RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751633-18 RK nummer: 18/5479 Datum uitspraak: 16 april 2019 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 april 2018 en aangevuld op 10 mei 2018 door de Regional Court in Bydgoszcz, 3rd Penal Division (Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 4 oktober 2018 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. B.J.H. Sijbom, advocaat te Almere (als waarnemer voor mr. O. Bolluyt, advocaat te Almere) en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Tussenuitspraak 18 oktober 2018 De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 18 oktober 2018 het onderzoek heropend, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de vragen als gesteld bij een tussenuitspraak van deze rechtbank in een andere overleveringszaak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032), ook in het kader van onderhavige zaak - althans voor zover het EAB ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon in Polen - aan de uitvaardigende autoriteit voor te leggen. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat - voor zover het EAB ziet op de executie van vier vrijheidsstraffen op basis van vier vonnissen - de overlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd. Zitting 7 december 2018 De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 7 december 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. O. Bolluyt, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Sluiting onderzoek 21 december 2018 De rechtbank heeft op 21 december 2018 het onderzoek gesloten, met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid. De uitspraak is bepaald op 4 januari 2019. Tussenuitspraak 4 januari 2019 Op 4 januari 2019 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen waarin zij aan de officier van justitie heeft verzocht nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit (ECLI:NL:RBAMS:2019:51). Zitting 1 maart 2019 Op 1 maart 2019 is het onderzoek, met instemming van partijen, voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bij tussenuitspraak van 4 januari 2019 bevond. Gehoord zijn de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes en de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.I.B. Hoffman, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. Sluiting onderzoek De rechtbank heeft op 16 april 2019 het onderzoek ter zitting gesloten en direct uitspraak gedaan. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Tussenuitspraak van 18 oktober 2018 Voor zover het EAB ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon in Polen De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 18 oktober 2018 waarin de grondslag van het EAB en de strafbaarheid van de feiten reeds zijn beoordeeld. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Voor zover het EAB ziet op de executie van vier vrijheidsstraffen op basis van vier vonnissen De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 18 oktober 2018 waarin de overlevering ten behoeve van de executie van vier vrijheidsstraffen op basis van vier vonnissen, reeds is beoordeeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de overlevering voor alle vonnissen moet worden geweigerd. Dit oordeel en de daartoe leidende overweging (r.o. 3) dient als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 4Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 4.1 Inleiding De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 inzake LM, C-216/18 PPU (hierna: het arrest). In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) vastgesteld: dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen; dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast; dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen; dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 18 oktober 2018 een aantal vragen geformuleerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie. Deze vragen zijn ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd en bij brief van 31 oktober 2018 heeft the Vice-Presiding Judge of the District Court in Bydgoszcz de vragen beantwoord. Bij tussenuitspraak van 4 januari 2091 heeft deze rechtbank nadere vragen gesteld. Op 22 januari 2019 heeft the Judge of the Regional Court in Bydgoszcz de vragen beantwoord. In deze brief is onder andere vermeld: “In case of lodging the appeal, the Regional Court in Bydgoszcz shall be the competent Court to recognize the case.” De officier van justitie heeft voorts ter zitting van 1 maart 2019 informatie van 15 februari 2019 overgelegd van het Poolse Hooggerechtshof, naar aanleiding van de dialoog die met andere Poolse rechterlijke colleges is gevoerd, waaruit blijkt dat er intussen drie ‘buitengewoon beroep’-procedures aanhangig zijn gemaakt door de Minister van Justitie en de Ombudsman. Hierin is door het Hooggerechtshof echter nog geen beslissing genomen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De overlevering moet worden geweigerd want de vragen zijn niet voldoende beantwoord. De rechtbank heeft om nadere informatie verzocht bij tussenuitspraak van 4 januari 2019 en de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gesteld dat alle antwoorden al zijn gegeven. Daarom zijn de vragen nog steeds niet afdoende beantwoord. 4.3 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van de tweede stap van het toetsingskader, namelijk de vraag of de vastgestelde structurele gebreken negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. De officier van justitie heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet aan de derde stap van het toetsingskader voldoet. Dit houdt in dat hij geen specifieke zorgen tot uitdrukking heeft gebracht, dan wel inlichtingen heeft verstrekt, die kunnen leiden tot het oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt. De overlevering van de opgeëiste persoon kan dan ook worden toegestaan. 4.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt voortgezet. De rechtbank beschikt op dit moment nog over onvoldoende informatie om zich een afdoende actueel en concreet beeld te kunnen vormen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. In haar tussenuitspraak van 4 januari 2019 heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: “ Alleen antwoord door/over één instantie : De verstrekte informatie met betrekking tot de vragen A1, A2, A3, A4, C1 en C3 ziet op de District Court die de zaak zal gaan behandelen. Zijn er meerdere rechterlijke instanties bevoegd om te oordelen over de zaak van deze opgeëiste persoon, bijvoorbeeld na het instellen van beroep? Zo ja, dan verzoekt de rechtbank ook voor deze instantie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.