RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/086958-18 (Promis) Datum uitspraak: 17 oktober 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2018. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.C. Velleman en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.A.I. Witlox naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging 2.1 Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich op 14 februari 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een lijnbus van het [vervoerbedrijf], zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte wordt verweten dat hij voetganger [persoon 1] niet voor heeft laten gaan op een voetgangersoversteekplaats en niet heeft geclaxonneerd als waarschuwing, waardoor een aanrijding is ontstaan en die [persoon 1] is komen te overlijden (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994). Subsidiair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich dusdanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994). 2.2 De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair ten laste gelegde (schuld aan een verkeersongeval waardoor een ander wordt gedood) wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte de voetgangersoversteekplaats op die bewuste dag met zijn bus naderde en het slachtoffer zag komen aanlopen. Verdachte zag, dan wel kon vermoeden, dat de man wilde gaan oversteken. Verdachte had, gelet op de voetgangersoversteekplaats, voorrang aan het slachtoffer moeten verlenen, maar heeft dat niet gedaan. De reden waarom verdachte dat niet heeft gedaan was, naar eigen zeggen, omdat het slachtoffer niet door kon lopen aangezien er uit tegengestelde richting een bus aankwam en die zijn gang over de voetgangersoversteekplaats blokkeerde. Dit is echter een grote denkfout van verdachte geweest. Verdachte had voorrang moeten verlenen, ongeacht of het slachtoffer zijn weg over de voetgangersoversteekplaats kon vervolgen. Verdachte heeft aldus een verkeersfout gemaakt, die in de hand is gewerkt door een verkeerde gedachtegang. Dit is voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen. De schuld van verdachte zou voortkomen uit de gedraging dat hij niet heeft geclaxonneerd en de voetganger niet voor heeft laten gaan door tijdig te remmen. Omdat verdachte helemaal niet verwachtte dat de voetganger zou oversteken, heeft hij niet geclaxonneerd. Het oversteken was voor verdachte tegen alle logica in, gezien de afstand van zijn bus tot de zebra en de passerende bus uit tegengestelde richting die zich op de zebra bevond. Van verdachte kon niet meer worden verlangd dat hij zijn bus tijdig zou stoppen op het moment dat de voetganger zich op het zebrapad begaf. Op het moment dat het slachtoffer vanaf de vluchtheuvel op het zebrapad stapte, was de afstand van de bus tot de zebra circa 3 meter. Het was toen om mechanische redenen en gezien de benodigde reactietijd niet meer mogelijk om de bus op tijd tot stilstand te brengen. Deze zelfde gedragingen liggen aan het subsidiair ten laste gelegde (het veroorzaken van gevaar op de weg, artikel 5 Wegenverkeerswet) ten grondslag. Verdachte kon op dat moment en onder de gegeven omstandigheden een aanrijding niet meer voorkomen. Hij mocht er van uitgaan dat de voetganger zou blijven stilstaan op de vluchtheuvel tussen de twee zebra’s. Toen het slachtoffer dat onverhoopt niet deed, kon verdachte zijn bus niet meer tijdig afremmen om een aanrijding te voorkomen. Verdachte heeft het verkeer niet in gevaar gebracht. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Feiten en omstandigheden De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op 14 februari 2017 heeft een aanrijding plaatsgevonden waarbij een bus en een voetganger betrokken waren. De voetganger, genaamd [persoon 1] , is als gevolg van die aanrijding overleden. De bestuurder van de bus van het [vervoerbedrijf] (de rechtbank begrijpt: openbaar vervoersonderneming) reed op de bus-/trambaan van de Hoofdweg te Amsterdam. De bus kwam vanaf het Bos en Lommerplein en reed in de richting van het Mercatorplein. De rijbaan van de Hoofdweg was ter plaatse van de aanrijding verdeeld in vier rijstroken. In het midden bevonden zich twee rijstroken bestemd voor bussen en trams in beide richtingen. Aan beide zijden van deze bus-/trambanen was een rijstrook bestemd voor het overige motorverkeer (hierna: autorijbaan). Nabij de Erasmusgracht bevond zich een voetgangersoversteekplaats (ook wel zebrapad genoemd). Deze voetgangersoversteekplaats werd onderbroken door twee vluchtheuvels. Deze vluchtheuvels bevonden zich tussen enerzijds de autorijbanen en anderzijds de bus-/trambanen. De voetgangersoversteekplaats was voorzien van bord L2, conform bijlage 1 van het RVV 1990 (de rechtbank begrijpt telkens: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Nabij de Erasmusgracht stak een voetganger de bus-/trambaan over, gezien vanuit de bestuurder van de bus van rechts naar links. Hij stak de bus-/trambaan over of net op of vlak achter de voetgangersoversteekplaats (vanuit de richting van de bus bezien). De aanrijding heeft plaatsgevonden direct naast de vluchtheuvel. De bestuurder van de bus botste tegen de voetganger. De oorzaak van de aanrijding is gelegen in het feit dat de bestuurder van de bus de voetganger, die op of vlak na een voetgangersoversteekplaats overstak, niet voor heeft laten gaan. De oorzaak was niet gelegen in de infrastructuur dan wel het uitzicht van de bestuurder op de voetganger. Wel passeerde er vlak voor de aanrijding een tegemoetkomende bus. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij op 14 februari 2017 net was begonnen aan zijn dienst. Hij reed op lijn [nummer] . Verdachte was bekend op deze lijn. De afgelopen maanden had hij ongeveer tien keer dit traject gereden. Toen hij de Erasmusgracht naderde, kwam een voetganger schuin over de autorijbaan aangelopen, richting de vluchtheuvel. De voetganger liep richting het zebrapad van de bus/-trambaan, waar de bus die verdachte bestuurde op dat moment al dichtbij was. Verdachte heeft verklaard dat hij de indruk had dat het doel van de voetganger was om de gehele rijbaan over te steken, naar de stoep aan de overkant. Verdachte zag dat een andere lijnbus hem tegemoet kwam rijden en dat die bus zich nog dichter bij het zebrapad bevond. Verdachte was van oordeel dat de voetganger op dat moment niet verder kon oversteken, aangezien die andere bus de voetganger halverwege het zebrapad de doorgang zou beletten. Hij was ervan overtuigd dat de voetganger op de vluchtheuvel zou blijven staan. Daarom remde of toeterde verdachte niet. Tot zijn grote schrik zag hij de voetganger toch oversteken. Hij kon toen niets meer doen. Uit de verklaring van de deskundige van het [vervoerbedrijf] blijkt dat verdachte op het moment dat hij de voetganger voor het eerst zag, nog tijdig had kunnen remmen. Op het moment dat de voetganger zich nabij/op de vluchtheuvel bevond, was dat niet meer mogelijk. 4.3.2 Bewijsoverwegingen Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wegenverkeerswet), zoals verdachte primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid aan de kant van verdachte, maar dat sprake is van een inschattingsfout. De rechtbank acht dan ook niet bewezen wat primair is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte een gevaar op de weg heeft veroorzaakt, zoals subsidiair ten laste is gelegd. De rechtbank zal dit hieronder nader toelichten. Verdachte moet als buschauffeur in het drukke Amsterdamse verkeer iedere dag talloze inschattingen maken en telkens in een zeer kort tijdsbestek beslissen hoe te handelen. Bij het maken van die inschattingen spelen zijn ervaring en intuïtie een belangrijke rol, als ook het gedrag van de gemiddelde verkeersdeelnemer in Amsterdam. De voetganger (hierna: het slachtoffer) stak schuin de autorijbaan over richting de vluchtheuvel en de voetgangersoversteekplaats bij de bus-/trambaan. Verdachte moest op dat moment een inschatting maken van wat het slachtoffer zou gaan doen. Verdachte veronderstelde dat het slachtoffer op de vluchtheuvel zou stoppen met oversteken, omdat verdachte met zijn bus de voetgangersoversteekplaats al dicht was genaderd en de bus die uit tegengestelde richting kwam nog dichter bij de voetgangersoversteekplaats reed en de doorgang van het slachtoffer zou blokkeren als het slachtoffer door zou lopen. Daarom heeft verdachte niet geremd en niet getoeterd. Dat bleek een fatale inschattingsfout van verdachte te zijn. Het slachtoffer stopte niet op de vluchtheuvel en begon de voetgangersoversteekplaats van de bus-/trambaan over te steken. Gelet op de omstandigheid dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.