RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751000-15 (EAB I) RK-nummer: 18/6864 Datum uitspraak: 16 april 2019 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 oktober 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 1 december 2014 door the Regional Court in Gliwice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres: [verblijfadres] , [verblijfplaats] , hierna te noemen “de opgeëiste persoon”. 1Procesgang Zitting 11 januari 2019 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal. Aan de orde is onder meer gekomen dat de rechtbank in een andere overleveringszaak bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) een aantal vragen heeft geformuleerd over - zakelijk weergegeven - de waarborg van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. Het Openbaar Ministerie heeft deze vragen ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd. Bij brief gedateerd 26 oktober 2018 heeft een rechter van the Regional Court in Gliwice de vragen beantwoord. De rechtbank heeft op de zitting van 11 januari 2019 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Tussenuitspraak 25 januari 2019 De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 25 januari 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:428) het onderzoek ter zitting heropend omdat zij het wenselijk achtte dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit zou worden voortgezet. Om deze reden heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht de in die tussenuitspraak geformuleerde vragen ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. Bij brief gedateerd 20 februari 2019 heeft een rechter van the Regional Court in Gliwice ook deze vragen beantwoord. Zitting 21 maart 2019 De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 21 maart 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door mr. L.E.J. Vleesenbeek en door een tolk in de Poolse taal. Sluiting onderzoek De rechtbank heeft op 16 april 2019 het onderzoek ter zitting gesloten en direct uitspraak gedaan. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak van 25 januari 2019 De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 25 januari 2019 waarin zij de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van het feit heeft beoordeeld. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 4Onschuldverweer De opgeëiste persoon heeft ter zitting van 21 maart 2019 verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering. 5Artikel 6, vijfde lid, van de OLW Vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander De opgeëiste persoon heeft de Poolse nationaliteit. Zoals reeds overwogen in de tussenuitspraak van 25 januari 2019 moet, om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander, ingevolge artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten: bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd; vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen; ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Ad 1) Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt gelijkgesteld met een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger en dat een duurzaam verblijfsrecht niet hoeft te worden aangetoond middels overlegging van een verblijfsdocument. Dit kan ook met het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan. Beroep op gelijkstelling met een Nederlander door de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft een beroep gedaan op gelijkstelling met een Nederlander op grond van voormelde bepaling. Hij heeft gesteld dat hij sinds 2007/2008 in Nederland verblijft en dat in elk geval sprake is van onafgebroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaar. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij stukken overgelegd met betrekking tot, kort samengevat, zijn bankrekening in Nederland en zijn economische activiteiten in Nederland over de afgelopen jaren. Ter zitting van 21 maart 2019 heeft de raadsman, in aanvulling op hetgeen hij reeds tijdens de zitting van 11 januari 2019 had aangevoerd, meegedeeld dat de opgeëiste persoon in 2016 ongeveer vijf maanden voor het bedrijf Eurogeneralist heeft gewerkt. Hij werkte 40 uur per week en ontving acht euro netto per uur. De raadsman heeft echter geen stukken overgelegd ter onderbouwing van deze stelling. Het lijkt er op dat de werkgever deze inkomsten niet heeft opgegeven bij de Belastingdienst. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, nu het inkomen van de opgeëiste persoon in 2016 te laag was om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander. Daarbij gaat de officier van justitie er, onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank, van uit dat de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaar minimaal 50% van de bijstandsnorm moet hebben verdiend. Overwegingen van de rechtbank Uit de door de opgeëiste persoon overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland als werknemer arbeid heeft verricht. Voor de toetsing van de rechtmatigheid van zijn verblijf in Nederland als werknemer is van belang dat in het Unierecht een werknemer iemand is die reële en daadwerkelijke arbeid verricht die niet louter marginaal en bijkomstig is. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij het door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gehanteerde beleid (hoofdstuk B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000). De IND beschouwt een burger van de Unie als werknemer of zelfstandige als deze reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Van reële en daadwerkelijke arbeid is volgens het vreemdelingenbeleid in ieder geval sprake als: - de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm of - de burger van de Unie ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt. Een als werknemer economisch actieve burger van de Unie verkrijgt een duurzaam verblijfsrecht, wanneer hij vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon heeft ten aanzien van het door hem als werknemer genoten inkomen in Nederland stukken overgelegd over de jaren 2008 en 2013 tot en met 2017. Voor de toetsing van de periode van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf neemt de rechtbank gelet op de overgelegde stukken 1 januari 2013 als beginpunt. Uit de door de opgeëiste persoon overgelegde ‘verklaringen geregistreerd inkomen’ over de jaren 2013 tot en met 2017 volgt dat de opgeëiste persoon in ieder geval in de jaren 2013, 2014, 2015 en 2017 reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Over 2016 heeft de opgeëiste persoon volgens de overgelegde ‘verklaring geregistreerd inkomen’ een inkomen genoten van € 2.526, -. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander, nu hij er niet in is geslaagd om zijn stelling dat hij ook in 2016 minimaal 50% van de bijstandsnorm heeft verdiend, of voldoet aan de eis dat hij ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd heeft gewerkt, te onderbouwen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de opgeëiste persoon aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Het beroep op gelijkstelling wordt verworpen. 6Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 6.1. Inleiding De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 inzake LM, C-216/18 PPU (hierna: het arrest). Hierna heeft de rechtbank bij voornoemde tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) vastgesteld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen; dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast; dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen; dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank in die zaak een aantal vragen geformuleerd en heeft zij de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden, in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie. Deze vragen zijn ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd. De rechtbank heeft bij brief van 4 januari 2019 antwoorden (gedateerd 26 oktober 2018) van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen, die eerder in andere Poolse overleveringszaken waren overgelegd. Deze antwoorden zijn gegeven door een rechter van the Regional Court in Gliwice. Bij tussenuitspraak van 25 januari 2019 heeft de rechtbank aanvullende vragen gesteld. Deze zijn bij brieven van 20 februari 2019 en 19 maart 2019 door de eerder genoemde rechter beantwoord. 6.2. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de onafhankelijkheid van de Poolse rechters in gevaar is. De aanvullende antwoorden in de brief van 20 februari 2019 hebben deze zorgen niet weggenomen. De raadsman concludeert dat een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon in de kern wordt aangetast. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het stellen van nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. 6.3. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten aanzien van deze opgeëiste persoon niet aan de derde stap van het toetsingskader toekomt. Dit houdt in dat hij geen specifieke zorgen tot uitdrukking heeft gebracht, dan wel inlichtingen heeft verstrekt, die kunnen leiden tot het oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt. De overlevering van de opgeëiste persoon kan dan ook worden toegestaan. 6.4. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt voortgezet. De rechtbank beschikt op dit moment nog over onvoldoende informatie om zich een afdoende actueel en concreet beeld te kunnen vormen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. In haar tussenuitspraak van 25 januari 2019 heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: Vragen over bevoegde rechterlijke instanties 1. De antwoorden die zijn overgelegd zien op de strafzaken van andere opgeëiste personen. De rechtbank vraagt daarom zekerheidshalve of de rechterlijke instantie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.