vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/621858 / HA ZA 17-46 Vonnis van 14 februari 2018 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. P.J. Wytzes te Amstelveen, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. G. Beydals te Amsterdam Zuidoost. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 23 december 2016, met producties, de conclusie van antwoord, - het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 5 april 2017 waarin een comparitie van partijen is bepaald, - het proces-verbaal van comparitie van 23 augustus 2017 en de daarin genoemde stukken, - het rolbericht van de zijde van [gedaagde] van 17 oktober 2017 met bijlagen; de akte met producties van 26 oktober 2017 van de zijde van [gedaagde] , de akte van 24 november 2017 van de zijde van [eiseres] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiseres] en [gedaagde] zijn ex-echtgenoten. Zij zijn op 26 mei 1972 in gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk van partijen is op 30 juni 1989 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 10 mei 1989 in de registers van de burgerlijke stand. In deze beschikking is onder meer opgenomen dat partijen worden bevolen met elkaar over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen en dat voor het geval van geschil daarover een notaris wordt benoemd, teneinde de scheiding en deling te bewerkstelligen. 2.2. [gedaagde] is op 6 juli 2014 65 jaar geworden. 2.3. In een brief van [eiseres] aan [gedaagde] van 24 augustus 2015 staat, voor zover van belang: “Hierbij wil ik je het volgende voorleggen: zoals bekend kan ik aanspraak maken op een gedeelte van jouw pensioen over de jaren waarin wij getrouwd zijn geweest, te weten van 26 mei 1972 tot 30 juni 1989. Daar de echtscheidingsdatum vóór 1995 was, gaat dit niet automatisch. Jij dient hiertoe een machtiging af te geven of een brief te schrijven aan het ABP waarin je vraagt om de contante waarde te bepalen. Aan de hand daarvan kunnen zij de hoogte berekenen van het deel waarop ik aanspraak maak.” 2.4. Bij de stukken bevindt zich een uitdraai van een pensioenberekening van het ABP. Hierin is onder meer opgenomen dat [gedaagde] in de periode van 1 januari 1966 tot 30 juni 1989 een pensioen heeft opgebouwd van € 28.862,08 en dat de contante waarde van het bijzonder nabestaandepensioen € 6.314,43 bedraagt. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert, na wijziging eis en samengevat, [gedaagde] bij uitvoerbaar te verklaren vonnis te veroordelen tot (maandelijkse) betaling van het haar toekomende deel van het door [gedaagde] tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde pensioen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten, waaronder de buitengerechtelijke incassokosten en de nakosten. 3.2. [eiseres] voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. De pensioenrechten van [gedaagde] zijn nooit onderdeel geweest van de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen. [eiseres] vordert op grond van artikel 3:179 lid 2 BW nadere verdeling van de pensioenrechten. [gedaagde] is gehouden om overeenkomstig de berekening van het ABP het aan [eiseres] toekomende deel van het door hem opgebouwde pensioen aan haar te betalen. 3.3. [gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] is de vordering verjaard. Verder moet ervan worden uitgegaan dat de boedel, waaronder de pensioenrechten, in 1989 stilzwijgend tussen partijen is verdeeld. [eiseres] heeft bovendien niet binnen bekwame tijd geprotesteerd in de zin van artikel 6:89 BW, zodat zij geen beroep kan doen op een gebrek in de prestatie van [gedaagde] . Ook is er sprake van rechtsverwerking aangezien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan [gedaagde] erop heeft vertrouwd dat [eiseres] haar aanspraak niet meer geldend zal maken en zijn positie wordt onredelijk benadeeld nu [eiseres] haar aanspraak alsnog geldend maakt. [gedaagde] doet ten slotte een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Indien de verweren van [gedaagde] niet opgaan, stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat [eiseres] de verkeerde procedure aanhangig gemaakt. [eiseres] had zich tot de notaris moeten wenden die in de echtscheidingsbeschikking is benoemd. Voor zover wordt geoordeeld dat [eiseres] wel aanspraak maakt op een deel van het door [gedaagde] opgebouwde pensioen, dient rekening te worden gehouden met de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het huwelijk van partijen is ontbonden in de periode na het wijzen van het arrest Boon/Van Loon (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503) en voorafgaand aan de invoering van de Wet verevening pensioenrechten na scheiding op 1 mei 1995. Dit betekent dat op de pensioenrechten van partijen de regels van het arrest Boon/Van Loon van toepassing zijn. Dit houdt in dat pensioenrechten die voorafgaand en in de huwelijkse periode door de echtgenoten zijn opgebouwd, in beginsel bij de verdeling van de gemeenschap dienen te worden betrokken door middel van waardeverrekening. Anders dan [gedaagde] lijkt te betogen houdt deze waardeverrekening niet in dat de waarde van het eventueel aan [eiseres] toekomende deel van het door [gedaagde] opgebouwde pensioen moet worden verrekend met de waarde van de overige bestanddelen van de boedel. De waardeverrekening vloeit voort uit het gegeven dat pensioenrechten zich er naar hun aard niet toe lenen toebedeeld te worden aan een ander dan degene die rechthebbende op het pensioen is. Gelet daarop kan bij de verdeling met de pensioenrechten niet anders rekening worden gehouden dan in de vorm van een verrekening van de waarde van het opgebouwde pensioen ten gunste van de andere echtgenoot. Verjaring 4.2. Partijen zijn het erover eens dat de inboedel, de vouwwagen en het huurrecht van de voormalige echtelijke woning al zijn verdeeld. Gesteld noch gebleken is dat partijen in het kader van de scheiding hebben gesproken over de door [gedaagde] voor en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. Uit niets blijkt dat de pensioenrechten onderdeel waren van de verdeling. Vastgesteld wordt dan ook dat de opgebouwde pensioenrechten moeten worden aangemerkt als een overgeslagen goed als bedoeld in artikel 3:179 lid 2 BW. Dit betekent dat een nadere verdeling van de pensioenrechten kan worden gevorderd. Op grond van artikel 3:178 BW is deze vordering niet aan verjaring onderhevig. Het beroep van [gedaagde] op verjaring faalt dan ook. Klachtplicht 4.3. Artikel 6:89 BW bepaalt dat de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. Artikel 6:89 BW maakt deel uit van boek 6 titel 1, afd. 9 en is dan ook van toepassing op alle verbintenissen. Artikel 6:89 BW ziet slechts op gevallen van ondeugdelijke nakoming en niet ook op gevallen waarin in het geheel geen prestatie is verricht. [gedaagde] heeft vanaf 6 juli 2014, zijn pensioengerechtigde leeftijd, maandelijks pensioenuitkeringen ontvangen. [gedaagde] heeft tot op heden nagelaten het volgens [eiseres] aan haar toekomende deel van het door hem opgebouwde pensioen aan haar te betalen. Dit betekent dat er vooralsnog geen relevante prestatie is verricht en dat aldus geen sprake kan zijn van een gebrekkige prestatie. Het beroep van [gedaagde] op artikel 6:89 BW gaat niet op. Rechtsverwerking 4.4. Vooropgesteld wordt dat voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking met betrekking tot de pensioenaanspraken enkel tijdsverloop of stilzitten niet voldoende is. Voor een geslaagd beroep zijn bijzondere omstandigheden vereist, als gevolg waarvan hetzij bij [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiseres] haar aanspraak niet meer geldend zal maken, hetzij dat [gedaagde] in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval dat [eiseres] haar aanspraak alsnog geldend zou maken. 4.5. Hiervoor is onder 4.2 vastgesteld dat sprake is van een overgeslagen goed als bedoeld in artikel 3:179 lid 2 BW. [gedaagde] heeft niet toegelicht aan welke verklaring of gedraging van [eiseres] hij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft ontleend dat zij geen aanspraak meer zou maken op verrekening van het pensioen. Dat al een verdeling van de inboedel heeft plaatsgevonden en dat de vaststelling van de inboedel die onder [eiseres] is gebleven mogelijk moeilijk te achterhalen is, vormen in ieder geval geen bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiseres] haar aanspraak niet meer geldend zou maken. Andere feiten die die conclusie wel kunnen rechtvaardigen zijn niet gesteld of gebleken. 4.6. Voor zover [gedaagde] stelt dat hij in zijn positie onredelijk zal worden benadeeld ingeval [eiseres] haar aanspraak alsnog geldend maakt, heeft hij dat eveneens onvoldoende toegelicht. [gedaagde] heeft op 6 juli 2014 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en hij ontving vanaf dat moment maandelijks pensioenuitkeringen. Niet in geschil is dat [eiseres] voor het eerst bij brief van 24 augustus 2015 aan [gedaagde] aanspraak heeft gemaakt op een deel van het door [gedaagde] opgebouwde pensioen. [gedaagde] had dan ook in ieder geval vanaf 24 augustus 2015 gelden kunnen reserveren. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat het voor haar niet mogelijk was om eerder dan 24 augustus 2015 het juiste adres van [gedaagde] te achterhalen. De rechtbank gaat hiervan dan ook uit en zal het tijdsverloop niet aan [eiseres] tegenwerpen. Verder heeft [gedaagde] onvoldoende toegelicht dat zij niet over voldoende middelen beschikt om [eiseres] te betalen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om bijvoorbeeld een overzicht in te dienen van inkomsten en uitgaven op grond waarvan vastgesteld had kunnen worden dat [gedaagde] niet over de financiële ruimte beschikt om het aan [eiseres] toekomende deel van zijn pensioen aan haar te betalen. De enkele mededeling dat aan [gedaagde] een toevoeging is verstrekt, volstaat niet. Het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking op de grond van onredelijke benadeling van [gedaagde] treft dan ook geen doel. Redelijkheid en billijkheid 4.7. In het arrest Boon/Van Loon heeft de Hoge Raad overwogen dat redelijkheid en billijkheid kunnen eisen dat de verrekeningsvordering wordt gematigd of dat in het geheel geen vordering wordt toegekend, zoals wanneer de pensioengerechtigde reeds op andere wijze in de verzorging van de andere echtgenoot heeft voorzien of redelijkerwijs niet tot enige uitkering in staat is. Ook kunnen er omstandigheden bestaan, bijvoorbeeld indien het geen eerste huwelijk betreft, die aanleiding geven het pensioen voor zover het voor het huwelijk reeds was gebouwd gedeeltelijk buiten de verdeling te houden. 4.8. Volgens [gedaagde] brengen de redelijkheid en billijkheid mee dat [eiseres] geen aanspraak heeft op het door hem opgebouwde pensioen. Hij heeft daartoe gesteld dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.