tussenvonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/641880 / KG ZA 18-55 FB/JvS Vonnis in kort geding van 13 februari 2018 in de zaak van de stichting WONINGSTICHTING EIGEN HAARD, gevestigd te Amsterdam, eiseres bij dagvaarding van 18 januari 2018, advocaat mr. M. G. Blokziel te Almere, tegen 1 [partijnaam] , wonende te [woonplaats] , advocaat mr. T. Esen te Zaandam,
(2014)nr. 685). De ruimte voor het maken van uitzonderingen is hier wat groter dan het geval was naar de voorstelling van de ontwerpers in 1961, maar principieel wordt die voorstelling nog steeds gevolgd. Ook in dit handboek worden immers het keuzerecht en de belangen van de teleurgestelde schuldeiser tot uitgangspunt genomen. Verder valt in het citaat op dat de inhoud van ‘het wettelijk stelsel’ blijkbaar zonder meer wordt afgeleid uit de formulering van de wet. Over het algemeen is de inhoud/uitleg van de wet echter niet zonder meer gelijk te stellen aan, of gegeven met, de formulering daarvan, zeker bij een oudere wettekst die in het wetgevingsproces niet is geproblematiseerd. Eigen tentatieve opvatting van de vragen stellende rechter 4.14. Ervan uitgaande dat de Hoge Raad ermee is gediend dat de vragen stellende rechter zijn (tentatieve) opvatting geeft over de meest wenselijke beantwoording van de door hem gestelde vragen, wordt deze thans kort uitgewerkt. 4.15. In de rechtsontwikkeling, zowel van het contractenrecht in het algemeen als van het onderhavige leerstuk meer in het bijzonder (zie voor dit laatste de hiervoor in 4.11. vermelde arresten van 3 april 2009 en 29 april 2011), past het om de in de toelichting op artikel 6:265 lid 1 BW terecht genoemde afweging meer centraal te stellen. Een open afweging gaat minder goed samen met een a priori bestaande voorkeur ten gunste van de belangen van één van partijen. De angel zit uitsluitend in de ‘tenzij-constructie’, die te algemeen is. Het is geen grote stap om, mede gelet op de daarop gegeven toelichting (althans een belangrijk deel daarvan), de ontwikkeling die het contractenrecht sinds 1961 in het algemeen heeft doorgemaakt, en de resultaten van rechtsvergelijking, aan te nemen dat de rechter steeds dient te beoordelen of de concrete tekortkoming voldoende zwaarwegend is om de onderhavige (vorm van) ontbinding te rechtvaardigen. Daarbij dient de rechter in zijn motivering mee te wegen de aard en inhoud van de desbetreffende overeenkomst, de ernst van de tekortkoming, de hoedanigheid van contractpartijen en de belangen die voor beide partijen op het spel staan, in samenhang met de overige omstandigheden van het geval. 4.16. De zojuist genoemde gezichtspunten kunnen als volgt worden uitgewerkt. Bij de beoordeling van het gewicht van de tekortkoming die aan de ontbinding ten grondslag wordt gelegd, kan de rechter betekenis hechten aan de vraag of deze tekortkoming de kern van de overeengekomen prestatie betreft of een verplichting van bijkomende aard. Ook kan hij in dit verband rekening houden met eventuele bijzondere contractuele bedingen (zoals in de onderhavige zaak artikel 10 leden 11 en 12 van de algemene voorwaarden). Meewegen van de aard van de overeenkomst stelt de rechter bijvoorbeeld in staat om gewicht te kennen aan de zekerheid die in het handelsverkeer wordt vereist. Het gezichtspunt van de ernst van de tekortkoming behoeft geen toelichting. Het meewegen van de hoedanigheid van contractpartijen stelt de rechter onder meer in staat mee te wegen of de overeenkomst is gesloten tussen twee professionele partijen, dan wel tussen een professionele partij en een consument. Het gewicht dat aan die uiteenlopende verhoudingen is toe te kennen, heeft in andere leerstukken al reliëf gekregen. Wat betreft ‘de overige omstandigheden van het geval’ kan worden gedacht aan de eventueel vereiste spoed, in die zin dat indien de schuldeisers in een klempositie is komen te verkeren, bijvoorbeeld doordat hem een haperende machine is geleverd waarmee hij een aangenomen werk wenst te voltooien, de toetsing van de gerechtvaardigdheid van de ontbinding meer terughoudend dient plaats te vinden dan het geval zou zijn als schuldeiser alle tijd had om de zwaarwegendheid van de tekortkoming te beoordelen, en naar eventuele alternatieven te zoeken. In deze context, dus als spoed is geboden, kan wél worden gezegd ‘dat verklaringen tot ontbinding niet te spoedig nietig worden verklaard’. (Zie overigens voor het belang van de factor tijd in de context van de eis van een ingebrekestelling het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2004, NJ 2006/597 (Endlich/Bouwmachines.)) De toelichting zat dus in zoverre op het goede spoor, maar heeft dit relevante gezichtspunt te algemeen geformuleerd. Voorts kan een relevante omstandigheid zijn of de belangen die de schuldeiser met de(
- ze)ontbinding nastreeft, ook met toepassing van een minder zwaar wapen dan deze ontbinding kunnen worden behartigd. De schuldeiser die redelijkerwijs kan volstaan met het vragen van herstel van het gebrek dat aan de prestatie kleeft, of aflevering van een vervangend exemplaar, behoort niet in het algemeen erop te kunnen rekenen dat prioriteit aan zijn keuzerecht wordt gegeven als hij een ontbindingsverklaring uitbrengt. Ontbinding van huurovereenkomsten in het algemeen 4.18. Het recente handboek Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017 nrs. 173 - 176 volstaat met een verwijzing naar het hiervoor in 4.13. genoemde handboek. Ontbinding van huur en verhuur van sociale woonruimte 4.19. In het onderhavige geval is sprake van een sociale huurwoning. Van algemene bekendheid is dat in elk geval een gedeelte van de sociale huurwoningen (in Amsterdam zou het gaan om ongeveer 20%) oneigenlijk wordt bewoond. De beschikbaarheid van betaalbare huurwoningen voor mensen met een kleine portemonnee wordt daardoor bemoeilijkt. Daarom voeren woningbouwverenigingen, zoals in dit geval Eigen Haard, een streng beleid. Het gerechtshof Amsterdam overwoog hierover in zijn hiervoor in 4.8 aangehaalde arrest: “3.9 Iedere verhuurder heeft in beginsel het recht zelf te bepalen wie hij als bewoner in de door hem verhuurde woningen wil toelaten. Voor een toegelaten instelling in de zin van de Woningwet als Eigen Haard komt daarbij, dat zij in het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling streng dient toe te zien op het rechtmatige gebruik van haar sociale huurwoningen en bij constatering van onrechtmatig gebruik daartegen - zichtbaar - dient op te treden. Een al te genuanceerde benadering van personen die de regels overtreden, maar zich beroepen op hun onwetendheid en goede bedoelingen past slecht in een dergelijk beleid. Anderzijds heeft het hof geen reden om aan te nemen dat Eigen Haard toestemming zou hebben geweigerd als [geïntimeerde] om toepassing van de huisbewaringsregeling zou hebben verzocht.” In de hiervoor in 4.15. en 4.16. vermelde benadering behoort te worden meegewogen dat het in het concrete geval om een huurovereenkomst met betrekking tot sociale woonruimte gaat. Mede van gewicht is hetgeen dienaangaande is bepaald in de bij die overeenkomst behorende algemene voorwaarden onder 10.11. en 10.12. 4.20. Nog steeds in de hiervoor in 4.15. en 4.16. vermelde benadering dient ook te worden meegewogen het motief dat de huurder had bij overtreding van het onderhavige verbod, de vraag of aannemelijk is dat hij zich van zijn tekortkoming bewust was en de vraag of hij uit winstbejag handelde, dan wel uit altruïsme. Andere omstandigheden van het geval kunnen in dit verband eveneens ter zake dienend zijn. In het hiervoor in 4.7 genoemde vonnis is in dit verband het geval genoemd dat het gehuurde tijdelijk niet wordt bewoond wegens opname in een ziekenhuis of revalidatie-instelling, terwijl nog niet duidelijk is of de bewoner in het gehuurde kan terugkeren. 4.21. Tegen deze achtergrond kan mede de vraag worden gesteld of de overeenkomst van huur en verhuur van sociale woonruimte in dit verband in het algemeen noopt tot een strenge of juist tot een meer soepele (toepassing van
- de)regel. Een strenge toepassing kan worden gemotiveerd met de overweging dat van algemene bekendheid is dat het aantal beschikbare sociale huurwoningen relatief klein is en de vraag daarnaar groot, zodat in geval van misbruik (woonfraude) moet kunnen worden ingegrepen, omdat de beschikbaarheid van betaalbare huurwoningen voor mensen met een kleine portemonnee zoveel mogelijk gewaarborgd moet blijven. Een soepele toepassing van de in het algemeen geldende regel kan worden verdedigd met het argument dat, aangenomen dat de huurder op zich zelf tot de doelgroep behoort, de consequenties van ontbinding van de huurovereenkomst voor hem in de regel veel ingrijpender zullen zijn dan voor mensen met een meer modaal inkomen. Hij zal immers na ontruiming van de woning opnieuw achteraan in de wachtrij moeten aansluiten, en dus meestal pas vele jaren later opnieuw ‘aan de beurt zijn’. 4.22. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het hier gaat om gezichtspunten die de feitenrechter kan verdisconteren in zijn beoordeling van het gewicht van de tekortkoming, en de verwijtbaarheid daarvan. Prejudiciële vragen 4.23. Tegen deze achtergrond bestaat het voornemen om aan de Hoge Raad de hierna te vermelden prejudiciële vragen te stellen. Op de voet van artikel 392 Rv worden echter eerst partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen deze vragen te stellen, alsmede over de inhoud daarvan. De thans beoogde vragen zijn: Dient artikel 6:265 lid 1 BW letterlijk te worden uitgelegd in die zin dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij het maken van een uitzondering hierop gerechtvaardigd is aan de hand van de in de wet genoemde gezichtspunten? Zo niet, hoe dient deze bepaling dan te worden uitgelegd? Is er aanleiding bijzondere eisen te stellen ten aanzien van ontbinding van een overeenkomst van huur en verhuur van sociale woonruimte, ervan uitgaan dat zulke woonruimte schaars is? 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. stelt partijen in de gelegenheid om zich uiterlijk op 20 februari 2018 schriftelijk uit te laten over het voornemen de hiervoor in 4.23. vermelde prejudiciële vragen te stellen, alsmede over de inhoud daarvan, 5.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. F.B. Bakels, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J. van Sintemaartensdijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018. type: JvS coll: MV