RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummers: 13/014067-19 (A), 13/252955-18 (B), 13/254800-18 (C) (Promis) & 13/243001-17 (TUL) Datum uitspraak: 30 april 2019 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] , gedetineerd in de [detentieplaats] . 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2019. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Dankers en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Ketting, naar voren hebben gebracht. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerkster Raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), door [medewerker Jeugdbescherming] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat in zaak A: hij op of omstreeks 16 januari 2019 te Amstelveen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf o aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] tweemaal, althans eenmaal en/of meermalen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (rechter)been en/of in de (rechter)onderrug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) in zaak B: hij op of omstreeks 10 december 2018 te Amstelveen, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] (met kracht) - eenmaal en/of meermalen te duwen en/of - eenmaal en/of meermalen aan een arm te trekken en/of vast te pakken en/of vast te houden en/of - eenmaal en/of meermalen met (gebalde) vuisten (in het gezicht/gelaat) te slaan en/of te stompen en/of - eenmaal en/of meermalen (tegen het lichaam) te schoppen en/of te trappen; ( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) in zaak C: hij, op of omstreeks 25 oktober 2018 te Amstelveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer bankbiljetten van 50 euro dat/die hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)zelf heeft/hebben nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem/hen, toen hij deze ontving(
- en)bekend was als echt en onvervalst heeft/hebben uitgegeven en/of in voorraad heeft/hebben gehad; ( art 209 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks te Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer valse of vervalste bankbiljetten van 50 euro heeft uitgegeven; ( art 213 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht). 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Beoordeling van het in zaak A ten laste gelegde 4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft betoogd dat het aan verdachte in zaak A ten laste gelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft ontkend dat hij de aangever heeft gestoken. Op de beelden die van het incident zijn gemaakt, is te zien dat de aangever wordt gestoken. De stekende persoon wordt op die beelden niet herkend. De aangever heeft verklaard dat hij één van de jongens met wie de ruzie ontstond, herkent als [verdachte] uit [woonplaats verdachte] . Hij wijst verdachte ook op een foto aan als één van de jongens met wie hij ruzie had. Verdachte kwam er opeens bij staan en had een rare blik in zijn ogen. Later merkt de aangever dat hij is gestoken. Terugdenkend, moet het volgens de aangever verdachte zijn geweest die hem heeft gestoken. In het voornoemde filmpje van het incident is te horen dat iemand fonetisch wordt aangesproken als [verdachte] : “ [verdachte] , niet doen”. Verdachte heeft een verwonding aan zijn hand, waar hij geen verklaring voor geeft. Die verwonding correspondeert met de verklaring van de broer van de aangever. Hij heeft verklaard dat de dader bloed had aan de hand waarmee hij het mes vasthield. Op de beelden van de bibliotheek is te zien dat verdachte vlak na het incident een bebloede hand heeft, als hij samen met [persoon 1] de bibliotheek in loopt. Deze beelden zijn door verbalisanten gevorderd van de bibliotheek en daarmee niet in strijd met de wet verkregen. Gelet daarop kan het aan verdachte in zaak A ten laste gelegde worden bewezen, aldus de officier van justitie. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft – in haar schriftelijke pleitnotities uitgebreid en hier zakelijk weergegeven – vrijspraak van het in zaak A ten laste gelegde bepleit. De verklaringen van de aangever en de getuigen zijn zo inconsistent dat zij als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Niet valt uit te sluiten dat de aangever en de andere betrokkenen hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Gelet op de onbetrouwbaarheid van de verklaringen, heeft de raadsvrouw verzocht de verklaringen van de aangever en de getuigen uit te sluiten van het bewijs. De bewakingsbeelden van de bibliotheek moeten wat de raadsvrouw betreft worden uitgesloten van het bewijs, nu die niet overeenkomstig artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering door de officier van justitie zijn gevorderd en ook niet is gebleken dat de bibliotheek daarvan vrijwillig afstand heeft gedaan. De wijze van verkrijging van de beelden is onrechtmatig en de verdachte is daardoor in zijn verdedigingsbelang geschaad. De consequentie die de rechtbank daar aan moet verbinden is uitsluiting van het bewijs van de beelden en hetgeen daaruit rechtstreeks is voortgevloeid. Voor zover de rechtbank daarover anders mocht oordelen, voldoet de herkenning van verdachte op de camerabeelden van de bibliotheek door een verbalisant niet aan de maatstaven die gelden voor een betrouwbare herkenning. Deze herkenning moet daarom worden uitgesloten van het bewijs. Gelet op het voorgaande, is er geen objectief bewijsmateriaal voorhanden op basis waarvan de betrokkenheid van verdachte bij het steken kan worden vastgesteld. Indien de rechtbank mocht menen dat het wel verdachte is geweest die de stekende beweging heeft gemaakt, dan kan niet worden gesteld dat verdachte daardoor bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard, aldus de raadsvrouw. 4.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt het volgende. Betrouwbaarheid verklaringen De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangever en de getuigen, bezien in onderlinge samenhang en bezien in samenhang met de hierna te noemen overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, voldoende betrouwbaar zijn om deze voor het bewijs te gebruiken. Daargelaten dat de eventuele onbetrouwbaarheid van verklaringen geen reden kan zijn voor bewijsuitsluiting, ziet de rechtbank geen aanleiding om de verklaringen als onbetrouwbaar te bestempelen en deze niet voor het bewijs te gebruiken. Hoewel het er inderdaad op lijkt dat de bij het steekincident betrokkenen niet direct ter plaatse (vlak voordat het slachtoffer met de ambulance werd weggevoerd) het achterste van hun tong wilden of durfden te laten zien, vinden hun uiteindelijke verklaringen over het steekincident voldoende bevestiging in de verklaringen van de andere betrokkenen en de overige bewijsmiddelen. Camerabeelden bibliotheek Amstelveen Ten aanzien van de bewakingsbeelden van de bibliotheek, leidt de rechtbank uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2019011239-7 op de pagina’s 30-31 van het dossier af dat de directrice van de bibliotheek van Amstelveen vrijwillig afstand heeft gedaan van de beelden. Nadat de verbalisanten haar hebben geïnformeerd over de situatie, geeft zij uit eigen beweging haar visitekaartje aan de verbalisanten, zodat zij contact met haar konden opnemen om de videobeelden van de bibliotheek te bekijken. Voor zover daar niet uit opgemaakt kan worden dat de bibliotheek vrijwillige afstand heeft gedaan van de beelden, bepaalt artikel 126nda van het Wetboek van Strafvordering – voor zover hier van belang – het volgende: In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot beelden gemaakt met camera’s voor de beveiliging van goederen, gebouwen of personen, vorderen deze gegevens te verstrekken. Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2019011239-10 op de pagina’s 32-34 van het dossier blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] de camerabeelden van de bibliotheek heeft gevorderd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het in beslag nemen van de camerabeelden van de bibliotheek geen sprake is van enig vormverzuim. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen en de rechtbank gebruikt de camerabeelden van de bibliotheek voor het bewijs zoals hierna ten noemen. Herkenning Ten aanzien van de herkenning van verdachte op de camerabeelden van de bibliotheek van Amstelveen door verbalisant [verbalisant 2] , moet – zoals de raadsvrouw heeft betoogd – worden vastgesteld dat niet is omschreven waar de verbalisant de herkenning op baseert. Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, echter van oordeel dat de kwaliteit van de stills die zich in het dossier bevinden in beginsel voldoende is om daarop tot een herkenning te kunnen komen. De kleding en uiterlijke verschijningsvormen van verdachte en zijn medeverdachte zijn goed zichtbaar op de beelden. Het signalement van verdachte past bij het signalement van de persoon op de camerabeelden die door verbalisant wordt herkend als verdachte. Deze persoon lijkt gewond te zijn aan de rechterhand en korte tijd later wordt bij verdachte een wond aan de rechterhand vastgesteld. Conclusie De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, in beginsel redengevend is voor een bewezenverklaring van het in zaak A ten laste gelegde. Immers, verdachte is genoemd als de dader door de aangever en getuigen. Verdachte is herkend door de aangever en een verbalisant. Verdachte was zelf verwond en had bloed aan zijn rechterhand, zoals een getuige heeft gezien. Onder omstandigheden zou deze redengevendheid kunnen ontbreken. Van deze omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Dat geldt temeer nu verdachte geen redelijke verklaring heeft gegeven die de voornoemde redengevendheid zou kunnen ontzenuwen. Verdachte heeft zich – geconfronteerd met het voorgaande – beroepen op zijn zwijgrecht. Het had op de weg van verdachte gelegen om bijvoorbeeld uitleg te geven over de snee in zijn hand. Dat heeft hij niet gedaan. Verdachte heeft daarmee geen alternatieve verklaring gegeven voor de redengevende feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. De voornoemde omstandigheden waaruit de rechtbank de redengevendheid afleidt, vragen wel om een dergelijke verklaring. Zie in dit verband ook Hoge Raad 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733 en – recenter – Hoge Raad 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7372. De rechtbank acht gelet op het voorgaande het in zaak A ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Voorwaardelijk opzet De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Uit het strafdossier volgt dat verdachte tweemaal heeft ingestoken op het lichaam - te weten het bovenbeen en de onderrug - van de aangever, die zich op dat moment in een gevecht met een andere persoon bevond. Daarbij werd over en weer gevochten en zijn de vechtenden ten val gekomen op een glad plein en werd ondertussen door anderen gepoogd hen uit elkaar te halen. Door onder die omstandigheden met een mes tot tweemaal toe in te steken op het lichaam van de aangever, zonder goed te kunnen bepalen waar, hoe hard en/of hoe diep het mes de aangever in het lichaam zou raken, is de rechtbank van oordeel dat verdachte door zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Het in zaak A ten laste gelegde kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen. 4.4. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft bij de beoordeling van het in zaak A ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen. 1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2019011239-1 van 17 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pag. 15-17. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven: Gistermiddag, 16 januari 2019 omstreeks 15.30 uur was ik samen met mijn broer [naam broer slachtoffer 1] en een vriend genaamd [naam vriend slachtoffer] in het stadshart van Amstelveen. We zagen een groepje jongens lopen van Noord-Afrikaanse komaf. Ik zag dat dit drie jongens waren, twee van deze jongen kende ik van gezicht, uit Amstelveen. Ik weet dat één van de jongens [verdachte] heet en de andere wordt [medeverdachte] genoemd. Hij zit volgens mij op het ROC in Amstelveen. De andere jongen kende ik niet. Ik kan de jongens als volgt omschrijven: " [medeverdachte] " - Ongeveer 1,78 meter lang; - tenger/normaal postuur; - licht getint; - uitpuilende ogen; - geen gezichtsbeharing of bril; - Ik denk dat hij een soort bomberjack droeg, donker van kleur maar ik kan zijn kleding niet goed herinneren. “ [verdachte] ” - 1,80 tot 1,85 meter lang; - tenger/normaal postuur; - licht getint; - kort zwart haar, niet te kort; - lange donkerkleurige air force jas/parka; - spijkerbroek; NN1 (De onbekende jongen): - Ongeveer 1,77 meter lang; - licht getint; - Marokkaans/Surinaams uiterlijk; - kort zwart haar dat hij naar voren gekamd droeg; - trainingspak; - Ik denk Irakese afkomst of iets dergelijks. We stonden voor de bibliotheek. Ik zag dat [medeverdachte] naar mij toe liep. Voordat ik het wist kreeg ik van [medeverdachte] een harde vuistslag, rechts naast mijn mond. Daarna zijn we gaan vechten. Doordat het regende was het plein vrij glad. Ik gleed telkens uit. Omdat ik in gevecht was met [medeverdachte] viel ik op de grond. Na een tijdje kreeg ik een beetje controle over [medeverdachte] . Ik was het gevecht aan het winnen. Toen we samen plat op de grond lagen zag ik dat [verdachte] ineens naar [medeverdachte] en mij toe was gelopen en naast ons stond. Ik zag zijn gezicht en zag dat hij een rare blik in zijn ogen had. Die blik gaf mij het gevoel dat hij iets gedaan had maar op dat moment wist ik niet wat. Ik zag dat [naam broer slachtoffer 1] hem weghaalde bij ons. Kort hierna kreeg ik de kans om op te staan en weg te rennen. [naam broer slachtoffer 1] en [naam vriend slachtoffer] renden ook mee. We renden naar het busstation. Tijdens het rennen voelde ik pijn in mijn rechter bovenbeen en ik kon hierdoor moeilijk lopen. [naam broer slachtoffer 1] en [naam vriend slachtoffer] ondersteunden mij. Ik voelde aan mijn been en voelde dat het nat was. [naam broer slachtoffer 1] trok mijn broek naar beneden om te kijken naar mijn been. Toen zagen we dat ik een steekwond in mijn rechterbovenbeen had. [naam broer slachtoffer 1] heeft toen mijn hele lichaam onderzocht. Ik voelde namelijk ook gedrup of iets dergelijks op mijn rug. [naam broer slachtoffer 1] zag toen op mijn rug ook een steekwond. Toen realiseerde ik me dat ik neergestoken was. Dit moet [verdachte] hebben gedaan op het moment toen hij naast mij en [medeverdachte] stond tijdens het vechten, toen we op de grond lagen. Ik heb het toen niet gevoeld, vermoedelijk door de adrenaline. Ik heb de handen van [medeverdachte] de hele tijd gezien. Hij kan het niet hebben gedaan en NNI stond de hele tijd op een afstand van ongeveer vijf meter van ons vandaan, dus hij kan het ook niet hebben gedaan. Ik ben met de ambulance vervoerd naar het Amstel Ziekenhuis waar ik een nacht moest blijven ter observatie omdat ik een hoop bloed ben verloren. 2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2019011239-13 van 16 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , doorgenummerde pag. 12-14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven: Op 16 januari 2019 omstreeks 15.48 uur kregen wij de opdracht te gaan naar de Ambrosiuslaan te Amstelveen. Hier zou een slachtoffer staan van een steekpartij. Ter plaatse zagen wij twee jongens die een derde jongen vasthielden, die later het slachtoffer bleek te zijn. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , zag dat het slachtoffer twee steekwonden had. Ik zag dat hij in zijn rechter onderrug een steekwond had zitten ter grootte van één centimeter breed. Ik zag een tweede steekwond van zo’n één centimeter breed in het rechter bovenbeen van het slachtoffer zitten. Wij zagen dat het slachtoffer veel bloed verloor waarvoor wij levensreddende handelingen hebben verricht tot dat de ambulance ter plaatse kwam en de hulpverlening van ons werd overgenomen. 3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2019011239-10 van 16 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pag. 32-34. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven: Op 16 januari 2019 omstreeks 15.30 uur kreeg ik de opdracht te gaan naar het stadsplein te Amstelveen, hier zou een groep jongeren aan het vechten zijn. Omstreeks 16.50 uur werd ik aangesproken door [getuige 1] . Zij verklaarde mij: "ik heb eerder, ongeveer anderhalf uur geleden, drie jonge jongens gezien waarvan er zeker twee gewond waren. Ik wilde op dat moment naar de WC gaan, hier in de bibliotheek. En toen kwamen er drie jonge jongens aan, ze zeiden dat ze een scooterongeluk gehad hadden en zich wilde afspoelen. Ik heb hen voorgelaten. Twee hadden verwondingen aan hun gezicht en één had een snee in zijn hand. Ze leken mij van Marokkaanse komaf. 4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2019011239-27 van 16 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , doorgenummerde pag. 45-46. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven: Op 16 januari 2019 omstreeks 18.00 uur waren wij in het Amstelland ziekenhuis te Amstelveen, waar op de spoedeisende hulp het slachtoffer zou liggen van een steekincident die eerder die middag op het Stadsplein in Amstelveen zou hebben plaatsgevonden. De vader van het slachtoffer, [vader slachtoffer 1] , verklaarde ons dat het letsel van zijn zoon [slachtoffer 1] betreft een steekwond in de rug en benen. Vader heeft een filmpje van een vriend van zijn zoons door gestuurd gekregen. Deze vriend [naam vriend 2 slachtoffer] heeft een en ander gefilmd. Vader heeft op verzoek dit filmpje via WhatsApp gestuurd naar de diensttelefoon van verbalisant [verbalisant 7] . Op een gegeven moment kwamen 3 meisjes het ziekenhuis in gelopen, waarop vader van het slachtoffer zei dat één van hen de ex-vriendin was van [slachtoffer 1] . Wij hebben vervolgens gesproken met deze ex-vriendin, genaamd [naam ex-vriendin] . Getuige verklaarde dat zij telefonisch had gesproken met de broer van de verdachte. Deze broer zou [naam broer verdachte] heten. De verdachte zou [verdachte] heten, dit had zij van vrienden van [slachtoffer 1] gehoord. [verdachte] zou net vrij gelaten zijn, hij zou voorwaardelijk vrij zijn. Getuige had [naam broer verdachte] gebeld en hem gevraagd wat er was gebeurd en hem gevraagd of [verdachte] inderdaad [slachtoffer 1] had neer gestoken. [naam broer verdachte] had haar gezegd dat dit niet wist en [naam broer verdachte] was naar de kamer van [verdachte] gelopen vroeg [verdachte] of hij iemand had neer gestoken. [verdachte] zou dit hebben bevestigd. [verdachte] zou wonen in de buurt van Oranjebaan te Amstelveen. Op een gegeven moment kwam de door getuige [naam ex-vriendin] genoemde [naam broer verdachte] het ziekenhuis in gelopen. Verbalisant [verbalisant 7] liep de gang op richting [naam broer verdachte] en hoorde vervolgens [naam broer slachtoffer 1] tegen [naam broer verdachte] zeggen dat de politie er was. Hiermee doelde hij op verbalisant [verbalisant 7] . [naam broer verdachte] gaf te kennen dat hij met vader wilde praten waarop vader en [naam broer verdachte] naar buiten zijn gelopen en met elkaar hebben gesproken. 5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2019011239-26 van 17 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , doorgenummerde pag. 48-55. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven: Tijdens het gesprek met de vader van het slachtoffer, [vader slachtoffer 1] , in het ziekenhuis (de rechtbank begrijpt: op 16 januari 2019 te Amstelveen) kreeg ik, een video van het incident te zien. Deze video heeft [vader slachtoffer 1] mij vervolgens via de telefoon toegezonden. Op 16 januari 2019 omstreeks 21:20 uur heb ik de video bekeken. Ik herken de gebouwen en de omgeving als dat van het Stadsplein in Amstelveen. Ik zag op de beelden dat de "filmer" richting een groep mannen liep. Ik zag dat deze mannen op het Stadsplein stonden. Ik zag dat er twee mannen op de grond lagen en er tenminste vijf personen omheen stonden. Ik zag dat de twee mannen die op de grond lagen beide gekleed waren in donkere kleding waarvan één lichte trui/sweater onder zijn jas aan had. Na 7 seconden zag ik dat een man met zijn rechterhand een stekende beweging maakt naar het rechterbeen van één van de mannen die op de grond lag. Ik zag namelijk dat de man zijn rechterhand omhoog bracht, deze arm naar boven bracht tot ter hoogte van zijn gezicht en vervolgens een snelle "stekende" beweging naar beneden maakte in de richting van het rechterbeen van één van de mannen op de grond. Ik kan deze man (NNI) omschrijven als: - donkere haren, zijkant korter dan boven en achterkant; - licht getint; - donkere driekwart jas met een lichte bontkraag; - donkere broek; - donkere schoenen; - leeftijd tussen 16 en 24 jaar; Na de stekende beweging zag ik dat NNI werd weg gehaald door een man gekleed in een rode broek. Ik zag dat de kleding van deze man overeenkwam met de kleding van de getuige [naam vriend slachtoffer] . Ik zag dat de man met de rode broek NNI van de twee mannen weghaalde. Ik hoorde dat er werd geroepen: " [verdachte] niet doen.. [verdachte] dit is..." Ik hoorde meerdere malen de naam [verdachte] dan wel [verdachte] . Ik zag dat er na twintig seconden een tweede video begon. Ik zag dat twee mannen elkaar vasthielden ter hoogte van hun schouders. Ik zag dat dit vermoedelijk dezelfde personen waren als de personen die in deel één op de grond lagen. Ik zag na 23 seconden dat de man gekleed in het zwart uitgleed en op de grond viel. Ik zag dat de man in het zwart gekleed deels op de grond zat. Ik zag dat de man met een donkere jas met daaronder een lichte sweater tenminste vier keer met gebalde vuisten sloeg in de richting van het hoofd van de man in het zwart gekleed. Ik zag dat NNI ook bij hen stond. Ik zag dat een man " [verdachte] " riep. Ik zag dat NNI zijn rechterhand naast zijn gezicht hield op het moment dat hij dit zei. 6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2019011239-42 van 17 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pag. 56. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven: Op 17 januari 2019 verklaarde de vader van het slachtoffer, [vader slachtoffer 1] , mij: “Mijn zoon [naam broer slachtoffer 1] liet mij net een foto zien van [verdachte] , degene die zij zien als degene die [slachtoffer 1] heeft neergestoken." [vader slachtoffer 1] liet mij een foto zien. Ik herkende op de foto [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2002, die ik die ochtend had aangehouden als verdachte van dit steekincident. Ik vroeg aan [slachtoffer 1] of hij ook de jongen op de foto herkende als de [verdachte] die hij bedoelde. Ik hoorde hem hierop zeggen: "Ja, dit is hem. Dit is [verdachte] , degene die mij heeft neergestoken." Hierna hoorde ik [slachtoffer 1] zeggen: "Ik heb nu ook het filmpje gezien die u ook in uw bezit heeft. Ik zag heel duidelijk dat [verdachte] een steekbeweging maakte." 7. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2019011239-9 van 16 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 15] , doorgenummerde pag. 58-59. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [broer van slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven: Op 16 januari 2019 liepen ik, mijn broer [slachtoffer 1] , [naam vriend slachtoffer] , er was nog een jongen bij, met zijn vieren in stadshart Amstelveen over het plein. We liepen toen naar links, niet over het zebrapad/regenboogkleur naar de bushalte toe. Bij de uitgang naar het plein kwamen we een aantal jongens tegen, het waren er 3 of 4. Mijn broer sprak toen met een van hen, NNI. We liepen naar de bibliotheek. Ik zag dat mijn broer met NNI in gesprek was. Toen opeens sloeg NNI mijn broer met een vuist in zijn gezicht, mijn broer vocht toen terug, ik zag dat NNI ook slagen van mijn broer in zijn gezicht kreeg. Voor ik het wist zaten ze op de grond te vechten, ze sloegen elkaar. Ik hield toen die NNI van hem af. Mijn broer kreeg toen overwicht in het gevecht en toen kwam er één van die jongens uit die groep, NN2, die werd door [naam vriend slachtoffer] weggetrokken want hij bemoeide zich met het gevecht. Toen die NN2 alleen stond, zag ik een mes in zijn rechterhand en zag ook bloed op zijn rechterhand waar hij het mes in hield. Ik trok toen NNI van mijn broer af en mijn broer is toen naar het busstation gerend. Ik zag dat hij in zijn linkerbeen aan de linker zijkant, zijn bovenbeen, gestoken was. Ik zag en hoorde dat mijn broer last van zijn rug kreeg, het bloedde flink, het was midden op zijn onderrug. Het was een wond van een streepje van een paar centimeter. 8. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2019011239-34 van 17 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] , doorgenummerde pag. 60-61. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven: Op 17 januari 2019 hoorde ik de getuige [naam broer slachtoffer 1] , die mij verklaarde: “Ik heb gisteren al een verklaring afgelegd. Daar blijf ik bij. Ik kan nog aanvullen dat ik vandaag op school hoorde dat [verdachte] zichzelf had gestoken. Dit had hij niet opzettelijk gedaan. Hij zou na de vechtpartij de bieb in gerend zijn.” 9. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2019011239-8 van 16 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] , doorgenummerde pag. 62-65. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als vraag van voornoemde opsporingsambtenaar (V) en als verklaring van [naam vriend slachtoffer] (A), zakelijk weergegeven: V: Er heeft vanmiddag een incident plaatsgevonden rondom het winkelcentrum Stadshart Amstelveen. Kun je me vertellen wat er vandaag is gebeurd? A: Ik was vandaag richting van de bieb aan het lopen. Onderweg kwam ik een aantal jongens tegen die ik niet kende. Toen we voor de bieb waren, hoorde ik ineens dat er ruzie was. Ik draaide me om en zag dat er mensen ruzie aan het maken waren. Ik sprong ertussen en toen heb ik een klap op mijn gezicht gekregen. Ik zag toen dat er iemand gestoken werd. Ik probeerde alleen maar uit elkaar te halen. Toen was die vriend van me die gestoken was, weggegaan. V: Met wie liep je? A: Ik liep met [naam broer slachtoffer 1] en zijn broer [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] is degene die later werd gestoken. Ik hoorde ineens mensen schreeuwen. Ik keek om. Ik stond namelijk niet met het gezicht in de richting van de groep. Ik zag dat het een ruzie was. Ik ben er toen naartoe gelopen. Ik wilde ze uit elkaar halen en toen heb ik een klap gekregen. V: Wie wilde je uit elkaar halen? A: [slachtoffer 1] en een onbekende jongen, NNI. De rest stond er om heen, die stonden te kijken. Ik zag dat er een jongen met een mes stond, NN2. Dat is niet de jongen die tegenover [slachtoffer 1] stond. V: Wat deed NN2 met het mes? A: Volgens mij wilde hij iemand steken. Ik heb niet gezien dat hij gestoken heeft. Ik hoorde iemand schreeuwen: “Mes! Hij is gestoken". Ik zag dat NN2 een zakmes had. Hij kwam er dichterbij staan, dus bij [slachtoffer 1] , NNI en mijzelf. Ik zag dus dat NN2 met dat zakmes kwam. Ik zag dat hij het dreigend in zijn hand had. Ik zag dat NN2 dichtbij [slachtoffer 1] stond. Ik heb niet de hele tijd zicht gehad op NN2. Toen ik weer keek hoorde ik dat er was gestoken. Ik zag toen dat NN2 bij [slachtoffer 1] stond. V: Zag je verder iets aan [slachtoffer 1] of NN2? A: Alleen dat NN2 het mes nog steeds in zijn hand had. Ik wilde NN2 weghalen bij [slachtoffer 1] . Ik greep NN2 vast en toen zag ik dat er bloed op het zakmes zat. Ik wist toen dat er dus daadwerkelijk was gestoken. Ik probeerde NN2 de hele tijd weg te houden van [slachtoffer 1] . 10. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2019011239-41 van 17 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] , [verbalisant 10] en [verbalisant 11] , doorgenummerde pag. 87. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven: Naar aanleiding van een steekincident hoorden wij op 17 januari 2019, de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] als verdachte. Uit onderzoek is gebleken dat er bij het steekincident een persoon betrokken was genaamd [verdachte] . Dezelfde naam als de verdachte. Deze [verdachte] zou tijdens het steekincident gewond zijn geraakt aan zijn hand. Wij, verbalisanten, zagen dat de verdachte [verdachte] aan zijn rechterhand een mogelijke verwonding had. 11. Een proces-verbaal van bevindingen camerabeelden bibliotheek met nummer 2019011239-57 van 22 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , niet doorgenummerd. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven: Op 16 januari 2019 heeft er een vechtpartij plaatsgevonden in Amstelveen. Hierna zijn er videobeelden in beslag genomen van de openbare bibliotheek in Amstelveen. Van de camerabeelden heb ik beschreven wat ik zie op de beelden. Te zien is dat er drie, onbekend gebleven, jongens van rechts aan komen lopen voor de ingang van de bibliotheek. Ongeveer tegelijkertijd komen er twee jongens van links aangelopen. De jongen die in het donker gekleed is, links in beeld is één van de drie jongens die van rechts kwamen aanlopen. Eén van de twee jongens die van links aan kwam lopen, loopt naar binnen de bibliotheek in. Ik herken deze jongen als de verdachte [verdachte] , geboren [geboortedag] 2002. Te zien is dat hij naar zijn rechterhand kijkt. Te zien is dat deze hand rood gekleurd is. Vermoedelijk is de hand bebloed. 5Beoordeling van het in zaak B ten laste gelegde 5.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft betoogd dat het aan verdachte in zaak B ten laste gelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de aangeefster met de vlakke hand een klap heeft gegeven. De getuigen die een verklaring hebben afgelegd, hebben verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte de aangeefster heeft gestompt, haar knietjes heeft gegeven en haar heeft geschopt. Er is geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de verklaringen van de getuigen op elkaar zijn afgestemd. 5.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat slechts het slaan van de aangeefster door verdachte, met de vlakke hand, kan worden bewezen. De aangeefster heeft de zaken ernstiger voorgedaan dan zij in werkelijkheid zijn geweest en de betrouwbaarheid van haar verklaringen moet worden meegewogen bij de beoordeling van het feit. 5.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is – met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat het in zaak B ten laste gelegde kan worden bewezen. Van onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster en de getuigen is de rechtbank niet gebleken. Deze verklaringen leveren, in onderlinge samenhang beschouwd, het na te noemen bewijs op dat verdachte het in zaak B ten laste gelegde feit heeft begaan. 5.4. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft bij de beoordeling van het in zaak B ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen. 1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2018252178-1 van 10 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12] , doorgenummerde pag. 3-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer 2] , zakelijk weergegeven: Ik doe aangifte van mishandeling op 10 december 2018 te Amstelveen. Vandaag, 10 december 2018 had ik afgesproken met [verdachte] . Wij kennen elkaar van school, “ [naam school] ”. Ik had met [verdachte] afgesproken om met hem te praten maar het gesprek liep al gauw hoog op. [verdachte] gaf mij toen een duw tegen mijn schouder aan. Ik gaf [verdachte] hierop een duw terug. Ik liep hierop bij [verdachte] vandaan om escalatie te voorkomen. Waarop ik voelde dat [verdachte] mij bij mijn jas aan de linkerarm vastgreep. Ik voelde dat [verdachte] met een grote kracht aan mijn arm trok. Ik probeerde namelijk met mijn hele lichaamsgewicht, circa 60 kilogram, los te komen van [verdachte] , maar [verdachte] trok zodanig hard dat dit mij niet lukte. Ik bleef tegen [verdachte] schreeuwen. Ik schreeuwde: "Help!", "Stop!" en " [verdachte] !" Ik schreeuwde dit meerdere keren, waarop [verdachte] mij losliet. Ik kon echter geen kant op. Ik had achter mij bankjes staan en rondom bosschages. [verdachte] blokkeerde de enige vrije uitgang. Ik voelde dat [verdachte] mij vervolgens meerdere klappen gaf met gebalde vuist. Ik voelde dat [verdachte] mij met flinke kracht sloeg. Ik voelde dat ik klappen kreeg op mijn rechterheup en rug. Ik voel nu, tijdens het doen van de aangifte, een zeurende pijn in mijn onderrug en rechterheup. Iemand riep dat de politie gebeld was. Op dit moment zette [verdachte] zijn capuchon op en rende hij weg. Ik zag wel dat er omstanders achter hem aan zijn gerend die hem in bedwang hielden tot de politie arriveerde. Ik zag vervolgens dat hij werd aangehouden door de politie. 2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2018252178-12 van 11 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] , doorgenummerde pag. 6-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergegeven: Gisteren, 10 december 2018 omstreeks 15.20 liep ik samen met mijn zoontje vanaf zijn school door het parkje richting onze flat in Amstelveen. Ik hoorde een meisje schreeuwen en om hulp roepen vanuit dit speeltuintje. Ik kon haar goed zien en zag dat zij een witte jas droeg. Ik zag dat er een jongen voor haar stond en dat zij naar achteren bewoog de bosjes in. Ik zag dat de jongen haar meerdere knietjes en stompen gaf. Ik zag dat hij haar op haar bovenlichaam en tegen haar hoofd raakte. Ik zag dat de jongen naar mij keek en ik zag dat hij een soort van duivelse blik in zijn ogen had en tot alles in staat was. De jongen werd later door een paar buurtbewoners vastgehouden. Ik hoorde dat de politie onderweg was. 3. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2018252178-9 van 10 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 14] , doorgenummerde pag. 8-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 3] , zakelijk weergegeven: Ik zag vanmiddag, 10 december 2018, een jongen en een meisje voor mijn deur aan de Camera Obscuralaan te Amstelveen. Ik hoorde geschreeuw van het meisje. Ik keek op en zag dat de jongen het meisje sloeg. Ik zag ook dat de jongen het meisje flink schopte. Hij heeft haar ook een paar keer tegen het hoofd geslagen. Ik heb toen naar de jongen geroepen. Ik zag dat hij zich er niets van aan trok en gewoon doorging met schoppen en slaan. Op het moment dat het meisje tegen het hoofd werd geslagen, probeerde zij de slagen af te weren. Omdat zij zich afweerde, begon hij haar te schoppen. Hij heeft haar hard geschopt. Hij schopte ook vrij hoog. Uiteindelijk is zij via de bosjes gevlucht bij de jongen vandaan. Zij schreeuwde ook heel hard: "Help, help!" Ik denk dat mede daardoor meerdere mensen ineens achter die jongen aan zijn gegaan. De mensen hebben de jongen ook te pakken gekregen. 4. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1300-2018252178-2 van 10 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12] , doorgenummerde pag. 22-23. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven: Op 10 december 2018 omstreeks 15.15 uur hoorde ik de melding te gaan naar de Camera Obscuralaan te Amstelveen, alwaar een meisje mishandeld zou worden door een jongen. Een aantal minuten later arriveerde ik ter plaatse. Ik zag een meisje, later bleek dit [slachtoffer 2] te zijn, die overstuur was. Ik zag in een portiek van een flat een jongen, die later bleek te zijn [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] . De strekking van het verhaal van meerdere personen was dat meerdere personen gezien hebben dat [verdachte] op [slachtoffer 2] ingeslagen heeft. Ik noteerde van twee van de getuigen gegevens, dit waren [getuige 2] en [getuige 3] . Ik heb [verdachte] hierna aangehouden. 6Beoordeling van het in zaak C ten laste gelegde 6.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte in zaak C subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen. Nu niet is gebleken dat verdachte de valse biljetten zelf heeft gemaakt, moet hij van het in zaak C primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. Het in zaak C subsidiair ten laste gelegde kan echter worden bewezen, aldus de officier van justitie. Zij heeft zich bij haar standpunt gebaseerd op de herkenning van verdachte op de beelden van [naam dierenwinkel] in Amstelveen , waarbij verdachte degene is die tussen de schappen blijft staan terwijl zijn medeverdachte afrekent. Gelet op de signalementen die de medewerkers van de bloemenkiosken geven, moet verdachte de persoon zijn geweest die in de bloemenkiosken heeft afgerekend. Verdachte heeft een rode roos in zijn handen met een sticker van bloemist [slachtoffer 4] . Gelet op de modus operandi in zowel de bloemenkiosken als de [naam dierenwinkel] , acht de officier van justitie het medeplegen van het in zaak C subsidiair ten laste gelegde bewezen. 6.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte van het hem in zaak C ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het dossier bevat geen enkel bewijsmiddel waaruit voortvloeit dat verdachte verantwoordelijk is voor het vervalsen van bankbiljetten of het bekend zijn met het feit dat de bankbiljetten vals waren. Ook het subsidiair ten laste gelegde kan niet worden bewezen, aldus de raadsvrouw. Verdachte was niet op de hoogte van het feit dat de bankbiljetten vals waren en medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij verantwoordelijk is geweest voor alle transacties. Het enkele feit dat er meerdere kleine transacties zijn gedaan, kan niet leiden tot de conclusie dat verdachte moest weten dat de biljetten vals waren. Bij gebrek aan wetenschap, kan verdachte geen wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het uitgeven van valse bankbiljetten. 6.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw, op de door hen aangevoerde gronden, van oordeel dat het aan verdachte in zaak C primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Hij zal daar van worden vrijgesproken. Verder is de rechtbank, met de raadsvrouw en op de door haar aangevoerde gronden, van oordeel dat het in zaak C subsidiair ten laste gelegde evenmin kan worden bewezen. De rechtbank voegt aan de door de raadsvrouw genoemde gronden het volgende toe. Van de transactie bij [naam dierenwinkel] staat vast dat deze door [medeverdachte 2] is verricht, terwijl verdachte op enige afstand stond. Van het medeplegen van deze transactie is niet gebleken. Ten aanzien van de transacties bij de bloemenkiosken, heeft te gelden dat verdachte weliswaar in zekere mate past in het signalement dat de beide bloemisten van de koper geven, maar dat desondanks niet kan worden vastgesteld dat verdachte bij beide bloemisten degene is geweest die met een vals bankbiljet heeft betaald. Aangever [slachtoffer 3] heeft aangegeven dat hij de jongen die in zijn bloemenkiosk met een vals biljet heeft betaald even later uit de bloemenkiosk van aangever [slachtoffer 4] zag lopen. De signalementen die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] van de koper geven, zijn niet helemaal hetzelfde en enkel op basis van die signalementen kan niet worden bewezen dat het verdachte is geweest die in de bloemenkiosken met vals geld heeft betaald. De aangevers hebben verdachte niet, bijvoorbeeld bij gelegenheid van een fotoconfrontatie, aangewezen als de koper. Ook medeverdachte [medeverdachte 2] beantwoordt in enige mate aan de gegeven signalementen. Daar komt bij dat medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de ten laste gelegde transacties heeft verricht. Van medeplegen van de transacties van [medeverdachte 2] door verdachte is niets gebleken. Gelet op het hierboven overwogene zal verdachte van het in zaak C ten laste gelegde worden vrijgesproken. 7Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de onder 4.4 en 5.4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde: op 16 januari 2019 te Amstelveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] tweemaal met een mes, in het rechterbeen en in de onderrug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde: op 10 december 2018 te Amstelveen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] met kracht te duwen en aan een arm te trekken en vast te pakken en meermalen met gebalde vuist in het gezicht te slaan en meermalen tegen het lichaam te schoppen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 8Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 9Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 10Motivering van de straf en maatregel 10.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A, B en C bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en JBRA. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. 10.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft aangegeven dat het belangrijk is om verdachte zo goed mogelijk open te laten staan voor een intensieve vorm van hulpverlening en dat dit vanuit de thuissituatie het beste zal gaan. Ook zal verdachte zich vanuit de thuissituatie het beste kunnen voorbereiden op zijn examens en dat is voor hem zeer belangrijk. De raadsvrouw heeft daarom verzocht de detentie van verdachte niet langer te laten voortduren, zeker niet als mocht blijken dat verdachte niet langer in de KV kan verblijven. Ook is verdachte nooit eerder veroordeeld voor geweldsdelicten en heeft verdachte – wegens het weer vastzitten – niet kunnen profiteren van de eerder opgelegde behandeling. De dadelijk uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden is dan ook niet passend. 10.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door first offenders. Bij de eerste keer recidive wordt een verhoging toegepast van maximaal 50% of een andere strafmodaliteit toegepast. Bij verdere recidive kan een verhoging worden toegepast van meer dan 50% of een andere strafmodaliteit. Het betreft in de onderhavige zaak de volgende oriëntatiepunten: zware mishandeling: zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen: vanaf 3 maanden jeugddetentie; mishandeling: meerdere klappen/schoppen/trappen: 40 uur taakstraf. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige, gewelddadige misdrijven. Verdachte heeft de aangevers letsel en/of pijn toegebracht en heeft er door zijn handelen blijk van gegeven onvoldoende respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van anderen. Dat verdachte in de bewezen verklaarde situaties niet in staat is geweest zijn emoties te beteugelen en hij zich, met name wat het in zaak A bewezen verklaarde betreft schijnbaar vanuit het niets, schuldig heeft gemaakt aan zulk ernstig geweld is zeer zorgelijk te noemen. Wat betreft zaak B zegt hij dat hij boos was, maar wil niet vertellen waarom hij dan zo boos was. In beide gevallen heeft hij disproportioneel gehandeld ten opzichte van de slachtoffers. Daar komt bij dat verdachte geen enkele blijk heeft gegeven van inzicht in zijn problematiek. Hij heeft aangegeven dat hij vindt dat hij een (leer)straf verdient voor het mishandelen van [slachtoffer 2] , maar dat hij geen hulp nodig heeft bij het leren omgaan met agressie en boosheid. Daarmee geeft verdachte er blijk van geen inzicht te hebben in de aard en ernst van zijn handelen en zijn problematiek. De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatied.d. 3 april 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens een geweldsdelict, zij het dat dit geweld tegen goederen betrof en verdachte in hoger beroep is tegen deze uitspraak. Dat verdachte al na twee dagen nadat hij was geschorst in zaak B (een geweldsdelict) wederom een ernstig geweldsdelict heeft gepleegd (zaak A), wordt verdachte zwaar aangerekend. De rechtbank heeft kennisgenomen van het psychologisch Pro Justitia rapport van verdachte van 13 maart 2019, opgemaakt door drs. J.A.E.M. van den Bosch, GZ-psycholoog/klinisch psycholoog. De rapporteur geeft daarin onder meer het volgende aan. Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, die te beschrijven is als een normoverschrijdende gedragsstoornis. Daarnaast zijn er meerdere gebieden, die aanleiding geven tot zorg: eenoudergezin als gevolg van echtscheiding en overlijden, verlieservaringen bij betrokkene, problemen met school, omgang met criminele leeftijdgenoten. Op basis van de ontwikkelingsgeschiedenis van betrokkene en het daaruit resulterende persoonlijkheidsbeeld wordt geadviseerd betrokkene het hem ten laste gelegde feit 1 (de rechtbank begrijpt: de mishandeling van [slachtoffer 2] ), in verminderde mate toe te rekenen, indien bewezen. Met betrekking tot feit 2 (de rechtbank begrijpt: de poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer 1] ) wordt hierover niet geadviseerd, omdat er te weinig informatie is verkregen omtrent de denk- en handelwijzen van betrokkene in de gegeven situatie, indien bewezen. Geadviseerd wordt betrokkene een behandeling op te leggen, die gericht is op het leren omgaan met emoties, in het bijzonder agressie. Daarnaast is het belangrijk om veel aandacht te besteden aan het opbouwen van een goede (behandel)relatie, waarbinnen zo mogelijk ook gewerkt kan worden aan het zicht krijgen op en verwerking van onderliggende emoties van verlies. Gedacht kan worden aan een vorm van schematherapie. Een passende organisatie, waar deze behandeling geboden kan worden is de Waag of Spirit. Het juridisch kader waarbinnen de behandeling kan worden opgelegd is als bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke straf/detentie. Er dient veel aandacht te gaan naar de structuur waarbinnen betrokkene gemotiveerd kan raken om aan de behandeling te gaan deelnemen. Vanuit moeder valt in deze niet veel te verwachten; zij is daartoe te weinig weerbaar en te kwetsbaar. Gedacht kan worden aan een (mannelijke) coach, die komt tot het opbouwen van een positieve relatie met betrokkene en die hem kan motiveren en steun kan bieden, bij het opgroeien van adolescent naar jong volwassene. De rechtbank zal het advies van de psycholoog overnemen en verdachte de bewezen verklaarde mishandeling van [slachtoffer 2] in verminderde mate toerekenen. JBRA heeft ter zitting te kennen gegeven dat de begeleiding van verdachte in de afgelopen periode goed is gegaan. Verdachte is gestart met een bijbaantje en verbleef bij de KV. Nu zijn verlof is ingetrokken, kan hij niet meer naar zijn bijbaan. Bij de KV gaat het redelijk goed. Verdachte werkt goed mee met IFA en RGT, daar is hij onlangs mee begonnen. Verdachte stelt zich beperkt begeleidbaar op, het is moeilijk om met hem een samenwerking aan te gaan. Verdachte lijkt weinig berouw te hebben en bewaart afstand in het contact. School en examens zijn voor hem heel belangrijk. Dat verdachte niet terug kan naar zijn oude school, maakt hem boos en hij vindt het moeilijk om dat te accepteren. Daar is veel strijd over. Het is belangrijk dat er in de komende tijd meer zicht komt op de thuissituatie. Ook zijn er op basis van het psychologisch rapport zorgen over de gebrekkige empathie bij verdachte. JBRA adviseert, zowel ter zitting als in het rapport van 11 april 2019, een leerstraf zoals TACt en een (deels) voorwaardelijke werkstraf, waarbij de huidige hulpverlening, te weten RGT, Spirit, IFA door moeten gaan binnen het kader van een strak toezicht. Daarnaast wordt gedacht aan therapie gericht op rouwverwerking en de inzet van de Forensische Formatie of de Waag. De Raad heeft ter zitting geadviseerd aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. De Raad ziet, gelet op de bevindingen van de psycholoog, recidivegevaar en daar moet aan worden gewerkt. Behandeling is voor verdachte heel belangrijk. Verdachte heeft veel potentie, maar zet die af en toe op een verkeerde manier in. Zijn houding, berekenende opstelling, omgang met emoties en het nemen van verantwoordelijkheid verdienen aandacht en daar moet aan worden gewerkt. De onlangs ingezette behandeling moet daarom doorgaan. Als bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke jeugddetentie, adviseert de Raad het meewerken aan behandeling en begeleiding van IFA, RGT, mogelijk de Forensische Formatie waarbij schematherapie aan de orde zal komen, een contactverbod met [slachtoffer 2] en een avondklok voor de duur van drie maanden met elektronisch toezicht. Toezicht op en begeleiding bij de bijzondere voorwaarden kan door JBRA worden uitgevoerd. De Raad heeft geadviseerd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De Raad ziet naast alle andere behandelingen die al ingezet zijn of nog gaan worden geen toegevoegde waarde van een aparte leerstraf. De rechtbank acht het, vanwege het eerder overwogene, met de psycholoog, de Raad en JBRA, van groot belang dat verdachte de ingezette behandeling en begeleiding zal voortzetten. Verdachte moet op een andere manier leren omgaan met zijn emoties en hij heeft daarbij hulp nodig. Die hulp kan hem binnen de geadviseerde bijzondere voorwaarden worden geboden, hetgeen van belang is om verdachte zich te laten ontwikkelen tot een zo evenwichtig mogelijke volwassene. Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden en toezicht De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Gelet daarop, gelet op het door de Raad gemelde recidivegevaar en mede gelet op de zorgen die ten aanzien van de verstandhouding tussen verdachte en [slachtoffer 2] ook nog uit recente informatie van de politie is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Vrijheidsbeperkende maatregel Om dezelfde reden als voor het bevelen van de dadelijk uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht, zal de rechtbank aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Met name gelet op de bewezenverklaring van de feiten, bezien in combinatie met de persoon van de verdachte acht de rechtbank het opleggen van deze maatregel noodzakelijk ter voorkoming van strafbare feiten ten aanzien van [slachtoffer 2] . Verdachte dient zich te onthouden van ieder contact met [slachtoffer 2] , geboren [geboortdatum slachtoffer 2] te Amsterdam. Ook mag hij zich niet binnen een straal van 500 meter van haar woning (thans [adres slachtoffer 2] ) begeven. Voor iedere keer dat verdachte zich niet aan deze maatregel houdt zal hem vervangende jeugddetentie voor de duur van twee weken worden opgelegd. Gelet op de aard van de feiten en de door de deskundigen beschreven persoonlijkheid en psychische gesteldheid van verdachte is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens bepaalde personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Ten aanzien van het beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: 5694657 boek 5694852 iphone s telefoon communicatieap 5694856 parka jas kleding 5695111 jas kleding 5695528 idkaart 5695532 mes handgereedschap 5695545 broek kleding 5695548 broek kleding 5695549 handdoek textiel 2018218024 9,1 EUR De rechtbank zal, conform de vordering van de officier van justitie, de teruggave van deze goederen gelasten. Ten aanzien van de benadeelde partijen De benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [naam dierenwinkel] zullen ieder in hun vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte in zaak C geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling Bij de stukken bevindt zich de op 19 februari 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13-243001-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 maart 2018 van de kinderrechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 20 (twintig) uren niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens blijkt uit de stukken dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte is toegezonden of uitgereikt. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten. 11Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 38v, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77we, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 77za, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 12Beslissing De rechtbank: Verklaart het in zaak C ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: in zaak A: poging tot zware mishandeling; in zaak B: mishandeling. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 6 (zes) maanden. Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Beveelt dat een gedeelte, groot 1 (één) maand, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde - dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: meewerkt aan de reeds ingezette hulpverlening en behandeling van de Intensieve Forensische Aanpak (IFA), Relationele Gezinstherapie (RGT) en Spirit, waaronder R&B en Back on Track; meewerkt aan de eventueel in te zetten hulpverlening en behandeling van de Forensische Formatie, de Waag of een soortgelijke instelling, waaronder schematherapie, indien JBRA dat noodzakelijk acht; zich tot 7 augustus 2019 zal houden aan een avondklok die inhoudt dat hij dagelijks van 19.00 tot 7.00 uur in de ouderlijke woning zal verblijven, met dien verstande dat op deze avondklok voor zover mogelijk middels elektronische controle – geldend tot 7 augustus 2019 – zal worden toegezien en dat Jeugdbescherming Regio Amsterdam de tijden van de avondklok ten voordele van verdachte kan wijzigen; voor zover elektronische controle na onderzoek mogelijk blijkt, meewerkt aan de aansluiting van en de voorwaarden behorend bij elektronische controle (waaronder het dragen van een enkelband en het zich houden aan een weekrooster) gedurende een periode van drie maanden na deze uitspraak zich gedurende de proeftijd van twee jaren onthoudt van iedere van vorm van contact met [slachtoffer 2] , geboren [geboortdatum slachtoffer 2] te [geboorteplaats slachtoffer 2] en zich gedurende de proeftijd niet zal ophouden in de nabijheid van haar woning, op dit moment [adres slachtoffer 2] . Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden; - zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Veroordeelt verdachte tot een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 2 (twee) jaren, inhoudende dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de volgende persoon: [slachtoffer 2] geboren [geboortdatum slachtoffer 2] te [geboorteplaats slachtoffer 2] ; niet binnen een straal van 500 meter komt van het woonadres van voornoemde persoon, op het moment van deze uitspraak zijnde, [adres slachtoffer 2] , Beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor het geval niet aan de vrijheidsbeperkende maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende jeugddetentie bedraagt 2 (twee) weken, voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Beveelt dat de hierboven opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is. Gelast de teruggave aan verdachte van: 5694657 boek 5694852 iphone s telefoon communicatieap 5694856 parka jas kleding 5695111 jas kleding 5695528 idkaart 5695532 mes handgereedscha 5695545 broek kleding 5695548 broek kleding 5695549 handdoek textiel 2018218024 9,1 EUR Verklaart [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in de vordering. Verklaart [naam dierenwinkel] niet-ontvankelijk in de vordering. Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van de kinderrechter te Amsterdam van 6 maart 2018, namelijk een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie. Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.C. van Dam van Isselt, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. G.S. Crince Le Roy en M. van der Kaay, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Veldman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 april 2019.