RECHTBANK AMSTERDAM VERKORT VONNIS Parketnummer: 13/846035-16 Datum uitspraak: 14 november 2018 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [brp adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 oktober 2018. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.C.A. Plantenga, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.G. Wiebes, naar voren hebben gebracht. De strafzaak tegen verdachte is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen [medeverdachte] (13/846030-15), en de rechtbank doet in beide zaken gelijktijdig uitspraak. 2Tenlastelegging Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij onzorgvuldig is omgegaan met gewasbeschermingsmiddelen en dat hij opbrengsten uit verboden handel in gewasbeschermingsmiddelen heeft witgewassen. Dit is kort gezegd ten laste gelegd als: Feit 1 primair: medeplegen van (opzettelijk) zorgvuldig omgaan met gewasbeschermingsmiddelen; subsidiair: medeplichtigheid aan (opzettelijk) onzorgvuldig omgaan met gewasbeschermingsmiddelen door [medeverdachte] ; Feit 2 primair: medeplegen van een gewoonte maken van witwassen; subsidiair: medeplichtigheid aan witwassen door [medeverdachte] . De ten laste gelegde periode is telkens 30 juli 2015 tot en met 8 november 2016. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit. De rechtbank leest het in de laatste alinea van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde vermelde “zijn, verdachtes, bankpas” als “zijn, [naam 1] , bankpas”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag. Daarbij betrekt de rechtbank dat dezelfde zinsnede onder 1 subsidiair wél juist is weergegeven en het in diezelfde zin genoemde bankrekeningnummer op naam staat van [naam 1] , en niet van verdachte. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad. 3Waardering van het bewijs 3.1. Feit 1 De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] zich heeft bezig gehouden met het verkopen van gewasbeschermingsmiddelen en dat hij gewasbeschermingsmiddelen voorhanden had. Bij die handel heeft [medeverdachte] regels met betrekking tot de omgang met gewasbeschermingsmiddelen overtreden. Op een aantal momenten komt verdachte, bevriend met [medeverdachte] , ook in beeld in dit dossier. De rechtbank kan uit die omstandigheden niet afleiden dat verdachte betrokken is geweest bij de omgang met gewasbeschermingsmiddelen, in het bijzonder bij het op de markt brengen van die middelen. 3.2. Feit 2 De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank vindt wel bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] geld heeft ontvangen van kopers van gewasbeschermingsmiddelen. Met betrekking tot die gelden heeft [medeverdachte] zich schuldig gemaakt aan witwassen. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] kopers van de door hem aangeboden gewasbeschermingsmiddelen geld liet overmaken op een bankrekening op naam van [naam 1] . Met betrekking tot die gelden heeft [medeverdachte] zich schuldig gemaakt aan witwassen. Verdachte heeft aan dit witwassen een bijdrage geleverd. Van belang is dat [medeverdachte] een deel van het geld ontving op een bankrekening op naam van [naam 1] . Verdachte heeft [naam 1] benaderd en hem zover gekregen dat hij toestemming gaf dat [medeverdachte] zijn bankrekening mocht gebruiken. Verdachte heeft vervolgens de bankpas en bijbehorende pincode van de bankrekening van [naam 1] aan [medeverdachte] verstrekt. Met deze handelingen heeft verdachte [medeverdachte] in staat gesteld om via de bankrekening van [naam 1] wit te wassen. Voor de rechtbank staat ook vast dat verdachte daar het - voorwaardelijk - opzet op had. Wanneer gebruik gemaakt wordt van een zogenaamde katvanger om gelden te ontvangen, is sprake van een aanmerkelijke kans dat die gelden geen legale herkomst hebben. Dat moet ook voor verdachte duidelijk zijn geweest. Door desondanks [medeverdachte] in staat te stellen van de bankrekening gebruik te kunnen maken, heeft verdachte die aanmerkelijke kans ook aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gedragingen die verdachte heeft verricht van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen van witwassen. Daarvoor is in het bijzonder van belang dat niet blijkt dat verdachte zelf handelingen heeft verricht met betrekking tot de door [medeverdachte] ontvangen gelden of dat verdachte beschikkingsmacht heeft gehad over die gelden. De gedragingen van verdachte zijn wel van voldoende gewicht om van medeplichtigheid aan witwassen te spreken. 4Bewezenverklaring De rechtbank vindt bewezen dat Ten aanzien van feit 2 subsidiair [medeverdachte] op tijdstippen in de periode van 30 juli 2015 tot en met 8 november 2016 te Zeewolde en/of elders in Nederland, telkens (van) enig geldbedrag a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.