RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751660-18 RK nummer: 18/5775 Datum uitspraak: 26 maart 2019 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juni 2018 door de Staatsanwaltschaft Hannover (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Sierra Leone) op [geboortedag] 1982, verblijvend op het adres [verblijfadres] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 13 november 2018 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 november
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en medegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan op 27 november
- Tussenuitspraak 27 november 2018 Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek te heropenen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te verzoeken de hierna opgenomen vragen met betrekking tot – kort gezegd – het vonnis dat aan het EAB ten grondslag ligt, te beantwoorden:
- Is de opgeëiste persoon bij vonnis van 24.08.2016 door de rechtbank Hannover veroordeeld tot een voorwaardelijke, een onvoorwaardelijke of een deels voorwaardelijke en deels onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf?
- Welke beslissing ligt ten grondslag aan het aanhoudingsbevel van 23.04.2018 (6031 Js 98447/15)?
- Door welke autoriteit en op welke datum is de beslissing, bedoeld vraag 2, genomen?
- a. Zijn in de beslissing, bedoeld in vraag 2, de aard en/of duur van de bij vonnis van 24.08.2018 uitgesproken straf gewijzigd, en: b. Beschikte de bevoegde autoriteit daarbij over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid?
- Indien het antwoord op vraag 4 bevestigend luidt, was de opgeëiste persoon, conform artikel 4 bis van het Kaderbesluit EAB, lid 1 a tot en met d, in persoon gedagvaard om ter zitting te verschijnen, dan wel in persoon aanwezig tijdens de behandeling, dan wel vertegenwoordigd door een advocaat ter zitting die tot die beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, en/of geïnformeerd omtrent de hem ten dienste staande rechten van verzet of hoger beroep? Zitting 12 maart 2019 De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 12 maart
- Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door zijn raadsman. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de nationaliteit van Sierra Leone heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een Aanhoudingsbevel ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie Hannover van 23 april 2018 (dossiernummer 6031 Js 98447/15) en een vonnis van de Arrondissementsrechtbank Hannover (Landgericht Hannover) van 24 augustus 2016 (70 KLs Js 98447/
- De Staatsanwaltschaft Hannover heeft bij e-mail van 5 februari 2019 de hiervoor genoemde vragen van de rechtbank beantwoord:
- The court of Hannover on 24th of August 2016 issued a conditional prison sentence (suspended sentence) (only)
- The conditional suspension has been revoked by the same court of Hannover on 2nd November 2017
- See question 2
- a. The conditional suspension of the prison sentence has been revoked. The duration of the prison sentence (originally: 1 year 10 month) has not been changed. b. The decision of the revocation is obligatory in three enumerated cases (here: violation of the conditions of the probation)
- --- De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 10 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB dient de opgelegde straf nog in het geheel te worden uitgezeten. Echter, op verzoek van de officier van justitie heeft de Staatsanwaltschaft Hannover bij e-mail van 1 november 2018 onder meer medegedeeld: (…) The time of imprisonment (225 days) will automatically reduce his remaining sentence once he is imprisoned again to about 1 year and two month. The exact calculating of the remaining sentence in days depend on the month of the arrest (30 or 31 days) and cannot yet be provided. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 3.
- Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 3.1.
- Inhoud van de stukken Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in: Gelieve te vermelden of de betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing: [X] Ja, de betrokkene is in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing (…) 3.1.
- Standpunt van de raadsman De raadsman heeft betoogd dat de onder 3 opgenomen e-mail van de Staatsanwaltschaft Hannover van 5 februari 2019 weliswaar voor enige duidelijkheid heeft gezorgd, maar dat nog steeds niet blijkt op grond waarvan en op welke wijze de omzetting heeft plaatsgevonden. Aldus dient de overlevering te worden geweigerd. 3.1.
- Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW – gelet op de hiervoor vermelde informatie uit het EAB die overeenkomt met de verklaring die de opgeëiste persoon bij zijn voorgeleiding op dit punt heeft afgelegd – niet aan de orde is. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is ten aanzien van de uitspraak waarbij de voorwaardelijke straf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf, volgt de rechtbank hem daarin niet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) heeft in een uitspraak van 22 december 2017 (C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026, Ardic) bepaald dat beslissingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, EVRM en evenmin onder de reikwijdte van art. 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ vallen, voor zover noch de aard noch de maat van de aanvankelijk uitgesproken straf is gewijzigd. Uit de mededelingen van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat noch de aard noch de duur van de oorspronkelijke straf is gewijzigd. De rechtbank verwerpt het verweer. 4Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Staatsanwaltschaft Hannover ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Aldus gedaan door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. A.W.C.M. van Emmerik en E. Laanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 maart
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.