RECHTBANK AMSTERDAM, INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751888-18 RK-nummer: 18/7186 Datum uitspraak: 16 april 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 oktober 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 oktober 2006 (en “corrected by the judicial order issued on 17 May 2016”) door de Regional Court in Gliwice (Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977, verblijvend op het adres [verblijfadres] , [verblijfplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 17 januari 2019 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Tussenuitspraak 31 januari 2019 Op 31 januari 2019 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen en daarbij het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in die tussenuitspraak onder punt 7 genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. Deze vraagstelling geschiedt in het kader van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zitting 28 maart 2019 Met instemming van de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing bij tussenuitspraak van 31 januari 2019. Gehoord zijn de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek en de opgeëiste persoon en zijn raadsman. De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft bepaald dat, gelet op de complexiteit van de aan de orde zijnde problematiek met betrekking tot de Poolse rechtsorde, het onderzoek - met toestemming van partijen - pas op 16 april 2019 zal worden gesloten waarna direct uitspraak zal worden gedaan. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een executive judicial decision of detention awaiting trial issued by the District Court in Gliwice of 29 August 2006. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit. Dit feit is omschreven in onderdeel E van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal. Volgens de in rubriek C van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW De opgeëiste persoon is, gelet op hetgeen in de tussenuitspraak van 31 januari 2019 is overwogen en is vastgesteld, gelijkgesteld met een Nederlander. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De Regional Court in Gliwice, IV Penal Decision heeft bij brief van 21 december 2018 de volgende garantie gegeven: (…) in the case of [opgeëiste persoon] sought by virtue of the European Arrest Warrant kindly informs that the guarantees stipulated in Article 5 item 3 of the Council Framework Decision of 13th June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between member States are respected by the Polish party as they have been included in regulations of the Code of Criminal Procedure act. Pursuant to Article 607j of the Code of Criminal Procedure, if the Member State executing the warrant surrendered the person prosecuted provided that the enforcement of a custodial sentence or another measure involving deprivation of liberty occurs in that state, the enforcement procedure shall not be instituted. In such event the court which has jurisdiction to examine the case, without delay, after the court decision becomes final, shall issue a ruling to transfer the person sentenced to the competent Member State of the European Union in order to execute a sentence imposed or another measure involving deprivation of liberty. (…) It means that if the sought [opgeëiste persoon] is sentenced to an unconditional prison sentence in Poland, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands. Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Aan deze voorwaarde is voldaan, want het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht is naar Nederlands recht strafbaar en kan als volgt worden gekwalificeerd: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. 6Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie 6.1 Inleiding De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 inzake LM, C-216/18 PPU (hierna: het arrest). In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) vastgesteld: dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen; dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast; dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen; dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank een aantal vragen geformuleerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie. Deze vragen zijn ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd en zijn beantwoord op 26 oktober 2018. Op 7 maart 2019 zijn de aanvullende vragen beantwoord. Voor zover van belang en samengevat blijkt uit de beantwoording van de vragen het volgende: sinds de inwerkingtreding van de aangepaste wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken, beschikt de Minister van Justitie over veel macht om het functioneren van gerechten te beïnvloeden. Zo kunnen (vice)presidenten van gerechten door de Minister van Justitie worden benoemd en ontslagen, zonder dat hieromtrent het standpunt van the Professional Self-governing Organisation of Judges (Samorząd Sędziowski) hoeft te worden ingewonnen. Verder benoemt en ontslaat de Minister van Justitie the Director of the Court, aan wie alle medewerkers van het desbetreffende gerecht (met uitzondering van rechters) ondergeschikt zijn; indien de opgeëiste persoon wordt overgeleverd en vervolgd voor het feit waarvan hijin Polen wordt verdacht, dan zal hij worden berecht door the Regional Court in Gliwice en/of the District Court in Gliwice en/of the District Court in Ruda Śląska; sinds inwerkingtreding van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken zijn op 9 november 2017 de president en twee deputy presidents van de Regional Court in Gliwice, de president en twee deputy presidents van de District Court in Gliwice en de president en twee deputy presidents van de District Court in Ruda Śląska ontslagen; de reden voor het ontslag is de uitvaardigende justitiële autoriteit niet bekend omdat de ontslagbeslissingen niet de reden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.