkelijk van de behandeling in hoger beroep op de hoogte gesteld. Geen van de omstandigheden van artikel 12 sub a, b en c, OLW doen zich voor, terwijl ook een verzetgarantie zoals bedoeld in artikel 12, sub d, OLW ontbreekt. De overlevering dient daarom te worden geweigerd op grond van het bepaalde in artikel 12 OLW. 5Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz III Penal Division (Polen). HEFT OP de overleveringsdetentie. Aldus gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. A.W.C.M. van Emmerik en E.G. Fels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juli
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.