RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751906-18 RK nummer: 18/7416 Datum uitspraak: 12 februari 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 26 oktober
(1): Where a national or resident of another state from which he or she is surrendered (a). is surrendered to the State pursuant to a European Arrest Warrant with a view to being prosecuted in the State and; (b). whose surrender is subject to the condition that he or she, after being so prosecuted, is returned if he or she so consents to that other state in order to serve any custodial sentence or detention order imposed upon him or her in the State, the Minister shall, following the final determination of the proceedings and if the person consents, issue a warrant for the transfer of the person from the State to that other state in order to serve there any custodial sentence or detention order so imposed. The practicalities of removing a requested person and delivering him/her to another Member State is not a matter for this office, rather it is a matter for the Department of Justice in Ireland and the similar authority in the Netherlands, to determine how best this can be arranged.” “We have been informed by the Department of Justice and Equality on the 20th of December, 2018 that the return of the Requested Person to the Netherlands can be facilitated subject to the following conditions:
- The Requested Person, if sentenced, consents to be returned to the Netherlands to serve any sentence imposed;
- The Dutch Authorities will then make arrangements to send representatives to Ireland to collect him;” Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarden is voldaan. 6Detentieomstandigheden in Ierland 6.
- Standpunt van de raadsman De opgeëiste persoon heeft een verweerschrift overgelegd. Kern van het verweerschrift is dat de opgeëiste persoon mogelijk een onmenselijke behandeling in de Ierse penitentiaire instelling wacht. De raadsman heeft het verweer ter zitting, onder verwijzing naar hetgeen door de opgeëiste persoon in haar verweerschrift heeft verwoord, als volgt toegelicht. De opgeëiste persoon is transgender en heeft daarom een speciale behandeling nodig. Of zij in de Ierse penitentiaire instelling een speciale behandeling kan krijgen, is afhankelijk van het beleid van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft desgevraagd aangegeven dat zij het geboortegeslacht als uitgangspunt nemen, met als gevolg dat de opgeëiste persoon in Ierland in een mannelijke penitentiaire instelling zal worden geplaatst. Uit het rapport Human Rights violations in Ireland on the basis of gender identity and intersex identity van oktober/november 2013 blijkt dat beleid met betrekking tot transgenders ontbreekt. Gelet hierop, daarbij in aanmerking genomen de medische gesteldheid van de opgeëiste persoon, wacht de opgeëiste persoon mogelijk een onmenselijke behandeling in de Ierse penitentiaire instelling en moet de overlevering worden geweigerd. 6.
- Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer en zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. 6.
- Oordeel van de rechtbank In zijn arrest van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 78) heeft het Europese Hof van Justitie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89). Het rapport Human Rights violations in Ireland on the basis of gender identity and intersex identity van 2013 waar de raadsman ter onderbouwing van zijn verweer naar heeft verwezen, geeft aan dat er zorgen bestaan over de positie en het welzijn van transgenders in de Ierse penitentiaire instellingen. Uit het rapport volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat er een reëel gevaar bestaat dat transgenders die in Ierland zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Hierbij is van belang dat het rapport niet als actuele informatie (“naar behoren bijgewerkt”) kan gelden, nu inmiddels ruim 5 jaar is verstreken na de datum van dit rapport. Ambtshalve is de rechtbank evenmin gebleken van bewijzen als genoemd in de aangehaalde overwegingen in het arrest Aranyosi en Căldăraru waaruit een dergelijk algemeen gevaar blijkt. De rechtbank verwerpt het verweer. Een en ander laat vanzelfsprekend onverlet dat de medische gesteldheid van de opgeëiste persoon een rol zou kunnen spelen bij de beslissing omtrent de feitelijke overlevering op grond van artikel 35, derde lid, OLW. Deze beslissing is echter voorbehouden aan de officier van justitie. 7Overige verweren De opgeëiste persoon heeft zich in haar verweerschrift op het standpunt gesteld dat het Ierse strafdossier aan het overleveringsdossier dient te worden toegevoegd. De rechtbank overweegt het volgende. De Overleveringswet geeft de overleveringsrechter een beperkt toetsingskader. De overleveringsrechter dient voor het oordeel of een overlevering kan worden toegestaan, onder meer na te gaan of het EAB voldoet aan de in artikel 2 OLW neergelegde criteria. Volgens deze bepaling behoeven de onderliggende stukken van een strafzaak niet aan de uitvoerende lidstaat te worden overgelegd. De rechtbank wijst het verzoek af. 8Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 9Toepasselijke wetsartikelen Artikel 246 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the High Court, Dublin ten behoeve van het in Ierland tegen haar gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor haar overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. C.A. van Dijk en H.G. van der Wilt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 12 februari
- De jongste rechter en oudste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.