← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2018:7636

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/654167-17 Datum uitspraak: 5 september 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te Amsterdam op [geboortedag] 1990, ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres [BRP-adres] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 augustus

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.G.M.C. Peters, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 08 november 2017 te Diemen, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 388,70 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Vrijspraak 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie meent dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Een verbalisant heeft gezien dat een man met kort haar en een donker trainingspak tijdens de inval door de politie iets gooide uit het raam van het pand aan de [adres] in Diemen. Deze man is later door de verbalisant herkend als verdachte. In de zak die uit het raam is gegooid, is 388,7 gram cocaïne aangetroffen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Eén verbalisant heeft gezien dat een persoon door het raam iets naar buiten heeft gegooid. Hij heeft dit van buitenaf waargenomen terwijl het donker was. Dit zijn moeilijke omstandigheden om de uiterlijke kenmerken van die persoon goed te kunnen waarnemen. Daarnaast is het door de chaos die ontstond in de studio waar werd binnengetreden, onmogelijk om vast te stellen dat het verdachte is geweest die iets uit het raam heeft gegooid. Er waren meerdere personen binnen, onder wie iemand die ook donkere kleding droeg. Van de andere aanwezigen is de kleding niet beschreven. Bovendien is verdachte pas achteraf herkend door de betreffende verbalisant. Al met al is er teveel twijfel om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Op 8 november 2017 is de politie een bedrijfspand aan de [adres] in Diemen binnengevallen. Een verbalisant stond buiten om de achterzijde van het pand te observeren. Hij heeft verklaard gezien te hebben dat er door een persoon met kort zwart haar en een donker trainingspak iets uit het raam van de studio werd gegooid. Deze verbalisant heeft vervolgens verdachte overgebracht naar het politiebureau en daarbij vastgesteld dat verdachte dezelfde bovenkleding droeg en dezelfde uiterlijke kenmerken had als de persoon die hij iets uit het raam had zien gooien. De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding samen met vier anderen in de betreffende studio aanwezig was. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat het een kleine studio betreft. Uit het dossier is niet gebleken waar precies alle aanwezige personen zich bevonden op het moment dat de politie binnentrad. Bovendien is slechts beschreven welke kleding verdachte en de aanwezige [persoon] droegen, maar is niet vermeld welke kleding door de anderen werd gedragen. Wel bevindt zich een foto in het dossier van een persoon met donkere kleding. Onduidelijk is wie deze persoon is, maar verdachte ontkent dat hij dit is. De rechtbank acht het op basis van dit dossier niet mogelijk om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat verdachte de persoon is geweest die bij het raam heeft gestaan en de zak met verdovende middelen naar buiten heeft gegooid. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. 5Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. B. Vogel, voorzitter, mrs. O.P.M. Fruytier en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn en G. Onnink, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 september
  2. De jongste griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.