← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2018:9057

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751678-18 RK nummer: 18/6184 Datum uitspraak: 16 november 2018 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 september 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 augustus 2018 door de Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia (Letland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (voormalig Sovjet-Unie; thans Letland) op [geboortedag] 1976, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in [plaats detentie] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 november

  1. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort en door een tolk in de Russische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB 3.
  2. Voor zover het EAB ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon in Letland In het EAB wordt melding gemaakt van een decision made on 5 July 2017 by the Riga City Latgale Suburb Court on application of arrest to the accused [opgeëiste persoon] . De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Letland strafbaar feit. Voor dit feit is geen lijstfeit aangekruist. 3.1.
  3. Oordeel van de rechtbank Blijkens onderdeel c) van het EAB onder 1 wordt de overlevering verzocht ter zake van een feit waarop naar Lets recht een vrijheidsstraf met een maximum van drie maanden staat. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat aldus niet is voldaan aan de eis van artikel 7, lid 1, sub a, onder 2 OLW, kaderbesluitconform uitgelegd (ECLI:NL:RBAMS:2015:7460) nu het feit in de uitvaardigende lidstaat niet strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden. Derhalve moet de overlevering ten aanzien van dit feit worden geweigerd. 3.
  4. Voor zover het EAB ziet op de executie van een vrijheidsstraf In het EAB wordt melding gemaakt van een
  5. judgment passed on 31 January 2005 by Jelgava Court, with which [opgeëiste persoon] was found guilty for committing the criminal offences provided for in the Criminal Law, Sections 176

(1), 175
(3), 185
(1), and convicted with deprivation of liberty for a term of 2 (two) years; 2. judgment passed on 12 May 2005 by Zemgale Regional Court, Court Panel for Criminal Matters, with which [opgeëiste persoon] was found guilty for committing the criminal offence provided for in the Criminal Law, Sections 177
(2)and 177
(3), and convicted with deprivation of liberty for a term of 12 (twelve) years, partially adding to the said punishment determined by the judgment passed on 31 January 2005 by Jelgava Court, and thus determining the final punishment in the form of deprivation of liberty for a term of 12 (twelve) years and 6 (six) months; 3. judgment passed on 23 October 2006 by the Supreme Court of the Republic of Latvia, Court Chamber for Criminal Matters, with which the judgment passed on 12 May 2005 by Zemgale Regional Court, Court Panel for Criminal Matters was cancelled in the part related to the conviction of [opgeëiste persoon] pursuant to the Criminal Law, Sections 177
(2)and 177
(3), and to the final punishment determined to him, by finding [opgeëiste persoon] guilty for committing the criminal offence provided for in the Criminal Law, Section 176
(4)and convicting him with deprivation of liberty for a term of 11 (eleven) years and 6 (six) months, partially adding to the said punishment determined by the judgment passed on 31 January 2005 by Jelgava Court, and thus determining the final punishment in the form of deprivation of liberty for a term of 12 (twelve) years; 4. judgment passed on 19 October 2016 by the Riga City Latgale Suburb Court, with which [opgeëiste persoon] was found guilty for committing the criminal offence provided for in the Criminal Law, Section 2532
(1), and convicted with deprivation of liberty for a term of 2 (two) months, partially adding to the said punishment not served pursuant to the judgment of 23 October 2006 of the Supreme Court, and thus determining the final punishment in the form of deprivation of liberty for a term of 2 (two) years and 11 (eleven) months. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 11 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het onder 4 genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
  1. e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 3.2.1. Standpunt van de raadsman De raadsman is van mening dat onvoldoende duidelijk is wat de grondslag van het EAB is, nu in onderdeel
  2. b)van het EAB slechts vier vonnissen worden genoemd, terwijl in onderdeel
  3. e)van het EAB een groot aantal feitencomplexen is omschreven. De behandeling van de zaak moet worden aangehouden, teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen op welke feiten het EAB betrekking heeft. 3.2.2. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het verweer niet kan slagen. In onderdeel
  4. b)onder 2 van het EAB worden de vier vonnissen genoemd die ten grondslag liggen aan het EAB. Uit de omschrijvingen volgt dat de uitspraken elkaar opvolgen en als het ware in elkaar grijpen. Steeds wordt een eerdere veroordeling samen met een nieuwe veroordeling gevoegd en één straf gezamenlijk opgelegd. Het onder 4 genoemde vonnis omvat dus de feiten 2 tot en met 8. Daardoor is voldoende duidelijk op welke feiten het EAB betrekking heeft. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 4.1. Inhoud van de stukken Onderdeel
  5. d)van het EAB houdt onder meer het volgende in: Indicate if the person appeared in person at the trial resulting in the decision: 1. [X] Yes, the person appeared in person at the trial resulting in the decision. (…) De Prosecutor of the International Co-operation Division of the General Prosecutor’s Office of the Republic of Latvia heeft bij brief van 8 oktober 2018 onder meer het volgende vermeld: (…) regarding the extradition case of [opgeëiste persoon] herewith provides the following clarifications: [opgeëiste persoon] was in person presented in all four court hearings specified in Paragraph (
  6. b)of the European Arrest Warrant issued on 13 August 2018, and it is pointed out in Sub-section (10, paragraph (
  7. d)of the European Arrest Warrant filed to you. The mentioned judgments were not rendered in absentia, thereby neither Sub-section
(2), nor Sub-section
(4)of Paragraph (d) of the European Arrest warrant were filled in, because the information to be provided in these sections relates only and solely to the judgments rendered in absentia, and it is not applicable to the concerned case. 4.
  1. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft primair verzocht de overlevering te weigeren en subsidiair verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, omdat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De opgeëiste persoon heeft tijdens zijn voorgeleiding al verklaard dat hij niet op de hoogte is van deze vonnissen en dat hij in geen van de zaken ter terechtzitting aanwezig is geweest. Weliswaar heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op verzoek van de officier van justitie aanvullende informatie verschaft, maar deze is minimaal. Bovendien is onduidelijk wat wordt bedoeld met “in person presented”, nu dit ook kan impliceren dat een raadsman ter zitting aanwezig is geweest. 4.
  2. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de overlevering met betrekking tot de vier vonnissen niet dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Blijkens het EAB en de aanvullende informatie was de opgeëiste persoon in alle zaken ter terechtzitting aanwezig. De rechtbank ziet, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, geen reden om niet uit te gaan van de juistheid van deze mededeling. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden. Gelet op de context is het woord “presented” in de brief van 8 oktober 2018 een kennelijke verschrijving. De rechtbank begrijpt dat bedoeld is dat de opgeëiste persoon “in person present” is geweest. 5Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten waar de vonnissen op zien, leveren naar Nederlands recht op: 2: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken; 3 en 4: diefstal, meermalen gepleegd; 5 en 6: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd; 7: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft; 8: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW 6.
  3. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich beroepen op de weigeringsgrond van artikel 9, lid 1, sub e onder 1 OLW. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de opgeëiste persoon heeft aangegeven dat hij zijn volledige straf reeds heeft uitgezeten. De raadsman heeft getracht dit na te trekken bij de reclassering en de gevangenis waar de opgeëiste persoon gedetineerd is geweest, maar tot op heden heeft hij geen reactie ontvangen. Daarom heeft de raadsman primair verzocht de overlevering te weigeren en subsidiair verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, om nadere informatie over het strafrestant te vergaren. 6.
  4. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het verweer niet kan slagen. Blijkens het EAB rest de opgeëiste persoon nog een straf voor de duur van 2 jaar en 11 maanden. De enkele mededeling van de opgeëiste persoon dat hij zijn volledige straf al heeft uitgezeten, maakt dit niet anders. De rechtbank ziet, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, geen reden om niet uit te gaan van de juistheid van deze mededeling. Evenmin ziet de rechtbank vanwege het gebrek aan enige onderbouwing van de mededeling van de opgeëiste persoon aanleiding de zaak om deze reden aan te houden. 7Slotsom Ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd ten behoeve van het in Letland hem gerichte strafrechtelijk onderzoek moet de overlevering worden geweigerd. Nu ten aanzien van de vier vonnissen waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. 8Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9Beslissing Ten aanzien van de vervolging WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia ten behoeve van het in Letland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Ten aanzien van de executie STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. E.M.M. Gabel, voorzitter, mrs. R.A.J. Hübel en C.A. van Dijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 november
  5. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.