vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/637740 / HA ZA 17-1114 Vonnis van 3 oktober 2018 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, verweerster in het incident, advocaat mr. M. Westerveld te Amsterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, eiser in het incident, advocaat mr. E.B. Warmerdam-Wolfs te Alkmaar. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 9 oktober 2017, met producties, de conclusie van antwoord, met producties, het tussenvonnis van 21 maart 2018 waarbij ambtshalve een comparitie van partijen is bepaald, het proces-verbaal van de comparitie van 20 juni 2018 en de daarin vermelde spreekaantekeningen van partijen, de brief van 11 juli 2018 van de rechtbank aan partijen waarin is meegedeeld dat de aan [gedaagde] op 4 juni 2018 verleende akte niet-dienen ongedaan zal worden gemaakt, de akte overlegging nadere producties van [gedaagde] , de antwoordakte van [eiseres] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Partijen hebben vanaf 2000 samengewoond en zijn in september 2013 uit elkaar gegaan. Op 7 augustus 2005 is hun zoon geboren. 2.2. Partijen zijn op 14 maart 2000 via familieleden die daartoe gemachtigd waren, in Iran gehuwd. In de huwelijksakte van die datum staat onder meer (vertaald in het Engels): “(…) Marriage Settlement: A volume of the Holy Koran with a donation value of Rls 50000 and 1200 Bahar Azadi Gold Coins, and a certain amount of gold at Rls 50,000,000 which shall remain the liability of the Husband to be submitted to the Wife on her demand. (…)” 2.3. Op 23 september 2016 is op verzoek van [eiseres] het huwelijk van partijen geregistreerd in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [naam gemeente] . 2.4. [gedaagde] heeft bij de rechtbank in Hamedan in Iran (hierna: de Iraanse rechtbank) een verzoek tot echtsscheiding ingediend. 2.5. In juni 2017 heeft [eiseres] via de Iraanse ambassade in Den Haag het door [gedaagde] bij de Iraanse rechtbank ingediende verzoek tot echtscheiding ontvangen. Hierbij was tevens gevoegd een oproep om op de zitting van 11 november 2017 van de Iraanse rechtbank te verschijnen. [eiseres] is op deze zitting en de nadien door de Iraanse rechtbank bepaalde zittingen niet verschenen. 2.6. De deurwaarder heeft bij exploot van 13 juli 2017 [gedaagde] gesommeerd om een hoeveelheid van 1200 Bahar Azadi gouden munten en een hoeveelheid goud ter waarde van 50.000.000 Iraanse Rials binnen tien dagen aan [eiseres] te voldoen. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert, samengevat, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] te veroordelen: tot het overhandigen van 1200 Bahar Azadi gouden munten binnen veertien dagen na dit vonnis aan [eiseres] , bij gebreke waarvan [gedaagde] aan [eiseres] een vervangende schadevergoeding dient te betalen van € 370.764,71, te vermeerderen met wettelijke rente, tot het overhandigen van een hoeveelheid goud ter waarde van € 1.243,84 binnen veertien dagen na dit vonnis aan [eiseres] , bij gebreke waarvan [gedaagde] aan [eiseres] een vervangende schadevergoeding dient te betalen van € 1.243,84 en in de proceskosten. 3.2. Aan haar vorderingen legt [eiseres] nakoming van de tussen partijen in het kader van het huwelijk gemaakte afspraken in de ‘Marriage Settlement’ ten grondslag. Op grond hiervan dient [gedaagde] aan [eiseres] de zogeheten bruidsgave te voldoen. Ter gelegenheid van de sluiting van het huwelijk heeft zij de Heilige Koran ontvangen. De 1200 Bahar Azadi gouden munten en de hoeveelheid goud ter waarde van 50.000.000 Iraanse Rials heeft zij nog niet ontvangen. Op grond van de Marriage Settlement kan zij de gouden munten en Iraanse Rials te allen tijde opeisen. [gedaagde] heeft niet aan zijn verplichting tot betaling hiervan voldaan, zodat zij recht heeft op vervangende schadevergoeding, aldus steeds [eiseres] . 3.3. [gedaagde] voert verweer. Hij voert als exceptief verweer dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 12 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen rechtsmacht toekomt, omdat de afwikkeling van de bruidsgave onderdeel is van de echtsscheidingsprocedure in Iran en de Nederlandse rechter aan het vonnis van de Iraanse rechter gezag zal toekennen op grond van artikel 431 Rv en de daarvoor in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden. Daarnaast voert hij aan dat het bedrag van de bruidsgave moet worden herijkt, omdat het bedrag - ook in het licht van Islamitische wetgeving - disproportioneel is. De vordering tot nakoming van de bruidsgave levert dan ook misbruik van recht op en is in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Bovendien heeft hij geen financiële middelen om aan de vordering te voldoen, aldus steeds [gedaagde] . 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Rechtsmacht 4.1. In deze procedure staat centraal de vraag of [gedaagde] aan [eiseres] de bij de huwelijkssluiting overeengekomen bruidsgave (door partijen ook aangeduid als ‘Mehriye’) dient te voldoen. De rechtbank beschouwt het verweer van [gedaagde] dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft vanwege de eerder aanhangig gemaakte Iraanse echtscheidingsprocedure als een incidentele vordering tot onbevoegdverklaring in de zin van artikel 11 Rv. Deze vordering die op grond van genoemd artikel moet worden ingesteld bij conclusie vóór alle weren, is tijdig ingesteld, omdat de vordering samenvalt met de conclusie van antwoord in de hoofdzaak. 4.2. Nu in deze zaak geen internationale regelingen op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid van toepassing zijn, moet aan de hand van het Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht, meer in het bijzonder artikel 12 Rv, beoordeeld worden of deze rechtbank zich in verband met de Iraanse procedure onbevoegd moet verklaren of de zaak moet aanhouden. In dit artikel is bepaald dat indien een zaak aanhangig is gemaakt voor een rechter van een vreemde staat en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een verzoek is ingediend over hetzelfde onderwerp de behandeling kan aanhouden tot dat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien de buitenlandse beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. 4.3. Tussen partijen is in discussie of de bruidsgave onderwerp van geschil is in de Iraanse procedure. Ter zitting heeft [gedaagde] hierover verklaard dat de bruidsgave door de Iraanse rechter ambtshalve in het kader van de verzochte echtscheiding is behandeld. Eind januari 2018 heeft een zitting plaatsgevonden waarbij [gedaagde] aanwezig was. Toen is ook over de bruidsgave gesproken. Volgens [gedaagde] heeft de Iraanse rechtbank beslist dat een deel van de door [gedaagde] te betalen bruidsgave naar de rechtbank zal gaan, een deel naar de armen en dat een deel wordt gereserveerd totdat [eiseres] het bedrag opeist in Iran. De Iraanse rechtbank heeft volgens [gedaagde] verder beslist dat aan [eiseres] een derde oproep zal worden gestuurd om te verschijnen in de procedure. Op welke termijn uitspraak zal worden gedaan, is [gedaagde] niet bekend. [eiseres] heeft hiertegen ingebracht dat in de oproepingsstukken die zij via de Iraanse ambassade heeft ontvangen enkel staat vermeld dat [gedaagde] heeft verzocht om de echtsscheiding uit te spreken en dat daaruit niet volgt dat ook de bruidsgave onderwerp van geschil is in de Iraanse procedure. Zij heeft erop gewezen dat zij de bruidsgave niet in Iran heeft opgeëist. 4.4. Op de comparitie van partijen heeft de rechtbank [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om stukken met betrekking tot de Iraanse procedure in het geding te brengen waaruit zou blijken welke onderwerpen spelen in de Iraanse procedure, hetgeen op de zittingen is besproken en wanneer (eind)vonnis zal worden gewezen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat [eiseres] bij antwoordakte mag reageren. 4.5. Vervolgens heeft [gedaagde] een aantal stukken overgelegd. Uit deze stukken blijkt niet - zoals [eiseres] terecht heeft betoogd - dat de bruidsgave onderwerp van de Iraanse procedure is. In de Nederlandse vertaling van de brief van 30 juni 2018 van advocaat Seyed Kazem Ahmadinejad staat dat de tenuitvoerlegging van het echtscheidingsvonnis afhankelijk is van de volledige betaling van de bruidsborg, dat de bruidsborg onderdeel van de echtscheiding is en dat zolang deze niet is betaald het echtscheidingsvonnis niet kan worden uitgevoerd. De advocaat heeft echter niet (expliciet) geschreven dat de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.