RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/665604-16 (Promis) 13Malone Datum uitspraak: 12 november 2018 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] . 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 8, 9, 11 en 29 oktober 2018. De zaken in het onderzoek 13Malone richten zich tegen zeven verdachten, waarvan drie meerderjarige verdachten, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , en vier (destijds) minderjarige verdachten, te weten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [verdachte] . De zaken zijn deels gelijktijdig met elkaar en deels afzonderlijk van elkaar behandeld. De bespreking van de ten laste gelegde feiten, de vorderingen van de benadeelde partijen en het requisitoir heeft gezamenlijk plaatsgevonden. De bespreking van de persoonlijke omstandigheden van alle verdachten alsmede de pleidooien hebben telkens afzonderlijk van elkaar plaatsgevonden op diverse zittingsdagen. Daarbij heeft de behandeling van de zaken tegen de minderjarigen achter gesloten deuren plaatsgevonden. De zaken tegen de zeven verdachten zijn vervolgens allen op 29 oktober 2018 gesloten. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Heus en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. van der Steen, naar voren hebben gebracht. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door de heer [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) naar voren is gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van afdreiging/afpersing van vijf aangevers in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016, subsidiair de medeplichtigheid daaraan ten aanzien van één van de betreffende aangevers; poging tot medeplegen van afdreiging/afpersing van drie aangevers in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016; medeplegen van (gewoonte)witwassen in de periode 1 mei 2016 tot en met 15 december 2016 van € 57.465,--, subsidiair de medeplichtigheid daaraan. De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Inleiding Op 23 september 2016 neemt de politie een aangifte op van de heer [naam 2] wonende te [woonplaats] . Hij verklaart via WhatsApp en telefonisch te zijn gechanteerd door een persoon nadat hij gereageerd zou hebben op een seksadvertentie via de internetsite speurders.nl. [naam 2] moest 200 euro betalen of anders zou de persoon aangever en zijn met naam genoemde dochter wat aandoen. Deze persoon maakte gebruik van het telefoonnummer [nummer] . Na een zoekslag door de politie in de politiesystemen blijkt dat de heer [naam 3] wonende te [woonplaats] op 22 september 2016 bij de politie melding heeft gedaan van een vergelijkbare ervaring. Ook hij heeft gereageerd op een seksadvertentie, via de site seksjobs.nl of kinky.nl, en werd vervolgens door een persoon per SMS gedwongen geld over te maken, anders zou die persoon het leven van [naam 3] ruïneren. Ook in dit geval werd gebruik gemaakt van het telefoonnummer [nummer] . Blijkens de aangifte van [naam 3] zijn ook in de door hem ontvangen SMS berichten namen van zijn familieleden genoemd om de chantage kracht bij te zetten. Die namen waren op dat moment allemaal op zijn Facebook account te vinden. Uit onderzoek bij de exploitant van de site Kinky.nl, Midhold BV, blijkt dat telefoonnummer [nummer] gekoppeld is aan een advertentie (nummer [nummer] met gebruikersnaam [gebruikersnaam] ) die weer is gekoppeld aan e-mailadres [e-mail adres] . Deze advertentie is op 11 augustus 2016 om 13.44 uur aangemaakt vanuit IP-adres [IP adres] en op die advertentie is vanaf 11 augustus 2016 om 16.19 uur regelmatig ingelogd vanuit IP-adres [IP adres] en IP-adres [IP adres] . Ook is deze advertentie meerdere keren ‘gepusht’, wat inhoudt dat deze beter zichtbaar is gemaakt. Bij dit ‘pushen’ is gebruik gemaakt van telefoonnummer [nummer] . Naast de twee voornoemde telefoonnummers zijn ook de nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] gekoppeld geweest aan deze advertentie. Volgens Midhold BV is IP-adres [IP adres] gelinkt aan Delft. Het bedrijf heeft klachten gehad van klanten dat er geld werd afgegeven aan Marokkanen. Daarom zijn er advertenties offline gezet. Vanuit het IP-adres [IP adres] zijn nog zes advertenties aangemaakt die zijn afgekeurd en offline gezet. Ook IP-adres [IP adres] linkt naar Delft. Vanuit dat adres zijn 22 advertenties aangemaakt, afgekeurd en offline gezet. De politie doet op 7 oktober 2016 wederom onderzoek in de politiesystemen. Er wordt gezocht op soortgelijke meldingen en registraties. Daarbij komen 19 registraties naar voren waarin bepaalde mobiele telefoonnummers en bankrekeningnummers in verschillende combinaties voorkomen. Het gaat om de telefoonnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] en de bankrekeningnummers [rekeningnummer] , [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] . 9 van deze registraties leiden tot aangiftes en 8 daarvan tot de onderhavige zaaksdossiers. Naast [naam 2] en [naam 3] , doen ook [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] aangifte van een vergelijkbare afdreiging/afpersing. Daarbij komen naast voornoemde bankrekeningnummers ook de nummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] voor. [rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 1] wonende [adres 1] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 5.947,-. [rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 4] wonende [adres 2] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 18.660,52. [rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 3] wonende [adres 3] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 9.110,-. [rekeningnummer] staat op naam van [verdachte] wonende [adres] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 9.090,-. [rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 2] wonende [adres 4] . Op deze rekening worden vijf verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 1.025,-. [rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 6] wonende [adres 5] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 12.319,-. Op de bankrekening komen verdachte betalingen voor. Dit zijn betalingen waarbij de betaler geen bekende relatie heeft met de houder van de bankrekening. Verder is hierbij relevant de frequentie van de bijschrijvingen op de betreffende rekening en de omschrijving die daarbij staat vermeld. De bijschrijvingen bestaan doorgaans uit ronde bedragen, variërend tussen de € 50,- en € 750,-, en zijn in bepaalde gevallen afkomstig van de hierboven genoemde aangevers. Een zeer groot deel van de bedragen is vrijwel direct na de overmaking contant opgenomen. Uit nieuwe informatie van Midhold B.V. en Tease Media B.V., exploitant van de website sexjobs.nl, blijkt vervolgens dat de telefoonnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , de gebruikersaccounts [e-mail adres] , [e-mail adres] , [e-mail adres] , [e-mail adres] , [e-mail adres] en de twee eerder genoemde IP-adressen in verschillende combinaties zijn gekoppeld aan seksadvertenties. Het IP-adres [IP adres] staat op naam van [naam 11] [adres 1] , het woonadres van verdachte [medeverdachte 1] . Het IP-adres [IP adres] staat op naam van [naam 12] , [adres 6] , het woonadres van verdachte [medeverdachte 5] . Bij huiszoekingen zijn onder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 5] mobiele telefoons in beslag genomen. Op de telefoons die onder [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [verdachte] in beslag zijn genomen zijn een groot aantal voor verdachten belastende berichten, seksadvertenties, screenshots van bankoverschrijvingen en (naakt)foto’s aangetroffen. Op de telefoon van [medeverdachte 4] zijn daarnaast screenshots aangetroffen van diverse profielen en de contactenlijsten van deze profielen afkomstig van Facebook. Verder is gebleken dat meerdere van bovengenoemde telefoonnummers gebruikt zijn in de telefoons van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] . Op de telefoon van [medeverdachte 1] zijn onder andere de gebruikersaccounts [e-mail adres] voor de website www.kinky.nl en [e-mail adres] voor de website www.sexjobs.nl aangetroffen. Gebleken is dat een aantal van de in beslag genomen telefoons niet uitgelezen kon worden en dat van een telefoon vermoedelijk de gegevens zijn gewist door de telefoon terug te zetten in de fabrieksinstellingen. Ook zijn er vele onverklaarbare geldtransacties en blijkt dat de aard van de zaken maakt dat er een lage aangifte bereidheid is bij slachtoffers. De verdachten hebben grotendeels een beroep gedaan op hun zwijgrecht. De rechtbank realiseert zich dat het dossier zeer waarschijnlijk niet een volledig beeld geeft van de omvang van deze zaak. Wat de rechtbank wel kan vaststellen is dat deze zeven verdachten een rol spelen in bovenstaand feitencomplex. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze verdachten strafrechtelijk betrokken zijn bij het afdreigen/afpersen van de aangevers, de pogingen daartoe en welke rol zij daarbij hadden en of er sprake was van onderlinge samenwerking. Verder is de vraag of er sprake is van het al of niet medeplegen van (gewoonte)witwassen van de geldbedragen die op de bankrekeningen stonden. 4.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat verdachte zich met medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair ten laste gelegde afdreigingen/afpersingen en de onder 2 ten laste gelegde pogingen daartoe. Tevens heeft verdachte zich met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van € 49.848,-- zoals onder 3 ten laste gelegd. 4.3 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte primair dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte nauwelijks voorkomt in de afdreigingszaken. Nergens blijkt uit dat verdachte betrokken is geweest bij het afdreigen van slachtoffers. Verdachte heeft zijn bankrekening en pincode aan iemand op straat gegeven. Hij zag er het kwaad niet van in en geloofde in mooie praatjes. De telefoon die onder hem in beslag is genomen en waar volgens de officier van justitie belastend materiaal op is gevonden, was niet bij verdachte in gebruik. Tussen verdachte en meerdere medeverdachten blijkt geen enkel verband, althans is geen sprake van een hechte groep. Met uitzondering van de zaak van aangever [naam 6] – die geld op de rekening van verdachte heeft gestort – is er geen enkel verband tussen verdachte en de zaaksdossiers. Het overige belastende materiaal dat zou zien op afdreiging ziet op een latere periode. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank of sprake is van witwassen van het bedrag dat op de rekening van verdachte is aangetroffen. Echter, dat verdachte kennis zou hebben van de overige rekeningen en dus als medepleger van witwassen van de gehele som kan worden beschouwd, is niet het geval. Er kan geen nauwe en bewuste samenwerking worden bewezen ten aanzien van dat bedrag. 4.4 Oordeel van de rechtbank De rechtbank komt op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen tot het oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde, te weten medeplegen van afdreigingen, pogingen daartoe en medeplegen van gewoontewitwassen. De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan de raadslieden hebben gedaan in hun pleidooien, isoleert de rechtbank de afzonderlijke zaaksdossiers niet van elkaar, maar komt zij tot de conclusie dat er sprake is van één feitencomplex waarin alle verdachten een rol spelen. De rechtbank baseert zich daarbij op de feiten en omstandigheden, waaronder de grote hoeveelheid van geldverplaatsingen en internetactiviteiten, die volgen uit de bewijsmiddelen zoals weergegeven in bijlage II, in onderlinge samenhang bezien. Juist in onderlinge samenhang bezien, blijkt uit de bewijsmiddelen dat er diverse dwarsverbanden zijn als het gaat om gebruikte IP-adressen, gebruikersaccounts, telefoonnummers en bankrekeningen. Juist die onderlinge verwevenheid vormt het beeld van deze zaak. Om die reden is niet van belang dat niet steeds alle vier de verdachten rechtstreeks zijn te verbinden aan ieder zaaksdossier. Ook het feit dat bepaalde feiten en omstandigheden – zoals door de raadslieden betoogd – buiten de tenlastegelegde periode vallen maakt dat oordeel van de rechtbank niet anders. Deze acht de rechtbank, als steunbewijs, relevant om tot de hieronder te noemen bewezenverklaring te komen. Zwijgen Zoals gezegd realiseert de rechtbank zich dat zij niet het volledige beeld heeft gekregen van de omvang van deze zaak. Dit is deels te verklaren door de proceshouding van de verdachten. Er wordt door de verdachten op belangrijke punten gezwegen of er worden niet verifieerbare verklaringen afgelegd. Op die manier hebben de verdachten niet de mogelijkheid benut om het belastende scenario dat volgt uit de bewijsmiddelen te weerleggen. De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584). Telefoons Voor het bewijs is de informatie relevant die is aangetroffen op de onder verdachten [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoons, simkaarten en simkaarthouder. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat de onder hem in beslag genomen Huawei telefoon niet van hem is, maar van de persoon die hem gevraagd heeft zijn bankrekening ter beschikking te stellen, ene [naam 13] . Meer heeft verdachte niet willen verklaren over die [naam 13] . In chats op de telefoon wordt op 2 en 9 december 2016 ‘ [voornaam] ’ en ‘ [adres 2] ’ genoemd, respectievelijk de voornaam van verdachte en de straat waarin hij woont. Op 11 september 2016 is er tweemaal door het telefoonnummer van de moeder van verdachte ingebeld op de Huawei telefoon. Ook is op de telefoon een screenshot aangetroffen van een overboeking van € 500 omstreeks 8 september 2016 door [naam 14] vanaf een ING rekening eindigend op * [nummer] , die overeenkomt met een bijschrijving op de bankrekening van [medeverdachte 4] op dezelfde datum. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de in beslag genomen Huawei telefoon toebehoort aan [medeverdachte 4] . [medeverdachte 5] heeft niets over de IPhone die onder hem in beslag is genomen verklaard. De Alcatel is van hem, maar verder wil hij er niets over zeggen. Met deze telefoons zijn vijf telefoonnummers gebruikt die voorkomen in aangiften en meldingen van afdreiging/afpersing. Daarnaast zijn drie van deze telefoonnummers gekoppeld geweest aan advertenties en accounts op sekssites. Vanaf het IP-adres van de woning van [medeverdachte 5] is verschillende keren ingelogd op die advertenties. De rechtbank is van oordeel dat beide telefoons bij [medeverdachte 5] in gebruik waren. Dat de raadsman van [medeverdachte 5] opmerkt dat [medeverdachte 5] de IPhone tweedehands zou hebben aangeschaft, zonder dit nader te onderbouwen, maakt dat niet anders. [verdachte] heeft twee Samsung telefoons in zijn bezit, een zwarte en een witte. De zwarte heeft hij naar zijn zeggen begin 2016 even zelf gebruikt en daarna ongebruikt in zijn kamer laten liggen. Hij weet niet wat er daarna mee is gebeurd. De witte telefoon heeft hij een dag voor zijn aanhouding gekocht. Op deze telefoons is veel belastend materiaal aangetroffen uit de maand december 2016 dat verband houdt met deze zaak. Er zijn afbeeldingen van bankoverschrijvingen, (naakt)foto’s van mannen en vrouwen, seksadvertenties en 4780 seks gerelateerde berichten aangetroffen. Eén van de afbeeldingen betreft een screenshot van een overschrijving van € 200 op 1 december 2016 door Van der Horst vanaf een ING rekening eindigend op *0364, die overeenkomt met een bijschrijving op de ING rekening van verdachte [verdachte] op dezelfde datum. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat de telefoons in gebruik zijn bij [verdachte] . De twee Samsung telefoons die in de slaapkamer van [medeverdachte 1] in beslag zijn genomen, zijn volgens hem van zijn moeder en haar vriendin. Echter op de telefoons is informatie aangetroffen die erop wijst dat deze telefoons wel aan [medeverdachte 1] toebehoren. Los van de vindplaats zijn er op de ene telefoon screenshots van overschrijvingen naar de bankrekening van [medeverdachte 1] en van een emailaccount [e-mail adres] gevonden en zijn er ook foto’s van verdachte zelf aangetroffen. Op de simkaart in de andere telefoon is onder ‘ma’ het telefoonnummer van de moeder van [medeverdachte 1] opgeslagen. De rechtbank is van oordeel dat de telefoons in gebruik zijn bij [medeverdachte 1] . De rechtbank acht de verklaringen van verdachten over hun telefoons ongeloofwaardig. De verklaringen zijn weinig concreet, ontijdig, onaannemelijk en niet verifieerbaar. Alle verweren van de raadslieden met betrekking tot de telefoons, waaruit zou moeten volgen dat de telefoons niet van de betreffende verdachten zijn of dat zij niet weten wat er met hun telefoon is gebeurd, en dat het belastende materiaal niet aan de verdachten is toe te schrijven, worden daarmee verworpen. Modus Operandi Uit de bewijsmiddelen volgt dat de vier verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben samengewerkt bij het afdreigen van slachtoffers en de pogingen daartoe. Overigens kan de rechtbank niet uitsluiten dat er ook nog anderen hierbij betrokken zijn. Dit maakt niet anders dat ook de hiervoor genoemde verdachten hierbij betrokken zijn. De aangevers hebben naar het oordeel van de rechtbank allemaal te maken gehad met dezelfde dadergroep. De telefoon van [verdachte] bevatte 4780 seks gerelateerde berichten uit de periode van 1 tot 11 december 2016, hetgeen mogelijk een aanwijzing is voor de daadwerkelijke omvang van de criminele praktijken van de verdachten, hetgeen ook geldt voor honderden verdachte transacties op de bankrekeningen van de verdachten van in totaal ruim € 56.000, waarvan slechts een klein deel aan de uiteindelijke aangevers is te linken. Uit de acht zaaksdossiers en de aangifte van de heer [naam 10] is een overeenkomstige werkwijze af te leiden. Er wordt een seksadvertentie geplaatst en deze wordt zichtbaar gehouden door deze te pushen. Nadat een slachtoffer heeft gereageerd op een seksadvertentie wordt met deze persoon contact gelegd door iemand die zich voordoet als een vrouw/prostituee. Er volgt een uitwisseling van seksueel getinte berichten en er wordt soms om een naaktfoto van het slachtoffer gevraagd waar zowel het hoofd als het geslachtsdeel van de man op staat.. Intussen worden er – vermoedelijk aan de hand van het telefoonnummer van het slachtoffer via Facebook – namen van het slachtoffer en personen uit zijn omgeving achterhaald. Dan veranderen de berichten van toon en komt ‘de pooier’ aan het woord. Het slachtoffer moet geld betalen om bekendmaking van zijn ‘schaamtevolle’ gedrag aan de met naam genoemde personen uit zijn omgeving te voorkomen. De slachtoffers ‘moeten er van leren dit niet meer te doen’. Er wordt gevraagd welke bank de slachtoffers hebben, waarna een rekeningnummer van één van de verdachten bij dezelfde bank wordt doorgegeven waarnaar het geld moet worden overgemaakt. Daarbij wordt veelal als tenaamstelling genoemd [tenaamstelling] of [tenaamstelling] . Het geld moet snel worden overgemaakt en er moet een screenshot als bewijs van de betaling worden verzonden. Het bedrag dat op de rekening wordt gestort wordt daarna snel cash opgenomen. Als slachtoffers hebben betaald worden zij gedwongen steeds opnieuw te betalen. De bedreigingen houden uiteindelijk op als de slachtoffers niet betalen of daarmee stoppen. Indien het slachtoffer het eerste telefoonnummer van de afdreiger blokkeert, zoekt die met een ander telefoonnummer weer contact met het slachtoffer. Naast het feit dat steeds in de zaken een wisselende combinatie van eerder genoemde telefoonnummers, de bankrekeningnummers van verdachten en/of IP-adressen aan de orde is, vindt ook de afdreiging veelal in dezelfde bewoordingen plaats. Zo wordt er bijvoorbeeld in de berichten aan bijna alle aangevers geschreven ‘…verpest je alles’, ‘maak ik er/hier met haat werk van’, ‘geen kleine kind’, ‘blockeren’, ‘ik ben de pooier’, ‘ik kan vriendelijk zijn’, ‘wees verstandig’, ‘ik ga gekke dingen doen’, ‘wil je dit oplossen’, ‘ben man van mijn woorden, dat zweer ik’, ‘pfff’, ‘sorry’’. In de bijlage II zijn de aangiftes en de bijbehorende chats terug te vinden. (Mede)plegen De rechtbank is – mede gelet op het voorgaande – met de officier van justitie van oordeel dat de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 1] zich samen schuldig hebben gemaakt aan het afdreigen van de aangevers en de pogingen daartoe, zoals onder 1 (primair) en 2 ten laste gelegd en ook samen de bedragen hebben witgewassen, zoals hierna in dit vonnis nog aan de orde komt. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist is dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s). (Vgl. HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:893). De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de vier verdachten en dat zij alle vier een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de ten laste gelegde feiten. Zij zijn betrokken geweest bij verschillende onderdelen van de uitvoering van de werkwijze van de dadergroep: het plaatsen en beheren van seksadvertenties, het leggen van contact met potentiële slachtoffers, het vergaren van informatie over de slachtoffers en van mensen uit hun naaste omgeving, het afdreigen van de slachtoffers en het op de bankrekening ontvangen en vrijwel direct daarna contant opnemen van de betalingen door de slachtoffers. Vanaf de IP adressen die geregistreerd staan op de adressen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] zijn seksadvertenties aangemaakt en beheerd. Telefoonnummers die gekoppeld zijn geweest aan de advertenties hebben in de telefoons gezeten die bij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] zijn aangetroffen; van één van die telefoonnummers is de simkaarthouder bij [medeverdachte 1] aangetroffen. Een aantal van deze telefoonnummers wordt ook genoemd door aangevers als de telefoonnummers waarmee zij werden benaderd door de afdreiger. De telefoonnummers die daarvoor zijn gebruikt stralen ook zendmasten aan in de omgeving van de woningen van die verdachten. Op de telefoons van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [verdachte] stonden afbeeldingen van mannelijke geslachtsdelen en grote hoeveelheden seks gerelateerde berichten die passen binnen de hiervoor beschreven vaste werkwijze van de dadergroep. Drie van de vier hoofdverdachten, te weten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben hun bankrekeningnummer gebruikt om de stortingen door de aangevers op te laten plaatsvinden. [medeverdachte 2] heeft op enig moment bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte 4] zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld. Er was sprake van een geoliede machine, waarmee op een relatief makkelijke manier veel geld werd verkregen. Typerend voor de samenwerking is een WhatsAppconversatie die in de telefoon van [medeverdachte 4] is aangetroffen: ‘breng die tellie mee’, waarop wordt geantwoord: ‘Stallem ff.t die tellie ben nog steeds bezig met die man hij is nu werken hij heb vandaag salaris gekregen 1500 En hij heb ing’. Hieruit leidt de rechtbank af dat er tussen de verdachten overleg is op de te plegen feiten en dat er kennelijk gezamenlijk gebruik wordt gemaakt van een telefoon. Dat er tussen de verdachten onderling nauw is samengewerkt leidt de rechtbank ook af uit de vele dwarsverbanden die uit de bewijsmiddelen naar voren komen. [medeverdachte 4] ontvangt geld op zijn ING rekening van de aangevers [naam 7] en [naam 6] , die blijkens hun aangiften zijn afgedreigd met gebruik van telefoonnummers die in de telefoons van [medeverdachte 5] zijn gebruikt. Ook [verdachte] en [medeverdachte 1] ontvangen geld op hun bankrekeningen van aangevers die zijn afgedreigd met gebruik van telefoonnummers die in de telefoons van [medeverdachte 5] zijn gebruikt. Daarnaast ontvangen zowel [verdachte] en [medeverdachte 4] als [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] gelden op hun bankrekeningen van andere personen die bij de politie melding hebben gedaan van afdreiging/afpersing. Daarbij valt op dat de aangevers eerst wordt gevraagd bij welke bank zij een rekening hebben, en pas dáárna een rekeningnummer van één van de medeverdachten bij diezelfde bank wordt opgegeven waarnaar de aangevers het geld moeten overmaken. Op deze wijze hebben de verdachten verzekerd dat de betalingen snel werden geëffectueerd. Nadat de aangevers een screenshot van de betaling hebben gestuurd, worden de bedragen vrijwel geheel en binnen enkele minuten tot enkele uren contant van de betreffende bankrekening opgenomen. Gelet hierop kan het niet anders dan dat de verdachten nauw contact met elkaar onderhielden en bewust hebben samengewerkt. Als de rechtbank dit anders moet zien, dan hadden verdachten - zoals hiervoor gezegd - moeten uitleggen hoe dit belastende materiaal anders dient te worden geïnterpreteerd. Dit hebben zij nagelaten, ondanks daartoe uitdrukkelijk te zijn uitgenodigd. De medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] hebben ook hun rekening beschikbaar gesteld aan deze vier hoofdverdachten en betalingen van de aangevers ontvangen. Er is echter onvoldoende bewijs voorhanden om te concluderen dat zij op een bepaalde wijze betrokken zijn geweest bij de afdreigingen en de pogingen daartoe. Wel worden zij veroordeeld voor het (gewoonte)witwassen van de bedragen die op hun eigen rekeningen hebben gestaan. Vrijspraak afpersing De rechtbank zal de verdachten vrijspreken van de onderdelen van de tenlastelegging die betrekking hebben op afpersing (bedreiging met geweld). Weliswaar hebben meerdere aangevers verklaard dat zij zich bedreigd voelden door de berichten en dat zij bang waren dat hen of hun familie iets zou worden aangedaan. Ook heeft een aangever verklaard dat de verdachten hem en zijn familie ook daadwerkelijk gedreigd hebben ‘wat aan te doen’. Echter, voor zover daarmee al sprake zou zijn van de in artikel 317 Wetboek van Strafrecht (Sr) bedoelde dreiging met geweld, ontbreekt er in het dossier enig objectief bewijsmiddel waaruit volgt dat verdachte en zijn medeverdachten dergelijke concrete bedreigingen hebben geuit. De berichten die zich wel in het dossier bevinden zijn naar het oordeel van de rechtbank passend bij de afdreiging met smaad(schrift) en zijn onvoldoende om aan te merken als bedreiging met geweld, zodat niet van afpersing kan worden gesproken. Gewoontewitwassen De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194). De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting af dat de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [verdachte] gevieren betrokken waren bij criminele praktijken waardoor slachtoffers geld overmaakten naar bankrekeningen van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [verdachte] en naar die van de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] . Uit de overzichten, die deel uitmaken van bijlage II, blijkt dat er honderden transacties hebben plaatsgevonden naar die rekeningen. Het zijn steeds ronde bedragen variërend tussen € 50,- en € 750,-, soms meerdere keren per dag van dezelfde personen, met soms seks gerelateerde omschrijvingen of omschrijvingen als ‘gift’ en ‘lenen’. De bedragen worden veelal direct weer contant opgenomen bij een pinautomaat of supermarkt of besteed. Hiermee is een mistgordijn opgetrokken en is het geld uit het zicht verdwenen. Bij de overboekingen die horen bij een aangifte of melding in het dossier is het bewijs van de criminele herkomst gegeven met die aangiften en meldingen. Ten aanzien van de overige overschrijvingen geldt dat het hiervoor omschreven patroon van de betalingen het vermoeden rechtvaardigt is dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van die geldbedragen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die de verdachten daarover hebben gegeven, niet kunnen worden aangemerkt als een verklaring, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. [verdachte] heeft enkel verklaard dat hij zijn bankpasje en pincode had gegeven aan een persoon, wiens naam hij niet weet of niet wil vertellen, en dat hij verder niet weet wat er met zijn rekening is gebeurd. Het aldus door de verdachten geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het gezamenlijk plegen van de omvangrijke afdreigingen, komt de rechtbank ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [verdachte] tot een bewezenverklaring van het medeplegen van gewoontewitwassen van de bedragen uit de verdachte transacties op de bankrekeningen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] . Hoewel er op de ING rekening van [medeverdachte 5] geen verdachte transacties hebben plaatsgevonden, was [medeverdachte 5] , gelet op de vanuit zijn telefoons verstuurde berichten waarin de aangevers werden gedwongen om te betalen, wel op de hoogte van het feit dat het afgedwongen geld op de bankrekeningen van de andere verdachten binnenkwam, dat er verhullende omschrijvingen werden gedicteerd en valse tenaamstellingen werden gebruikt. Deze werkwijze is consequent toegepast en ook [medeverdachte 5] moet hebben geweten dat de gelden vervolgens grotendeels contant werden opgenomen en onder de verdachten werd verdeeld. Dit maakte namelijk een vast onderdeel uit van de criminele activiteiten die geldelijk gewin tot doel hebben. De rechtbank sluit wat betreft pleegperioden en witgewassen bedragen aan bij de officier van justitie, zoals deze door haar op basis van de bewijsmiddelen zijn bijgesteld, overeenkomstig haar requisitoir. Bij [medeverdachte 4] dient te worden opgemerkt dat in de periode tot 22 juli 2016 er onvoldoende bewijs voor medeplegen voorhanden is. [medeverdachte 4] 24 mei 2016 tot en met 15 dec 2016 € 56.151,- [medeverdachte 5] 22 juli 2016 tot en met 15 dec 2016 € 55.405,- [medeverdachte 1] 22 juli 2016 tot en met 15 dec 2016 € 55.405,- [verdachte] 27 aug 2016 tot en met 15 dec 2016 € 49.848,- 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde: in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016 te Delft, Den Haag, Leeuwarden, Utrecht, Odiliapeel, Sittard en/of Nieuweroord, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim - aangever 2 ( [naam 4] ), - aangever 5 ( [naam 6] ), - aangever 6 ( [naam 7] ), - aangever 7 ( [naam 8] ) en - aangever 8 ( [naam 9] ) heeft gedwongen tot de afgifte van - ( aangever 2) 1.000 euro en codes voor beltegoed ter waarde van 280 euro, - ( aangever 5) 1.700 euro, - ( aangever 6) 1.000 euro, - ( aangever 7) 750 euro en - ( aangever 8) 600 euro, toebehorende aan aangever 2, 5, 6, 7, en/of 8, immers hebben verdachte en zijn mededaders aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 (meermalen) gedreigd: - hun familie, vrienden, werkgever(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.