RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751573-18 RK-nummer: 18/6474 Datum uitspraak: 4 december 2018 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 september 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 april 2018 door de Staatsanwaltschaft Osnabrück (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957, wonende op het adres: [adres] , hierna te noemen “de opgeëiste persoon”. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 november 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Tamas, advocaat te Den Haag. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een Aanhoudingsbevel ter voorlopige hechtenis van 7 maart 2018, uitgevaardigd door de rechtbank Nordhorn, met kenmerk: 5 Gs 610 Js 9235/18 (96/18). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit. Dit feit is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Genoegzaamheid en onschuldverweer De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat het EAB ongenoegzaam is, omdat het dossier onvoldoende informatie bevat voor het vermoeden dat de opgeëiste persoon het omschreven feit heeft gepleegd. Het vertrouwensbeginsel kan niet zover strekken dat deze summiere informatie al voldoende is voor het toestaan van de overlevering. De raadsman heeft daarnaast Duitse stukken overgelegd en gesteld dat dit een verklaring betreft van een medeverdachte die in Duitsland ten onrechte heeft verklaard over de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het omschreven feit. Deze verklaring is echter aantoonbaar onbetrouwbaar en inconsistent, zodat er van moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon onschuldig is, aldus de raadsman. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verweren niet kunnen slagen. De verweren worden verworpen en het volgende is hiervoor van belang. De genoegzaamheid van het EAB Het EAB dient gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. In de onderhavige zaak geldt dat hieraan is voldaan. Hierbij merkt de rechtbank op dat de uitvaardigende justitiële autoriteit alleen de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit, de verdenking, duidelijk moet maken. Vermelding van de gronden van de verdenking is niet vereist. Het is vaste rechtspraak dat de overleveringsrechter niet in de beoordeling van de gronden van de verdenking treedt. De door de raadsman overgelegde – overigens niet vertaalde – stukken dienen dan ook in de procedure in Duitsland te worden beoordeeld. Het onschuldverweer In het verlengde van het voorgaande geldt, dat niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon het omschreven feit onmogelijk kan hebben gepleegd. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering. 5Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen Volgens de in rubriek
- c)van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De Hoofdofficier van Justitie te Osnabrück heeft op 5 november 2018 de volgende garantie gegeven: In aansluiting op uw e-mail van 2 oktober 2018 wordt gegarandeerd, dat de verdachte [opgeëiste persoon] voor het geval, dat hij tot een ovoorwaardelijke (de rechtbank begrijpt: onvoorwaardelijke) gevangenisstraf zal worden veroordeeld, nadat het vonnis rechtsgeldig is geworden, voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf aan Nederland zal worden overgedragen. Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. Aan deze voorwaarde is voldaan. Het feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. 7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB betrekking heeft op een strafbaar feit dat voornamelijk Nederlands van aard is; alle betrokkenen wonen in Nederland en de feitelijke handelingen hebben grotendeels in Nederland plaatsgevonden. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat het feit geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd. De weigeringsgrond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW geldt daarom niet. Het verweer wordt verworpen. 8Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 9Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6 en 7 OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Staatsanwaltschaft Osnabrück ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. E.M.M. Gabel, voorzitter, mrs. Ch.A. van Dijk en B. Poelert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 december 2018. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.