← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2018:9794

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 17/2445 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 februari 2018 in de zaak tussen [naam eiser] , eiser, en [naam eiseres], eiseres, te Amsterdam, samen te noemen: eisers, (gemachtigde: mr. S. el Mhassani), en de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: G.E. Eind). Procesverloop Bij brief van 19 september 2017 heeft verweerder onder andere meegedeeld dat eiser en eiseres € 18.899,92 moeten terugbetalen. Bij besluit van 3 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari

  1. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
  2. Eiser en eiseres ontvingen een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (de AIO-aanvulling). Deze heeft verweerder beëindigd en ingetrokken. Daarnaast heeft verweerder een bedrag van € 18.899,92 teruggevorderd. Op het hoger beroep hiertegen heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) nog niet beslist.
  3. Vervolgens heeft verweerder eiser en eiseres de brief van 19 september 2016 (de brief) gestuurd. Die brief luidt als volgt: “(…) Door deze aanpassing heeft u € 18.899,92 teveel AIO-aanvulling ontvangen. Dit bedrag moet u aan ons terugbetalen. Hoe u kunt betalen (…) We stellen daarom voor dat u het bedrag vóór 1 december aan ons betaalt. (…) Kunt u dit bedrag niet binnen de gestelde termijn betalen? Laat ons dit dan binnen zes weken weten. We spreken met u af hoe u het bedrag wel kunt terugbetalen. Wij gaan akkoord met elk redelijk voorstel waarbij u het te veel ontvangen bedrag binnen 1 jaar terugbetaald. (…) Heeft u nog vragen? Als u nog vragen heeft over deze brief, kunt u contact met ons opnemen. (…)”
  4. Eiser en eiseres hebben bezwaar gemaakt tegen de brief. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Daarom staat geen bezwaar tegen de brief open, aldus verweerder.
  5. Eiser en eiseres stellen dat de brief wel een besluit is, omdat het onderdelen bevat die op rechtsgevolg gericht zijn. Ook bevat de brief een rechtsmiddelenclausule, aldus eisers.
  6. De rechtbank is van oordeel dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Eisers erkennen dat de procedure over de terugvordering al bij de Raad loopt. En dat gaat over hetzelfde bedrag. Dat staat in het besluit waar de Raad over moet oordelen. In deze brief staat weer dat bedrag, weer dat het bedrag wordt teruggevorderd, dat een voorstel wordt gedaan om het voor 1 december 2016 te betalen en dat een aanbod wordt gedaan om dat binnen één jaar gespreid te betalen. Geen van dat alles geeft een nieuw rechtsgevolg. Verder staat er geen bezwaarclausule in de brief. Dat heeft de gemachtigde van eisers op zitting ook erkend. Dat betekent dus dat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Dus is daar geen bezwaar tegen mogelijk. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
  7. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffiegeld bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier, op 1 februari
  8. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.