RECHTBANK AMSTERDAM Wrakingskamer Beslissing op het op het bij brief van 5 november 2018 schriftelijke gedane en onder rekestnummer C/13/657530 / HA RK 18/376 ingeschreven verzoek van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, welk verzoek strekt tot wraking van mr N.M. van Waterschoot, bestuursrechter bij de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter. 1Verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: Een door verzoeker aan het openbaar ministerie gerichte brief van 5 november 2018 inhoudende, zo begrijpt de Wrakingskamer, een verzoek tot wraking; een brief van de griffier van de Wrakingskamer aan verzoeker van 28 november
- 2De beoordeling van het verzoek 2.
- Bij de rechtbank is onder zaaknummer AMS 17/5603 PW 151 een procedure aanhangig waarbij verzoeker partij is. De zaak stond voor een behandeling bij de rechter gepland op de zitting van 15 januari
- 2.
- In artikel 8:15 de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt, op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 2.
- Uit de wet en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit volgt dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen. 2.
- In het verzoekschrift, dat aan deze beschikking is gehecht, wordt gesteld dat de rechter eerder betrokken is geweest bij een procedure met verzoeker als deelnemer. Bij brief van 28 november 2018 heeft de griffier op verzoek van de Wrakingskamer verzoeker verzocht aan te geven bij welke andere procedures de rechter betrokken was en wat haar rol in die procedures was. Op die brief is door verzoeker niet gereageerd. 2.
- Verzoeker heeft, ook niet nadat daarom uitdrukkelijk gevraagd is, geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, althans door de Wrakingskamer kan niet worden vastgesteld waaruit (de schijn van) die partijdigheid van de rechter jegens verzoeker zou blijken. Nu het verzoek niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld, dient verzoeker niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek. De mondelinge behandeling kan daarom achterwege blijven. 2.
- Omdat door verzoeker het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder onderbouwde feiten en omstandigheden is ingezet, is naar het oordeel van de Wrakingskamer sprake van misbruik van recht. De Wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter belast met de behandeling van de zaak van verzoeker niet in behandeling wordt genomen. 2.
- Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt. BESLISSING De Wrakingskamer: verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking; bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking gericht tegen de rechter belast met de behandeling van de zaak van verzoeker niet meer in behandeling zal worden genomen; bepaalt dat de procedure geregistreerd onder zaaknummer 7413051 CV EXPL 18-28073 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingverzoek werd ingediend. Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, A.W.J. Ros en P.B. Martens, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.