RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751421-18 RK-nummer: 18/3421 Datum uitspraak: 18 december 2018 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 mei 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 mei 2018 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres: [adres], hierna te noemen “de opgeëiste persoon”. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 december 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een Aanhoudingsmandaat bij verstek afgeleverd door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen van 27 februari 2018, met kenmerk: OR [naam] 2017/045. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Genoegzaamheid De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat de omschrijving van de feiten onvoldoende is. Een omschrijving van de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten ontbreekt immers. De enige link die met de opgeëiste persoon wordt gelegd, is het feit dat een auto die mogelijk bij de feiten betrokken is, op 28 maart 2017 op naam is komen te staan van de opgeëiste persoon, aldus de raadsman. Nu het EAB ongenoegzaam is, moet de overlevering worden geweigerd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aanhouding van de behandeling om nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is, nu het voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, zodat de overlevering kan worden toegestaan. De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen. In deze zaak wordt de opgeëiste persoon , samengevat, verdacht van betrokkenheid – als dader of mededader – bij de diefstal van een auto op 24/25 maart 2017 te Willebroek en een poging tot diefstal van een auto op 27/28 maart 2017 te Vilvoorde. De feiten zijn daarmee genoegzaam omschreven en de omschrijving voldoet dus aan de vereisten van artikel 2 OLW. De rechtbank merkt hierbij op dat niet is vereist dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gronden van de verdenking vermeldt. Het is immers niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking, dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen. Het verweer wordt verworpen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het opvragen van nadere informatie en wijst het daartoe strekkende subsidiaire verzoek af. 5Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW, onder nummer 18, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal Volgens de in rubriek
- c)van het EAB vermelde gegevens is op de feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. De raadsman heeft betoogd dat het lijstfeit niet in redelijkheid is aangekruist, gelet op de summiere omschrijving van de feiten; deze omschrijving duidt, zeker ten aanzien van de poging tot diefstal op 27/28 maart 2017, niet op georganiseerde diefstal. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of feiten waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst vallen en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is. Het verweer wordt verworpen. Dit betekent dat het lijstfeit in redelijkheid is aangekruist en dat onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten achterwege moet blijven. 6Onschuldverweer De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering. 7De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De procureur des Konings te Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft op 29 oktober 2018 de volgende garantie gegeven: Overeenkomstig artikel 5§3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Nederland). Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (200819091JBZ). Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan. De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: diefstal door twee of meer verenigde personen poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. 8Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 9Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. A.P. Sno en B. Poelert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 december 2018. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.