RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/654135-18 (Promis) en v.i.-zaaknummer: 99/000070-58 Datum uitspraak: 21 maart 2019 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , gedetineerd in [penitentiaire inrichting] te [plaats] . 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2019. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Ruijs en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.N.A. Brouns naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting en kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1: primair: diefstal met geweld van onder meer een Louis Vuitton-tas en ongeveer 100 euro door twee of meer verenigde personen, gepleegd op 2 september 2018 in Amsterdam; subsidiair: poging tot diefstal met geweld van enig goed en geldbedrag door twee of meer verenigde personen, gepleegd op 2 september 2018 in Amsterdam; Feit 2: medeplegen van het voorhanden hebben van een pistoolmitrailleur, gepleegd op 2 september 2018 in Amsterdam; Feit 3: medeplegen van het voorhanden hebben van een geluiddemper, gepleegd op 2 september 2018 in Amsterdam. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1. Inleiding Op 2 september 2018 dringen drie personen de woning aan [adres] te Amsterdam binnen, waar zich op dat moment vier personen – te weten aangevers [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] – bevinden. Uit de verklaringen van de aangevers blijkt het volgende. Tijdens het binnendringen werd [persoon 2] tegen de grond geduwd, waarna hij in bedwang wordt gehouden door tenminste één van de overvallers. De overvallers doorzoeken de woning, halen deze volledig overhoop en maken alle aanwezigen duidelijk dat zij op zoek zijn naar geld. Ondertussen houden de overvallers de aangevers in bedwang, dwingen hen hun hoofd naar beneden te houden en leggen bij twee van hen een kledingstuk of een deken over het hoofd. Ook bedreigen de overvallers de aangevers – waarbij alle aangevers hebben verklaard dat ze een vuurwapen hebben gezien dan wel gevoeld – en verklaren twee van de aangevers dat ze zijn geslagen en/of geschopt. De overval gaat met zoveel geluid gepaard dat meerdere omwonenden de politie bellen. Als de politie aan de deur verschijnt, proberen de overvallers te ontsnappen. Eén van hen wordt aangetroffen op een naastgelegen balkon en direct aangehouden, waarna hij wordt geïdentificeerd als verdachte. Een tweede overvaller wordt – na een achtervolging – eveneens op heterdaad aangehouden. Dit blijkt medeverdachte [medverdachte 1] te zijn. De derde overvaller weet via de achterzijde van de woning weg te komen, waarbij hij na een sprong van het balkon drie verdiepingen lager in de binnentuin terechtkomt. Een schommelstoel breekt zijn val en hij kan ontkomen, maar verliest hierbij zijn pet. Deze pet wordt veiliggesteld en onderzocht op DNA-sporen. Het aangetroffen hoofdprofiel wordt – met een matchkans van kleiner dan 1 op 1 miljard – herleid tot medeverdachte [medeverdachte 2] . Daarnaast treffen verbalisanten dactyloscopische sporen aan op het deurkozijn bij het balkon vanwaar de derde overvaller naar beneden is gesprongen. Ook deze dactyloscopische sporen kunnen worden geïndividualiseerd tot medeverdachte [medeverdachte 2] . Wanneer verbalisanten verder onderzoek doen, wordt op het dak – ter hoogte van het balkon aan de achterzijde van de woning waarin de overval plaats vond – een vuurwapen – naar later blijkt een pistoolmitrailleur – en bijbehorende munitie aangetroffen. Bovendien wordt in de binnentuin een tas met daarin een geluiddemper aangetroffen, waarvan is vastgesteld dat deze op het hiervoor bedoelde vuurwapen past. 4.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht – overeenkomstig haar schriftelijk requisitoir – bewezen dat verdachte op 2 september samen met twee anderen een woningoverval heeft gepleegd waarbij een Louis Vuitton-tas en een geldbedrag zijn meegenomen. Tevens acht zij bewezen dat de overvallers geweld hebben gepleegd tegen de personen die in de woning aanwezig waren en dat zij hen hebben bedreigd met een geladen pistoolmitrailleur. Ook acht de officier van justitie bewezen dat de overvallers een pistoolmitrailleur van het merk Zastava en bijbehorende munitie voorhanden hebben gehad. Niet bewezen kan worden dat verdachte op de hoogte was of had moeten zijn van de geluiddemper. 4.3. Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich – overeenkomstig haar schriftelijke pleitnota – primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een voltooide diefstal, omdat niet kan worden bewezen dat de Louis Vuitton-tas en het geldbedrag zijn weggenomen. Evenmin kan de poging tot diefstal worden bewezen, omdat niet kan worden bewezen dat sprake is van het gronddelict diefstal met geweld. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap had van het pistoolmitrailleur of dat sprake is geweest van enige beschikkingsmacht over het wapen of de munitie. Dit geldt ook voor het voorhanden hebben van de geluiddemper. 4.4. Oordeel van de rechtbank Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde [persoon 3] heeft verklaard dat de overvallers € 75,- – in coupures van € 50,-, € 20,- en € 5,- – uit zijn portemonnee hebben weggenomen en € 15,- aan munten uit zijn tas hebben gehaald. Naast de verklaring van aangever is voor dit wegnemen echter geen bewijs. Er zijn bij verdachte en medeverdachte [medverdachte 1] weliswaar geldbedragen aangetroffen, maar dit betroffen niet de coupures waarover aangever heeft verklaard. Aangever [persoon 2] heeft verklaard dat de overvallers zijn Louis Vuitton-tas hebben weggenomen. Tegenover zijn verklaring staat de verklaring van verdachte die beweert dat de Louis Vuitton-tas die hij bij zich had toen hij op het balkon werd aangehouden van hem is. De tas bevatte goederen die – zoals beaamd door [persoon 2] – van verdachte zijn. De tas is door de verbalisanten ter plaatse echter direct aan [persoon 2] overhandigd en is niet veiliggesteld en op sporen onderzocht. Omdat geen sporenonderzoek heeft plaatsgevonden, kan de rechtbank niet vaststellen of de tas inderdaad aan één van de aangevers toebehoort. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat de overvallers een of meerdere goed(eren) en/of geldbedragen hebben weggenomen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het primair tenlastegelegde feit – de voltooide diefstal met geweld in vereniging – moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit – de poging tot diefstal met geweld in vereniging – wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De raadsvrouw heeft ter zitting verwezen naar de bij de politie afgelegde verklaring van medeverdachte [medverdachte 1] dat de verdachten slechts wilden inventariseren of er geld in de woning aanwezig was om daarna met lege handen te vertrekken. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachten naar de woning zijn gegaan met de intentie om geld en/of goederen buit te maken. Hiertoe overweegt de rechtbank onder meer dat [persoon 2] direct na het openen van de deur op gewelddadige wijze naar de grond is gewerkt. Van een verkennend gesprek is dus absoluut geen sprake geweest. Tevens hebben alle aangevers verklaard dat de overvallers hebben gevraagd waar het geld was en dat zij bedreigingen hebben geuit. Deze bedreigingen zouden tenuitvoergelegd worden als de aangevers geen geld aan de overvallers zouden overhandigen. De woning is in een kort tijdsbestek geheel overhoop gehaald door verdachten. Dit getuigt evenmin dat sprake zou zijn geweest van een verkennend gesprek. Bovendien heeft medeverdachte [medverdachte 1] verklaard dat hij een vergoeding zou krijgen voor zijn “hulp”. Weliswaar was hem niet op voorhand duidelijk hoe groot deze vergoeding precies zou zijn, maar verdachte wilde hiermee (een deel van) zijn studiejaar – voor dit jaar een bedrag van € 2.100,- – bekostigen. Tevens heeft hij verklaard dat hij wist dat het “geen zuivere koffie” was. Deze verklaringen passen niet bij de situatie dat verdachten na een kalm gesprek en een inventarisatie of er geld in de woning aanwezig was, weer rustig zouden vertrekken. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat zij in ieder geval niet een half uur binnen zijn geweest en dat er sprake was van een kort tijdbestek. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de situatie naar haar uiterlijke verschijningsvorm in zijn geheel gericht op het wegnemen van geld en/of goederen. Gelet op de verklaringen van [persoon 2] en [persoon 4] kan worden bewezen dat de overvallers geweld hebben gepleegd tegen hen. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij heeft gezien dat sprake was van “duwen en trekken” en dat in ieder geval één van de aanwezigen is gevallen. Door verbalisanten is ook letsel bij [persoon 2] geconstateerd. De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten. Daarbij hebben alle verdachten een wezenlijke bijdrage geleverd aan de overval. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij weliswaar op 2 september 2018 bij [adres] in Amsterdam aanwezig is geweest, maar dat hij de woning later heeft betreden. Hij zou ongeveer een minuut in de hal van de woning zijn geweest toen de politie arriveerde en zou dus geen deel hebben uitgemaakt van de situatie waarin de strafbare feiten hebben plaatsgevonden. Echter, deze verklaring staat haaks op de verklaringen van aangevers [persoon 2] en [persoon 3] dat drie personen de woning zijn binnengevallen. Daarom acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij later is binnengekomen onaannemelijk en schuift deze terzijde. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van de situatie waarin verdachten met zijn drieën tegelijk de woning hebben betreden, waarna zij tezamen de (kleine) woning hebben doorzocht en overhoop hebben gehaald. Bovendien blijkt uit de verklaringen van de aangevers die zich in verschillende ruimtes in de woning bevonden, dat zij allen op een bepaald moment met een wapen “onder controle” zijn gehouden. Daarom acht de rechtbank bewezen dat verdachten de overval tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde Alle aangevers hebben verklaard dat zij tijdens de overval een wapen hebben gezien of dat zij hebben gevoeld dat zij met een wapen werden bedreigd. De aangetroffen pistoolmitrailleur komt ook overeen met de omschrijving van aangever [persoon 3] . Daar komt bij dat medeverdachte [medeverdachte 2] via het balkon aan de achterzijde van de woning naar beneden is gesprongen en – in eerste instantie – heeft kunnen ontkomen. Gelet op de locatie waar de pistoolmitrailleur en de munitie zijn aangetroffen, onmiddellijk boven de plek waar het vingerspoor is aangetroffen, te weten op het platte dak van de woning [adres] , acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat medeverdachte [medeverdachte 2] het vuurwapen op het dak van de woning heeft neergelegd of geworpen, voordat hij van het balkon naar beneden is gesprongen. De rechtbank acht – gelet op het voorgaande – en de omstandigheid dat verdachte en de medeverdachten zich in korte tijd door de gehele woning hebben begeven – immers was de hele woning overhoop gehaald – bewezen dat de overvallers een vuurwapen met munitie voorhanden hebben gehad. De rechtbank acht – gelet op het voorgaande – de verklaring van verdachte dat hij geen vuurwapen heeft gezien en geen weet had van het wapen, volstrekt onaannemelijk. Daarom zal zij deze terzijde schuiven. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 tenlastegelegde feit – medeplegen van het voorhanden hebben van een geluiddemper – niet kan worden bewezen. Geen van de aangevers heeft verklaard een geluiddemper te hebben gezien. Bovendien is de geluiddemper in een tas aan de achterzijde van de binnentuin – en dus niet bevestigd op het pistoolmitrailleur – aangetroffen. Omdat niet kan worden bewezen dat de geluiddemper op enig moment uit de tas is geweest, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte weet had van en opzet had op het aanwezig hebben van de geluiddemper. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: 1. op 2 september 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen enig goed toebehorend aan een ander of anderen dan aan verdachte, en zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij, verdachte, en zijn mededaders - de woning aan [adres] binnen zijn gerend toen die [persoon 2] de deur opende en hem naar de grond hebben geduwd en - meermalen tegen het gezicht en lichaam van die [persoon 2] hebben geslagen en hem vervolgens op de grond hebben gehouden, en - een automatisch vuurwapen tegen het hoofd van die [persoon 2] hebben gehouden en daarbij hebben gezegd of geroepen: "We gaan op je schieten" en - met een automatisch vuurwapen de woning in zijn gegaan en deze hebben getoond aan die [persoon 3] en daarbij tegen die [persoon 3] in het Engels hebben gezegd of geroepen: "Waar is het geld? Waar wordt dat bewaard?" en "Als je denkt dat ik niet serieus ben, zie hier mijn wapen, en deze zal je leven vernielen", althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking, en vervolgens tegen die [persoon 3] in het Engels hebben gezegd of geroepen: "Geef me geld of ik vernietig je", althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking en vervolgens terwijl hij op de grond lag zijn hoofd hebben bedekt en - met een automatisch vuurwapen naar die [persoon 4] zijn gegaan en deze hebben getoond en vervolgens tegen die [persoon 4] in het Engels hebben gezegd of geroepen: "Als je schreeuwt schiet ik je kop er af" en hebben die [persoon 4] meermalen tegen het lichaam geslagen en geschopt en waarna een deken over zijn hoofd is gelegd en daarbij hebben gezegd: "Als je omhoog komt, schiet ik je kop er af" althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking, en - met een automatisch vuurwapen naar die [persoon 1] zijn gegaan en deze hebben getoond en vervolgens tegen die [persoon 1] in het Engels hebben gezegd of geroepen: "Waar is het geld", althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. op 2 september 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.