Rechtbank Amsterdam – ECLI:NL:RBAMS:2019:1087
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 18/4959 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2019 in de zaak tussen de besloten vennootschap Empresa Pacifico BV, te Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. M.G. Evers), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: M. Boermans).
Procesverloop Bij besluit van 15 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de dwangsom van € 2500, die is opgelegd bij besluit van 12 juni 2017, wordt ingevorderd.
Bij besluit van 26 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2019. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Namens eiseres is tevens [naam bestuurder] verschenen, de bestuurder van eiseres.
Overwegingen 1. Op [nummer] maart 2017 hebben handhavers van de gemeente Amsterdam een controle gedaan in de buurt van het restaurant van eiseres, Pacifico aan de [adres] . De handhavers hebben geconstateerd dat door een medewerkster van het restaurant in de directe nabijheid van het horecabedrijf klanten werden geworven. Er was volgens de handhavers sprake van het zogenoemde ‘proppen’: werving van klanten op straat voor het restaurant van eiseres.
In dit besluit is meegedeeld dat eiseres bij het opnieuw constateren een dwangsom verbeurt van € 2500 bij de eerste overtreding, € 5000 bij de tweede overtreding en € 7500 bij de derde overtreding.
Wij zagen toen dat er vanuit de onderneming een man naar buiten kwam die hen aansprak.
Wij hoorden hem tegen hen zeggen: “Which country do you come from?”
Wij hoorden dat deze mensen uit Italië afkomstig waren. Er volgde een kort gesprek tussen hen in de Italiaanse taal en de mensen liepen daarna weer verder door de [straatnaam] .
Direct daarna sprak hij andere passanten aan met de woorden: “Buongiorno” en “maniare?”
Hij keek dit drietal hierbij aan en wees naar de deur van de onderneming. Vlak daarna sprak hij wederom een passerend tweetal aan welke geen interesse in hem toonden. De man ging toen de onderneming weer binnen en sloot de deur. Het uiterlijk van de man omschrijven wij als volgt: Blanke huidskleur en donker kort opgeschoren haar. Ongeveer 170cm lang. Hij droeg een wit overhemd met lange mouwen met een licht ruitmotief. Een blauwe spijkerbroek en lichtbruine schoenen met veters. Ook droeg hij een zwart schort dat hij om zijn middel geknoopt had. Op deze avond was de gevoelstemperatuur -16°. ”
Het rapport bevat een voldoende gedetailleerd verslag van toezichthouders van de gemeente, van wie niet is gebleken dat zij een belang hebben bij het onjuist vermelden van hetgeen ze hebben waargenomen. Betwisting is op zichzelf onvoldoende om aan de juistheid van een rapport twijfelen.
Volgens verweerder is voldoende aannemelijk geworden dat de man, zoals beschreven in het rapport, werkzaam was bij eiseres op het moment van de overtreding. De man liep in en uit de onderneming en droeg een zwart schort.
Al met al meent verweerder dat het rapport ten grondslag mocht worden gelegd aan het bestreden besluit.
Regelgeving 8. Ingevolge artikel 2.50, eerste lid, onder b, van de APV is het verboden op of aan de weg of het openbaar water tegen betaling diensten aan te bieden of te verlenen voor een werkzaamheid, zoals het werven van klanten voor bedrijven zoals rondvaartrederijen, hotels, horecabedrijven en prostitutiebedrijven. Dit is het zogenaamde verbod op ‘proppen’.
Oordeel rechtbank 10. Volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW8183) dient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een terzake deskundige medewerker van het bevoegd gezag en dat bevindingen op schrift worden gesteld. Het geschrift dient in beginsel ten minste te bevatten de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen. Dit geschrift dient voorts te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening 11. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het aan het invorderingsbesluit ten grondslag gelegde rapport voldoet aan de hierboven genoemde eisen. Het rapport bevat de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen. Het rapport is voorts voorzien van een ondertekening door de opstellers en een dagtekening. In de omstandigheid dat de toezichthouders zich niet als toezichthouder kenbaar hebben gemaakt en zich niet uit eigen beweging hebben gelegitimeerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het rapport niet aan de invordering ten grondslag kan worden gelegd. Uit artikel 5:12, tweede lid van de Awb volgt immers dat een toezichthouder zich op verzoek moet legitimeren, maar niet dat een toezichthouder zich steeds als zodanig kenbaar moet maken.
Overtreding APV 12. Eiseres heeft in beroep betwist dat sprake is geweest van een overtreding. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat in het rapport drie gesprekken worden beschreven, alleen het eerste gesprek is concreet weergegeven. Volgens eiseres is er sprake van een vage beschrijving, en is er te kort contact geweest tussen de in het rapport genoemde toeristen en de man die bij het restaurant zou horen om van proppen te kunnen spreken.
Verantwoordelijkheid eiseres 14. Volgens eiseres is het volstrekt oncontroleerbaar wie namens eiseres diensten zou hebben aangeboden. Eiseres acht het begrijpelijk dat de gemeente ervoor heeft gekozen om zich niet kenbaar te maken bij de constatering van een vermeende overtreding. Maar de juridische gevolgen van het niet naar de personalia vragen van degene die de overtreding heeft gepleegd en niet navragen in welke hoedanigheid dit heeft plaatsgevonden dienen voor rekening van de gemeente Amsterdam te komen. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat er bij haar geen persoon werkzaam is die voldoet aan de beschrijving van het uiterlijk van de man in het rapport.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. de Savornin Lohman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2019. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.