← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2019:10044

RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/196961-19 Datum uitspraak: 13 november 2019 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] [land van herkomst] ) op [geboortedatum] 1988, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [BRP-adres] , gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] . 1Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 november

  1. De zaak tegen verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (13/196937-19) en [medeverdachte 2] (13/196955-19). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.E.P.M. Kersten, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. D.C.E. Timmermans naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 14 augustus 2019 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
  2. diefstal met braak in vereniging;
  3. poging diefstal met braak in vereniging;
  4. vernieling/beschadiging. De gehele tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis. 3Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van alle ten laste gelegde feiten. Op basis van de camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte kan bewezen worden dat verdachte en de medeverdachten een loper en sleutels hebben gestolen door middel van braak (feit 1) en dat verdachte een deur heeft vernield (feit 3). Verdachte en de medeverdachten zijn in het appartementencomplex naar boven gegaan en op de camerabeelden is te zien dat verdachte aan de deur van de woning met nummer [nummer woning] heeft gevoeld. Gelet op de gehele context kan poging tot diefstal met braak in vereniging (feit 2) worden bewezen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit
  5. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat verdachte en de medeverdachten op de vlucht waren voor de politie nadat zij waren betrapt bij het stelen van de loper en de sleutels. Verdachte heeft zich schuil gehouden in een appartement op de bovenste verdieping. Hij heeft alleen aan de deur van de woning met nummer [nummer woning] gevoeld, maar hij heeft niet geprobeerd om daar in te breken. Er zijn geen braaksporen aan de woning. Het enkele feit dat verdachte en de medeverdachten het appartementencomplex zijn binnengekomen met een gestolen sleutel, maakt niet dat een poging tot diefstal met braak van de woning met nummer [nummer woning] bewezen kan worden. Verdachte heeft feit 1 en feit 3 bekend. De raadsman heeft ten aanzien van deze feiten geen bewijsverweer gevoerd. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot diefstal met braak in vereniging (feit 2). Verdachte wordt veroordeeld voor het in vereniging plegen van diefstal van een loper en sleutels (feit 1) en voor beschadiging van een deur (feit 3). De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen. Vrijspraak feit 2 Op basis van de camerabeelden en de verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat verdachte en de medeverdachten zich met een gestolen loper en sleutels toegang tot het appartementencomplex hebben verschaft. Zij hebben vervolgens de lift naar boven genomen en zijn ook naar het dak gegaan. De rechtbank ziet in het dossier echter onvoldoende bewijs dat er daadwerkelijk is geprobeerd om bij de woning met nummer [nummer woning] naar binnen te gaan. Dat verdachte aan de deur van deze woning heeft gevoeld, maakt niet dat er daar sprake is geweest van een poging tot diefstal met braak in vereniging. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken. Bewijsoverweging feit 1 en feit 3 Verdachte heeft op de terechtzitting bekend dat hij met de medeverdachten een loper en sleutels heeft gestolen door middel van braak (feit 1). Ook heeft hij bekend dat hij de voordeur van [naam eigenaar] heeft beschadigd (feit 3). De rechtbank acht deze feiten dan ook bewezen. Omdat de raadsman zich ten aanzien van deze feiten heeft gerefereerd, wordt op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen: ten aanzien van feit 1 De bekennende verklaring die verdachte op de terechtzitting heeft afgelegd; Een proces-verbaal van aangifte met nummer [proces-verbaal nummer 1] van 14 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] . ten aanzien van feit 3 De bekennende verklaring die verdachte op de terechtzitting heeft afgelegd; Een proces-verbaal van aangifte met nummer [proces-verbaal nummer 2] van 14 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 2] ; Een proces-verbaal met nummer [proces-verbaal nummer 3] van 14 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 3] . 4Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte ten aanzien van feit 1 op 14 augustus 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een loper en sleutels, toebehorende aan [naam VvE] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; ten aanzien van feit 3 op 14 augustus 2019 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur die aan een ander, te weten aan [naam eigenaar] , toebehoorde, heeft beschadigd. 5De strafbaarheid van de feiten en van verdachte De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Verdachte is daarvoor strafbaar. 6Motivering van de straf 6.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van voorarrest. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak van feit 2 bepleit en heeft daarom verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met braak in vereniging. Hij heeft samen met de medeverdachten een loper en sleutels van een groot appartementencomplex uit de sleutelkluis gestolen. Dit is een zeer brutale actie geweest, waarbij onder meer een boormachine is gebruikt om de sleutelkluis te openen. Dit heeft geleid tot veel schade, omdat er verschillende sleutelbuizen zijn geforceerd die na afloop vervangen moesten worden. Bovendien heeft verdachte de voordeur van een woning beschadigd waarin hij zich schuil hield voor de politie. Hierbij heeft verdachte niet alleen schade veroorzaakt, maar ook de eigenaar van de woning gevoelens van onveiligheid bezorgd door deze woning binnen te dringen. Uit het strafblad van verdachte van 21 oktober 2019 volgt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit heeft hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Het LOVS-oriëntatiepunt voor inbraak in een woning is een gevangenisstraf van drie maanden, te verhogen indien er sprake is van recidive. Dit feit is daarmee vergelijkbaar omdat de lopers geschikt waren om toegang te verkrijgen tot de woningen in het appartementencomplex. Omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 2, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Al met al zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van vijf maanden, met aftrek van voorarrest. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [naam VvE] , vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] , vordert € 32.415,19 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is op de terechtzitting betwist. De raadsman heeft aangevoerd dat onvoldoende duidelijk is dat [naam vertegenwoordiger] gemachtigd is om namens [naam VvE] een vordering in te dienen. Bovendien zijn de kosten onvoldoende onderbouwd. De sleutel is teruggevonden en niet is gebleken waarom alle cilinders moeten worden vervangen. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de kosten onvoldoende zijn onderbouwd. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. 9Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van feit 1 diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; ten aanzien van feit 3 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Verklaart [naam VvE] niet-ontvankelijk in haar vordering. Dit vonnis is gewezen door mr. F.W. Pieters, voorzitter, mrs. G.M. van Dijk en J.G. Vegter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 november
  6. […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.