RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/706033-15 (ontneming) Datum uitspraak: 15 februari 2019 Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/706033-15, tegen: [veroordeelde] , hierna te noemen veroordeelde, geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboorteland] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2019 (inhoudelijke behandeling) en 15 februari 2019 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering ter terechtzitting van de officier van justitie mr. A. Kerkhoff en van wat de raadsman van veroordeelde, mr. C. Crince le Roy, naar voren heeft gebracht. 2De vordering De vordering van de officier van justitie van 11 december 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 30.921,
- Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft feit 1 waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. 3Grondslag van de vordering Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2019 onder meer ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld. Feit 1: witwassen, meermalen gepleegd. 4Het wederrechtelijk verkregen voordeel 4.
- Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting uitgelaten over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het voordeel is berekend op grond van het proces-verbaal van wederrechtelijk verkregen voordeel van 12 maart
- Vanaf de rekening van [naam B.V.] is – na verrekening – € 21.021,33 overgemaakt naar veroordeelde. Daarnaast heeft veroordeelde verklaard dat hij € 2.000,- per maand verdiende en dat contant ontving. Gelet op de pleegperiode wordt aangenomen dat hij vijfmaal een contant bedrag van € 2.000,- heeft ontvangen. Van het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel zijn de kosten die veroordeelde heeft moeten maken, geschat op € 100,-, afgetrokken. Hierdoor komt het uiteindelijke voordeel op een bedrag van € 30.921,
- 4.
- Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening gehouden moet worden met de verklaring van veroordeelde dat hij een aantal keer contant € 2.000,- heeft ontvangen. Deze verklaring is onvoldoende concreet om te kunnen gebruiken bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De raadsman verzoekt bij de bepaling van de hoogte van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel uit te gaan van het geldbedrag dat door [naam B.V.] . naar veroordeelde is overgemaakt. 4.
- Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken van het strafdossier en het proces-verbaal van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebleken dat veroordeelde – na verrekening – in totaal € 21.021,33 heeft ontvangen van [naam B.V.] . Veroordeelde heeft op 19 februari 2015 verklaard dat hij € 2.000,- per maand heeft verdiend voor het oprichten van [naam B.V.] . De rechtbank acht deze verklaring voldoende concreet om te gebruiken bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondersteunend voor zijn verklaring is immers dat veroordeelde aangeeft dat hij de vergoeding van € 2.000 zowel contant als giraal ontving. Het girale deel is – zoals reeds overwogen – inderdaad naar zijn rekening overgemaakt. [naam B.V.] . is opgericht in januari 2012 en de rechtbank sluit zich wat betreft de contant ontvangen geldbedragen en de door veroordeelde gemaakte kosten aan bij de berekening van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee worden die delen bepaalt op respectievelijk € 10.000,- en € 100,-. Ontvangen van [naam B.V.] . : € 21.021,33Contant ontvangen : € 10.000,00Kosten : - € 100,00 Totaal : € 30.921,33 Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 30.921,
- De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. 5De verplichting tot betaling 5.
- Het standpunt van de verdediging De raadsman verzoekt de rechtbank bij het bepalen van het terug te betalen bedrag rekening te houden met de draagkracht van veroordeelde. Hij wijst hierbij op de slechte financiële positie van veroordeelde. Hij moet rondkomen van uitkering, woont bij zijn moeder, heeft mentale klachten en zit in de schuldsanering. De raadsman verzoekt het ontnemingsbedrag te matigen. 5.
- Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie is van mening dat pas in de executiefase rekening de draagkracht van de veroordeelde ter sprake komt. Er bestaat altijd nog een kans dat de financiële positie van veroordeelde verandert in positieve zin. 5.
- Het oordeel van de rechtbank Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient een beroep op draagkracht in beginsel in de executiefase aan de orde te komen. Op grond van artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierbij dient de rechter te beoordelen of duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft of zal hebben. Het is de rechtbank niet gebleken dat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde niet toereikend zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om gebruik te maken van haar matigingsbevoegdheid. De rechtbank merkt – ten overvloede – op dat in de hoofdzaak een groot aantal vorderingen van benadeelde partijen is toegewezen. Het vonnis van de hoofdzaak is nog niet onherroepelijk en de rechtbank heeft geen gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om bij het vaststellen van de betalingsverplichting toegekende vorderingen van benadeelde partijen in mindering te brengen. Op het moment dat het vonnis onherroepelijk wordt kan veroordeelde zich op grond van de in artikel 577b, tweede lid Wetboek van Strafvordering genoemde procedure tot de strafrechter wenden met het verzoek het wederrechtelijk verkregen voordeel te wijzigen. De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 30.921,
- 6Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 7
- Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 30.921,
- Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 30.921,33 (dertigduizend negenhonderdeenentwintig euro en drieëndertig eurocent) aan de Staat. Dit vonnis is gewezen door mr. F. Dekkers, voorzitter, mrs. N.J. Koene en A.C.J. Klaver, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 februari
- Proces-verbaal van beschouwing privérekeningen [veroordeelde] bij de ING Bank N.V., met nummer 2013101132, van 2 september 2014, pag. 257-258; Proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, met nummer 2013101132, van 12 maart 2015, p. F0010-F0011 Proces-verbaal van verhoor verdachte, met nummer 2013101132 van 19 februari 2015, p. 258-261 Proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, met nummer 2013101132, van 12 maart 2015, p. F0010-F0011